Het castrum van Durfort - ‘Le Castlar’ - (Tarn)

Vorige | Overzicht | Volgende

Situering

DurfortHet geruïneerde castrum van Durfort ligt op een kalkachtige bult, halfweg de zuidelijk gerichte berghelling boven het huidige dorp aan de Sor. Deze constant waterrijke rivier heeft een diepe vallei uitgeslepen in de uiterst westelijke rand van de Montagne Noire. We zijn op de grens tussen de departementen Aude en Tarn, niet ver van de stadjes Sorèze en Revel. Naast de ongeveer 60 meter hoge heuvel (in vergelijking met de dragende bergflank) was een goede bron voor de watervoorziening van het castrum. Coördinaten Lambert III: X = 578,417; Y = 1825,801; Z = 415.

In het dorp Durfort, beneden in de vallei, staat dit castrum bekend als le Castlar of ook Castelas. Op de recente IGN-kaart (2009) is het aangegeven als castrum de Castlar. In de bronnen worden de twee namen echter door elkaar gebruikt, of beschrijft men de twee polen (het castrum en het dorp) soms als een eenheid. In een akte uit 1357 staat: …homines et habitatores castri sive villae Dureforti.

Durfort

In de 11de, 12de en 13de eeuw lag Durfort in een feodaal grensgebied. De graven van Toulouse beheersten het politieke leven in de nabije westelijke vlakte. De burggraven Trencavel van Carcassonne hadden het voor het zeggen in de Montagne Noire en dus ook in Durfort. Andere feodale hoofdacteurs in deze zone waren de abten van Sorèze en de heren van Saissac. In mindere mate speelden ook de abten van Saint-Papoul en de hospitaalridders van Pexiora mee.

De historiek van Castlar is uiterst nauw verbonden met die van twee andere nabije castra. Eén daarvan lag twee kilometer dieper in de vallei. Dit oudere castrum van Rocafort (Roquefort) hoorde toe aan machtige heren, die familie en vazallen waren van Trencavel. Het andere was Bruniquaut (ook Verdinum en Brunichellis), eveneens ouder. Het bevond zich op dezelfde bergrug als Castlar, maar op de top, iets meer naar het westen en dus dichter bij de abdij van Sorèze. In de bronnen is het soms moeilijk om deze drie habitats precies van elkaar te onderscheiden.

Durfort Durfort

Geschiedenis volgens de geschreven bronnen

De geschreven bronnen geven ons enige inlichtingen over de middeleeuwse geschiedenis van het castrum van Durfort. De eerste duidelijke vermelding, tenminste volgens een oudere studie (1992) van Jean-Louis Biget, komt uit een document uit het begin van de 13de eeuw, waarin staat dat Arnau Raimon van Rocafort een medeheer is van Durfort. Toch heeft men ondertussen oudere oorkonden bestudeerd waarin Isarn de Castlar meermaals voorkomt als getuige en lopend van 1142 tot 1153 (Doat 167, fol. 109-112). Ook in een akte uit 1163 heeft men het over het castrum van Durfort.

Recente vondsten laten ons toe om nog verder terug te gaan in de tijd. In een belangrijke oorkonde van 1124/25 uit het Cartularium van Trencavel (Pro pace et treva, nr. 384, fol. 140) vinden we twee ridders vermeld: Raimon en Guilhem van Durfort. In een document van 1107 uit het Cartularium van Saint-Sernin (nr. 131) staat Arnoldus de Duroforte als getuige ingeschreven.

Uit de context en de documentatie kan men met vrij grote zekerheid afleiden dat het castrum van Durfort een stichting is van de heren van Rocafort, met toestemming van Trencavel of zelfs door hem gestimuleerd. Hoe juist en wanneer blijven toch nog vraagtekens. Het zou wel eens Roger I Trencavel kunnen geweest zijn, die in 1141 de puech de Berniquaut ter beschikking stelt voor de stichting van een castelnau. Toch lijken de oorkonden aan te geven dat er reeds vroeger een primitievere inplanting moet geweest zijn, misschien een louter militaire satelliet van Rocafort om de ingang van de vallei beter te beheersen.

