Carcassonne (Aude)

Vorige | Overzicht | Volgende

Carcassonne is vlot bereikbaar via de route nationale 113 die Narbonne met Toulouse verbindt of langs de autosnelweg A 61 (autoroute des deux mers - uitrit ‘Carcassonne - la Cité’).

Het is een indrukwekkend beeld als je plots de machtige muren van de vesting ziet opduiken. De weg leidt naar de Porte Narbonnaise waar grote parkeerterreinen zijn aangelegd en je (tegen betaling) de wagen kwijt kan. De stad inrijden mag niet tenzij je in een van de hotels logeert.

Carcassonne

Wandel rustig naar de Porte Narbonnaise en neem de tijd om alle indrukken goed te laten bezinken. Je staat nu voor de Cité, de bovenstad. Op de andere oever van de Aude ligt de benedenstad, la Bastide Saint-Louis, het bestuurlijk en commercieel centrum van het moderne Carcassonne. Ook de benedenstad moet je zeker bezoeken, want in tegenstelling tot wat je zou verwachten, dateert het ‘moderne’ Carcassonne ook uit de middeleeuwen, uit de tweede helft van de 13de eeuw, de tijd van Lodewijk de Heilige. De stad is gebouwd in het typische geometrische ‘bastide’-patroon, kenmerkend voor die periode, en was tot in de 19de eeuw ommuurd. Maar terug naar de Cité waarvan we in het kort de geschiedenis gaan overlopen. En waar kunnen we dat beter doen dan aan de voet van de indrukwekkende muren?

De geschiedenis

De heuvel waarop de stad ligt, zo'n 150 meter hoog, was gedurende eeuwen een belangrijke strategische plaats die de vallei van de Aude en de verbindingsweg tussen Narbonne en Toulouse bewaakte.

CarcassonneOm wat meer te weten te komen over de oorsprong van de stad zou je eigenlijk terug in de wagen moeten stappen en de autosnelweg oprijden. Tussen de twee uitritten van Carcassonne ligt een parkeerplaats op een heuvel vanwaar je een schitterend uitzicht op de vesting hebt (volg de wegwijzers naar Aire de repos du Belvédère de la Cité).

Op die plaats lag Carsac, een van de belangrijkste handelsplaatsen in zuidelijk Gallië. In de 6de eeuw voor Christus verhuisde de nederzetting naar haar huidige locatie die ongetwijfeld makkelijker verdedigbaar was.

De Romeinen bouwden ze uit tot een volwaardige versterkte plaats die de provincie Narbonne moest verdedigen (de colonia Julia Carcaso). Mozaïeken en andere overblijfselen werden opgegraven op de binnenkoer van het grafelijk kasteel. Uit deze periode dateert ook de eerste stenen omwalling. De latere muren zullen in grote lijnen hetzelfde tracé blijven volgen.

In de 5de eeuw werden de Romeinen verjaagd door de Visigoten die er de hoofdstad van hun provincie Septimanië van maakten. Op hun beurt werden zij in de 8ste eeuw door Clovis verdreven. De Saracenen veroverden de stad en bleven er een jaar of dertig tot zij door de legers van Pepijn de Korte over de Pyreneeën werden gejaagd. De stad behoorde dan tot het Frankische Keizerrijk en was een leengoed van Karel de Grote.

Daardoor ontstond later het verhaal van dame Carcas, een populaire legende over het ontstaan van de stadsnaam:

CarcassonneKarel de Grote belegerde Carcassonne al 5 jaar zonder resultaat. De enige mogelijkheid om de stad in te nemen was de verdere uithongering van de bewoners. Dame Carcas, de aanvoerster van het garnizoen, werkte een list uit. Een varken werd vetgemest met het laatste graan dat nog in de vesting te vinden was en vervolgens over de muren gekieperd. De belegeraars waren zo onder de indruk van de grote weelde die nog in de stad bleek te heersen, dat ze prompt de belegering staakten en de benen namen. Daarop liet dame Carcas in triomf op de trompetten en bazuinen blazen (“Carcas sonne”).

Hoewel Karel de Grote Carcassonne nooit belegerd heeft, is dame Carcas uitgegroeid tot het symbool van de stad. Haar niet erg flatterend borstbeeld staat op een voetstuk voor de Porte Narbonnaise.

