Fontcaude (Hérault)

Vorige | Overzicht | Volgende

In het kleine gehucht Cazedarnes, op een zeventiental kilometer van Béziers en op de pelgrimsweg naar Santiago de Compostela, ligt de Romaanse abdij van Fontcaude die dankzij ingrijpende restauratiewerken een deel van zijn glans van weleer heeft teruggekregen.

Je komt in Cazedarnes via de D14 vanuit Béziers, richting Cazouls-lès-Béziers, en dan verder via de D134 die je tot bij de abdij brengt. Aan de rand van het dorp kan je de auto parkeren en na een wandeling van vijf minuten bereik je de ingang.

Fontcaude Fontcaude

Historische situering

De abdij van Fontcaude ligt in het ‘Pays de Saint-Chinian’, gekend voor zijn wijnen. Rondom Cazedarnes liggen heel wat wijngaarden die op de leem/kalkgrond zeer goed gedijen en een schitterende wijn afleveren.

De naam ‘Fontcaude’ is afgeleid van het Latijnse Fonscalidus en van het Occitaanse Font Cauda, wat ‘warme bron’ betekent. Het riviertje van Fontcaude, dat door het dorp loopt, vloeit richting Cazouls-lès-Béziers waar het uitkomt in de Orb. In oudheid markeerde dat riviertje de grens tussen het land van Béziers (Pagus Biterrensis) en het land van Narbonne (Pagus Narbonensis). In de vroeg-christelijke periode vormde het de grens tussen de diocesen Béziers en Narbonne. In 1318, bij het ontstaan van het bisdom Saint-Pons dat afhing van Narbonne, werd Fontcaude dus in feite aangehecht bij Narbonne. Het water van de bron van Fontcaude heeft een constante temperatuur van 14 graden, waardoor het komt dat dit damp afgeeft tijdens de wintermaanden, vandaar dus de naam "warme bron".

De abdij van Fontcaude ligt in het centrum van een driehoek, gevormd door de bisschopssteden Narbonne (26 km), Béziers (17 km) en Saint-Pons-de-Thomières (30 km). Reeds in de oudheid werd dit gebied doorkruist door belangrijke wegen, waardoor de abdij niet echt geïsoleerd lag. De belangrijke Romeinse Via Domitia was ook niet veraf. Het is dus niet verwonderlijk dat op de abdijsite munten van Agrippina en Nero uit de Romeinse tijd werden gevonden.

De eerste religieuzen die zich in de loop van de 12de eeuw in Fontcaude kwamen vestigen waren kanunniken van de Priorij van Sainte-Marie de Valcrose in het bisdom Maguelone. Valcrose zelf werd gesticht in 1120. Al gauw kon de priorij rekenen op de bescherming van graaf Guilhem VII van Montpellier. Later verleenden nog andere adellijke families hun steun aan de stichting, zoals de heren van Clermont-sur-Lauquet, de heren van Durfort-Termenès en Bernat van Roquefort in de Montagne Noire.

Op 14 september 1154 nam de kleine groep stichters, o.l.v. prior Guilhem de Nant, de terreinen met alle aanhorigheden officieel in ontvangst. In 1164 wordt de kerk van Sainte-Marie de Fontcaude ingewijd en in 1168 wordt Pèire de Minerve kanunnik, in 1178 opgevolgd door Berenger de Nissan. In 1180 komt de religieuze stichting onder de jurisdictie en de regel van de Orde van de Premonstratenzen en wordt ze officieel een abdij. Bernard van Fontcaude wordt de eerste abt.

Fontcaude Fontcaude

Bernard van Fontcaude en zijn strijd tegen de waldenzen

De stichting van de abdij van Fontcaude situeert zich dus in dezelfde periode als de opkomst van katharen en waldenzen. De abdij van Fontcaude zal vooral een rol spelen in de strijd tegen de waldenzen. In 1173 begint de rijke koopman Pierre Valdès de armoede te prediken en al gauw verzamelt hij een schare volgelingen rond zich. Die ‘waldenzen’ worden vanaf 1184 beschouwd als schismatieken en vanaf 1185 als ketters.