Nieuw in 1141, ja, want verder naar het westen op dezelfde bergrug lag zoals gezegd een ouder castrum, Berniquaut, waar het rond 1100 slecht ging. De inwoners daarvan werden immers aangetrokken door de betere levensvoorwaarden in de vlakte rond de abdij van Sorèze, zodat Berniquaut ontvolkte. In een brief aan Trencavel klaagt de heer hierover en zegt dat hij zijn belastingen niet zal kunnen betalen met zo weinig inkomsten. De stichting van het castrum van Durfort (Castlar), al dan niet bij een reeds bestaande toren, is een politieke tegenzet van Trencavel om de controle over de sector en de belastinginkomsten niet totaal te verliezen aan de monniken van Sorèze.

Het nieuwe castrum van Durfort werd bevolkt met inwoners van het leegstromende Berniquaut, definitief verlaten rond 1200. Nog andere gehuchten (villae) uit de omgeving leverden volk zoals dat rond de kerk van Saint-Etienne, dat iets meer stroomopwaarts in de Sorvallei lag dan het huidige dorp en waarover de documenten vanaf 1255 zwijgen. Dat perceel bleef wel dienen als kerkhof tot in de 19de eeuw, maar de kerk zelf werd verplaatst naar het centrum van het huidige dorp, evenwel pas rond 1500.

Durfort

In deze valleien aan de rand van de Lauragais was de kathaarse activiteit vanaf het midden van de 12de eeuw zeer intens. Rocafort was langdurig één van hun centra waarvan bijna de volledige bevolking lange tijd bekeerd was tot het geloof van de bons hommes. Het zal, gezien de nauwe relaties, hetzelfde geweest zijn in Durfort en de documenten bevestigen dat. Tijdens de eerste kruistocht verplichtte Simon van Montfort de bewoners het castrum te verlaten en beneden in het gehucht zonder historische kern en militaire bescherming te gaan wonen zodat hij ze beter zou kunnen controleren. Na zijn verdwijnen keerden ze echter terug. Dit castrum lijkt niet echt geleden te hebben onder de gebeurtenissen van de kruistochten.

DurfortHet dorp beneden heeft inderdaad geen castrale of ecclesiale kern. Het kreeg pas na de middeleeuwen een kerk in het centrum. Het is  langzaam gegroeid rond de watermolens. Een machtige plaatselijke heer in deze periode was Jordan van Rocafort, heer van Montgey, Durfort en Rocafort. In 1220 verbleef hij in Durfort en beschermde openlijk de bons hommes en bonnes femmes die zich na de Occitaanse reconquista opnieuw in hun open huizen in de castra konden installeren.

Durfort verschijnt voortdurend in latere inquisitieverslagen met meldingen over katharen zoals Arnau Raimon Gauti, een ridder van Durfort, die bon homme werd en in 1244 te Montségur zou worden verbrand (Doat 25, f° 264b, verklaring van Peire Peytavi van Sorèze). Guilhem Pescay van Durfort nam te Sorèze deel aan een geheime vergadering van katharen onder leiding van Arnau Huc in 1217 (Doat 25, f° 178b, verklaring van Raimon Arquier Baussan).

Kathaarsgezinde medeheren van Durfort werden later wegens ketterij uit hun rechten gezet. Zo lezen we in een oorkonde uit 1252 dat Alfons van Poitiers, de laatste graaf van Toulouse, een deel van de rechten (1/3) op het leen van Durfort van een faidit aan de abt van Sorèze overdroeg (Doat 81, f° 286). Ook de heren van Rocafort kregen langdurig moeilijkheden met de Inquisitie.

