Nederlandse Boeken

| Terug |

Theun de VriesTheun de Vries
KETTERS

Van de 700 pagina's van dit indrukwekkende boek (‘Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht’) zijn er een kleine 100 aan het dualisme gewijd en daarvan slechts een 30-tal aan de katharen. Je zou je dus terecht kunnen afvragen of het boek hier wel thuishoort, maar we kregen er zoveel vragen en opmerkingen over (en er is al zo weinig materiaal beschikbaar in het Nederlands) dat we het toch maar hebben toegevoegd. Deze bespreking heeft het dus enkel over die hoofdstukken waarin het over de katharen gaat en daarover zijn we niet echt enthousiast. Een boek als dit vraagt een enorme research en misschien heeft Theun de Vries wat te veel hooi op zijn vork genomen.

Als we naar de geraadpleegde bronnen kijken vinden we daar René Nelli, Fernand Niel, Steven Runciman, Arno Borst en een enkele keer Zoë Oldenbourg, allemaal specialisten, dat wel, maar geen enkel werk dat recenter is dan de jaren 1960. ‘Ketters’ dateert uit 1982 toen het tweedelige ‘Les Cathares’ van Jean Duvernoy al enkele jaren beschikbaar was (hij was de eerste die gebruik kon maken van alle tot op heden ontdekte kathaarse teksten) en ook de eerste twee delen van Michel Roquebert's ‘L’Epopée Cathare’ waren al verschenen. Voor zijn teksten over het dualisme en de kathaarse religie maakte de Vries zelfs gebruik van een boek van Ignaz von Döllinger uit... 1890!

Het gevolg is dat er heel wat achterhaalde feiten en theorieën in het boek staan. De katharen zouden het licht vereren, er wordt over “diakonessen” geschreven (die zijn er nooit geweest), gebruiken als endura en convenenza worden foutief gekaderd, kathaarse bons hommes en bonnes femmes zouden steeds "vergezeld worden van een gewone gelovige die voor hen zorgde..." en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Het wordt nog erger bij het historisch feitenmateriaal, dit zijn slechts enkele voorbeelden uit de vele. Simon de Montfort wordt voorgesteld als een "door de kerk gekozen leider van de kruistocht", terwijl hij dat pas werd na de val van Béziers en Carcassonne (en na de weigering van een aantal belangrijkere kandidaten). Pauselijk legaat Arnaud-Amaury (de echte leider van de kruistocht) wordt zelfs in twee afzonderlijke personnages opgesplitst: “Arnald de Cîteaux” en “een tweede pauselijke legaat Amalric”. Raymond VI “moest zich bij het verdrag van Meaux vernederen” terwijl hij toen al zeven jaar dood was. Montségur werd aan de katharen ter beschikking gesteld “namens de vorstin Esclarmonde de Foix die als een kathaarse heilige werd beschouwd: alsjeblieft zeg, het lijkt wel alsof we Napoleon Peyrat lezen. “Raymond de Péreille leidde de verdediging van Montségur, bijgestaan door de kathaarse bisschop Guillebert de Castres”: Pierre-Roger de Mirepoix leidde de verdediging van Montségur en Bertran Marti was Guilhabert de Castres na diens dood (omstreeks 1240) opgevolgd. Na de val van Montségur werden “de volmaakten verbrand en de rest, voor zover niet vermoord, werd in massa weggevoerd: er werd niemand vermoord en er werd niemand weggevoerd, het was één van de voorwaarden van de overgave dat, buiten de bons hommes en bonnes femmes, iedereen vrij mocht vertrekken, mits zich later te onderwerpen aan een verhoor door de Inquisitie.

En, we hadden niet anders verwacht, “in 1329 wordt een kathaars bastion vermeld dat nog verzet bood: de ‘drie kerken’ van Ussat, Bouan en Ornolac: daar zijn ze weer, de grotten in de Ariègevallei. Theun de Vries vermeldt niet waar ergens “in 1329 dat “kathaars bastion” wordt vermeld. Ook het verhaal van de ingemetselde katharen in de grot van Lombrives is trouwens van de partij. Op de tegenoverliggende pagina prijkt een foto van een “schijfvormige kathaarse zuil”... Tja...

(Uitgeverij Querido - 1982 - ISBN 90-214-8663-6)

| Terug |