Het is vooral abt Bernard van Fontcaude die zich, met steun van bisschop Bernard Gaucelin van Béziers, heftig verzet tegen de prediking van de waldenzen. In 1189 was hij in Béziers aanwezig bij een debat, georganiseerd door bisschop Gaucelin, waarbij de waldenzen beschuldigd werden van ketterij aan de hand van argumenten die bij de kerkvaders werden gehaald. Bernard van Fontcaude schreef vervolgens zijn bekend traktaat ‘Tegen de Waldenzen en de Arianen’ om de gelovigen en de bedienaars van de rooms-katholieke eredienst te wijzen op de vele gevaren en de schandalen die deze ketters verspreidden.

Fontcaude Fontcaude

De ondergang van de abdij

De abdij van Fontcaude volgde dus de regel van Norbertus van Xanten en ontving in 1164 privileges van de aartsbisschop van Narbonne en in 1193 van de burggraven van Béziers. Verder genoot ze van 1164 tot 1166 de persoonlijke bescherming van paus Alexander III.

De bezittingen van Fontcaude waren echter nooit zeer omvangrijk, het domein was een soort herenboerderij, gericht op landbouw (wijnbouw) en veeteelt. De abdij bezat een eigen oliepers en enkele schuren op het grondgebied van Lussau en Casalviel. In 1204 stichtten religieuzen uit Fontcaude ook nog de abdij van Notre Dame d'Huveaune nabij Marseille en het vrouwenklooster van Las Tres Founts, waar echter niets meer van rest.

De crisis rond de katharen heeft blijkbaar Fontcaude niet geraakt, maar de abdij raakte wel betrokken bij de godsdienstoorlogen tussen katholieken en protestanten, wat tussen 1560 en 1570 fataal zou aflopen met de plundering van de abdij. De abt en de kanunniken werden opgepakt en in Puisserguier gevangen gezet.

In de 17de en 18de eeuw kende de abdij een kleine opflakkering maar het aantal religieuzen verminderde gestadig. Tijdens de Franse Revolutie werd ze als publiek bezit verkocht aan een steenkapper uit Vieussan die heel veel heeft afgebroken en verkocht. In 1969 kocht de Association des Amis de Fontcaude de site en begon met de restauratiewerken waarvan het resultaat nu te zien is.

Fontcaude Fontcaude

Bezoek aan de site

De abdij van Fontcaude ligt midden in de dorpskern van Cazedarnes. Blikvanger is de grote voorgevel van de abdijkerk die grondig werd gerestaureerd. Via een open koer kom je bij het onthaal waar je een ticket kunt kopen en waar ook een kleine boetiek met wijnen en streekproducten is gevestigd.

De Romaanse abdijkerk met twee apsissen en enkele mooie glasramen is zeer mooi gerestaureerd. Iets lager naast de kerk ligt de privékapel van de abt, die eveneens knap gerestaureerd is. Via het onthaal kan je naar de kloostertuin, van het klooster zelf rest nog slechts één boog met kapitelen. Je ziet er ook de resten van de muur van de kapittelzaal met grote vensters.

Verder is er nog een klein zaaltje met tentoongestelde kapitelen, perkamenten en religieuze voorwerpen. Je ziet ook de resten van de oude klokkengieterij en de oliepers. Bij de terugkeer kan je, via een klein poortje, de buitenkant van de abdijkerk bekijken.

Tijdens het zomerseizoen worden in de abdijkerk van Fontcaude concerten van Gregoriaanse muziek gehouden.

Reken voor een bezoek ongeveer drie kwartier tot een uur. In Cazedarnes zijn geen drank- of eetgelegenheden.

Tekst en foto's: Michel Gybels

Vorige | Overzicht | Volgende