Tevens was Durfort bekend voor zijn vele kathaarse agenten zoals Joan Bru en Durand Taixières, die vanuit Toulouse vluchtende katharen en hun gelovigen opvingen, en verder over de bosrijke en verlaten Montagne Noire naar Hautpoul of Pradelles en de kust begeleidden. Dat kon ook andersom voor uit ballingschap terugkerenden vanuit Noord-Italië. In de organisatie van de clandestiene kathaarse kerk waren deze agenten een eeuw lang onmisbaar.

In 1247 veranderde de politieke toestand drastisch wanneer Trencavel de Jonge al zijn rechten en domeinen overdroeg aan de Franse koning Lodewijk IX de Heilige. Een aantal castra werd manu militari ontvolkt en omgevormd tot kazernes met een koninklijk garnizoen. Dat was niet zo met Rocafort en Durfort waar de autochtone heren toelating kregen om te blijven, mits een eed van trouw aan de koning. Toch werd hun machtspositie langzaam ontmanteld door een overdracht van een gedeelte der rechten aan anderen.

In een tekst van 1274 (Doat 26, f°19) spreekt men wel reeds over het oude (vetus) castrum van Durfort, waar men een kathaar in een onbewoond huis verborg, en waarmee de getuige bijna zeker Castlar bedoelde. Dat wijst op een ontvolking in het voordeel van het huidige dorp, grotendeels te wijten aan de pre-industriële ontwikkeling van de molens. Deze worden inderdaad voor het eerst geattesteerd vanaf 1255 en nog meer vanaf 1280 (Departementaal Archief Tarn, Cartularium Abdij Sorèze, f° 189 en f° 190). Ze dienden voor het malen van graan en de productie van laken.

DurfortBeide gescheiden polen (het dorp en het castrum) bleven echter simultaan bestaan als habitat, zoals bevestigd door die akte uit 1357. Het castrum zorgde nog steeds voor veiligheid en bleef de symbolische machtszetel van de heer. Het evolueerde wel stilaan meer tot een kasteel met personeel en opslagplaats, en niet langer een klassiek castrumdorp. De blijvende bewoning van het castrum konden de archeologen bewijzen omdat de meeste artefacten uit de 14de eeuw dateren.

De bewoners vonden ook werk in de grote ijzermijn van Calel, op 2 kilometer afstand, aan de rand van die moderne reusachtige steengroeve. Men kon in de omgeving ook marmer en klei ontginnen. De bewoners waren polyvalent, ze moesten wel om de eindjes aan mekaar te kunnen knopen. Landbouw en veeteelt volstonden niet wegens de schaarse en de arme gronden.

In de loop van de 14de eeuw begint echter de zwanenzang van het castrum van Durfort, onder meer door de stichting van Revel, een bastide met veiligheid en fiscale voordelen die alle bergdorpen uit de buurt ontvolkte. Ook de textielverwerking in de molens van Durfort stortte in, waarna men overschakelde naar een meer gemechaniseerde metaalbewerking (vandaag koper met de beroemde martinets), echter minder arbeidsintensief. En dan zijn er nog de gesels van de pest en de Honderjarige Oorlog in die 14de eeuw.

We kunnen dus met enige voorzichtigheid besluiten dat het castrum van Durfort als habitat heeft gefungeerd van ongeveer 1100 (officiëel 1141) tot 1360, met een eerste periode als volwaardig castrum tot ongeveer 1270, en na de ontvolking een tweede periode, eerder als zetel van de heer. Rond die tijd zien we dat nog andere door de archeologen in het Centraal Massief onderzochte castra progressief worden verlaten, zoals Cabrières en Calberte, en ook Rocafort. Net zoals bij de stichting kan dergelijk plots verlaten een gevolg zijn van een politieke of zelfs kerkelijke beslissing. Om deze vele stellingen te toetsen is de inbreng van de archeologie meer dan noodzakelijk.

De archeologische campagne van 1976 tot 1992

DurfortDe werken begonnen reeds in 1976 en dat was een primeur voor deze regio. Men begon eerst met de donjon op het hoogste punt maar ontdekte op lagere terrassen steeds meer funderingen en andere elementen. Vanaf 1981 ging men dan in het castrum werken, zonder te weten wat dat was. Tijdens de campagne van 1989 tot 1991 kreeg het team eindelijk begrip van de totale organisatie van de site, na de ontdekking van de ommuring van het geheel met twee ingangspoorten en de droge grachten.

De ommuurde oppervlakte was ongeveer 3400m² groot. Het hele castrum kan men indelen in drie sectoren met op de hoogste plaats (415m) de donjon met voorhof en bijgebouwen, beschermd door een kunstmatige droge gracht aan de bergzijde. Aansluitend lag iets lager een groot terras met de oudste kern van huizen, en op een nog lager terras een latere uitbreiding. Buiten de grote ommuring stonden ook huizen.

Het castrum had geen kerk, net zoals Rocafort. De kathaarse gelovigen hadden hier geen nood aan en de katholieke vonden liturgisch soelaas in Saint-Etienne, Saint-Jammes of Sorèze. Dit kan echter ook te maken hebben met plaatsgebrek of de parochiale organisatie door het katholieke bisdom, dat versplintering wou vermijden.

De huizen in het castrum hadden een rechthoekig grondplan, hoewel de hoeken zelden precies 90° waren, beïnvloed door de topografie en urbanisatie. Ze waren blokvormig en van elkaar gescheiden. Overal waren er vele trappen, dikwijls in de rots uitgehakt, zowel binnenshuis als buiten. De mooie woningen waren vrij groot, zowat 50m², met twee verdiepingen. Ze waren van elkaar gescheiden door straatjes en gangen en hadden als het kon een koer op de zuidkant. Binnen was de ruimte verdeeld in kamers met scheidingswanden, te merken aan de smalle gleuven in de rots of gemetste stenen om de wand onderaan vast te zetten. In een inquisitieverslag uit 1232 spreekt men inderdaad van camera.

Voor de muren gebruikte men kalksteen en schist, beide gewonnen in de onmiddellijke omgeving, zoals tijdens de afvlakking van de bouwterrassen (zowel horizontaal als verticaal) of het uithollen van de diepe gracht. Funderingen zijn er amper of niet en nutteloos met de rots als solide ondergrond. De dragende muren zijn meestal 90 cm breed. Mortel werd vooral gebruikt bij de constructie van de donjon en de alles omringende muur. Deuropeningen zijn overal smal (75-80 cm) en hieruit kunnen we concluderen dat er in het castrum geen stallingen waren voor groter vee zoals koeien en paarden. De vensters zijn klein en smal zodat het binnen steeds halfduister was.

Durfort Durfort

De hellende daken waren afgedekt met dakpannen, van gele tot grijze kleur, of met schistplaten, voorzien van een bevestingsgaatje, die men vooral gebruikte aan de meest winderige kant. Opvallend is de zorg voor een goede afwatering en het feit dat men bij de bouw en afwerking rekening hield met de hevige en bijna altijd waaiende winden in deze vallei. Wie het volledige plan vergelijkt met dat van het castrum van Rocafort, wordt getroffen door de gelijkenis. Het is bijna een kopie.

Bijzonder te Durfort zijn de ondergrondse silo’s en zolders waarin graan en vruchten werden bewaard. Wellicht werden deze vooral gebouwd in de tweede periode. Men kan veronderstellen dat ze deel uitmaakten van een seigneurale of collectieve opslagplaats want men mocht zijn tienden betalen in natura. Eén van deze silo’s was nog steeds afgesloten met een dubbel stenen deksel. De afval op de bodem wijst echter op een gebruiksdesinteresse. De andere silo’s waren niet meer afgedekt en vol afval.

DurfortDe archeologen hebben trouwens ontdekt dat de site ingrijpend werd gereorganiseerd rond 1300. De grote huizen werden dan in twee of zelfs drie woningen verdeeld, een opmerkelijke reductie. Men woonde dus beduidend kleiner in de 14de eeuw en dat was overal zo door een algemene verarming en het snel verslechterende klimaat, ofwel dienden de huizen voor iets anders. Mede door deze veranderingen is een klassieke stratigrafie hier niet mogelijk.

Men heeft ook munten ontdekt waaronder één geslagen in Tours tijdens de regering van Filips II Augustus en door een expert gedateerd tussen 1192 en 1214.

In de laatste periode van het castrum verwoestte een brand een zolder die diende als opslagplaats voor voeding. Een ramp voor de middeleeuwer, maar een zegen voor de archeologen want de gecarboniseerde resten bleven bewaard en werden onderzocht. Zo weten we beter wat al dan niet op het menu stond. Dit blijkt gevariëerd geweest te zijn, met producten die door de handel soms van ver kwamen. Het geeft ook een beeld van de houtsoorten die men gebruikte voor de constructie.

Tot in de 18de eeuw bleef het reeds eeuwenlang verlaten castrum dienen als atelier en opslagplaats voor de landbouwers, al worden de gebouwen op de kaarten aangeduid als ruïnes. De omringende hellingen waren toen nog allemaal akkers of weiden maar zijn nu ingenomen door het woud.

Het titanenwerk van toparcheoloog Bernard (HADES) en Nelly Pousthomis, Frédéric Vidaillet en Sylvie Campech, geholpen door nog vele andere vrijwilligers, is voorbeeldig en verbluffend. Het heeft model gestaan voor alle gelijkaardige werken in andere castrale habitats van de Languedoc.

Durfort Durfort

Toestand vandaag (mei 2012)

De site is uiterst moeilijk bereikbaar, behalve voor berggeiten. Nergens vindt men een aanduiding, ook niet in het dorp, en terecht. Het castrum is geteisterd door erosie en overwoekerd door het groen, waardoor grote gedeelten niet meer zichtbaar zijn. Onder elke steen of rulle aarde loert het gevaar voor een (dodelijke) val. Zonder deskundige begeleiding van iemand die de site en de archeologie ervan door en door kent, en tevens een goede conditie, is een bezoek nutteloos en gevaarlijk.

Tekst en foto’s: Gerda Vancayzeele en Willy Vanderzeypen

Bibliografie:

F. Vidaillet en B. Pousthomis, ‘Une maison du castrum de Durfort (Tarn): le bâtiment 9’ in La Maison du castrum de la bordure meriodionale du Massif Centrale, Ed. Centre d’Archéologie Médiévale du Languedoc (dir. M.G. Colin), Carcassonne, 1996, p. 177-208;

B. Pousthomis en M.P. Ruas, ‘Le grenier de Durfort’ in Archéologie et vie quotidienne aux XIIIe et XIVe siècles en Midi-Pyrénées, Catalogue Expo, Toulouse 1990, p. 247-250;

B. Pousthomis, ‘Le castrum de Durfort (Tarn)’ in Actes de la 3e session d’histoire médiévale de Carcassonne 1990, Heresis nr. 2, p. 91-98;

M.P. Ruas, ‘Un grenier incendié au XIVe siècle dans le vollage perché “Le Castlar” à Durfort (Tarn): apports palethnographiques des semences carbonisées’ in Mémoire de l’EHESS, Parijs, 1989;

J.L. Biget, ‘Les siècles obscurs et le temps des Trencavel’ in Histoire de Castres, Mazamet et la Montagne (coll.), Toulouse, 1992;

P. Clement (dir.), Roquefort de la Montagne Noire, un castrum, une seigneurie, un lignage, Toulouse, 2009;

Y. Van Buyten en W. Vanderzeypen, ‘Het clandestiene kathaarse netwerk van Pradelles’ in Katharen in Europa, kruistochten en inquisitie, Castelnaudary, 2009, p. 138-143;

W. Vanderzeypen, ‘Het mysterieuze castrum van Roquefort’, in Katharisme, La Castagne-dag Leuven 2003, 1e Colloquium (monografie), p. 16-29.

Vorige | Overzicht | Volgende