Toen het keizerrijk uit mekaar viel, bleef de stad onder het bevel van haar graven en later van haar burggraven, afstammelingen van de grafelijke familie van Barcelona.

Onder deze burggraven (de families Daton en Trencavel) kreeg Carcassonne stilaan het uitzicht van de versterkte stad die we nu kennen. Zij begonnen ook met de bouw van de burcht.

Na de kruistocht tegen de Albigenzen viel de stad definitief in handen van de Franse koning, Lodewijk de Heilige, die de vesting nog aanzienlijk liet uitbouwen. De tegen de muren aangebouwde woonwijken Bourg en Castellar werden gesloopt (de bewoners mochten zich later aan de overzijde van de Aude in de nieuwe bastide vestigen). Uit die tijd dateert ook de tweede omwalling.

CarcassonneDe werken werden onder Lodewijk’s zoon, Filips de Stoute, en later ook onder Filips de Schone, verdergezet. Om de grens tegen Aragon te verdedigen werd een indrukwekkend strategisch defensiesysteem opgezet waarvan Carcassonne het centrum vormde, bijgestaan door haar ‘vijf zonen’. Zo werden de Corbiéres-burchten van Termes, Peyrepertuse, Quéribus, Aguilar en Puilaurens genoemd.

Maar zoals de meeste middeleeuwse vestingen, verloor Carcassonne in de zeventiende eeuw veel van haar militair belang door de introductie van vuurwapens waar de oude versterkingen niet op berekend waren. Bovendien werd in 1659 het Verdrag van de Pyreneeën gesloten waardoor de Roussillon voorgoed bij Frankrijk werd gevoegd. Carcassonne, dat nu op 60 kilometer van de grens lag, was in één klap haar strategische functie kwijt, het openbare leven verplaatste zich naar de comfortabelere benedenstad en de Cité begon stilaan te vervallen. De daken verdwenen of lekten, de muren raakten in verval. Tussen de twee omwallingen werden tegen de muren huisjes gebouwd, zonder enige vorm van comfort, waarin minderbegoeden woonden in erbarmelijke omstandigheden. Kortom, de Cité was allesbehalve een aangename plaats om te vertoeven.

CarcassonneToch duurde het nog tot november 1804 voor de stad van de ‘lijst der oorlogsplaatsen’ werd geschrapt. Die maatregel betekende eigenlijk de definitieve doodsteek want bouwondernemers lagen al op de loer en de jacht op materiaal voor nieuwe woningen haalde Carcassonne steen voor steen leeg...

In 1835 verscheen Prosper Mérimée op het toneel. Hij was inspecteur-generaal van historische monumenten en verwees naar het groot historisch belang van de stad in zijn ‘Notities over een reis in het zuiden van Frankrijk’.

Ook de jonge secretaris-generaal van de plaatselijke Commissie voor Kunst en Wetenschappen, Jean-Pierre Cros-Mayrevieille, vocht hard voor het behoud van de St.-Nazairekathedraal en de versterkingen. In 1839 ontdekte hij het graf van bisschop Radulphe onder bergen zand in een zijkapel.

Het jaar daarop werd hij benoemd tot inspecteur van historische monumenten en boekte hij zijn eerste succes: de kathedraal werd definitief geklasseerd als monument.

In 1844 werd Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc met de restauratie belast. Hij was beroemd geworden met de restauratie van bekende monumenten, zoals de Notre-Dame in Parijs, en zijn rapport gaf voor de Commissie voor Monumentenzorg uiteindelijk de de doorslag. Na zijn dood, in 1879, werden de werken verder gezet onder de leiding van zijn vriend Boeswillwald en de architect Nodet, en bij het begin van de 20ste eeuw was de restauratie grotendeels voltooid.

Hoewel de kwaliteit soms betwist wordt, hij zou te ‘didactisch’ en te weinig ‘historisch’ hebben gewerkt, is het dus aan Viollet-le-Duc te danken dat dit unieke monument voor het nageslacht bewaard werd. Enkele van de schoonheidsfoutjes die hij daarbij gemaakt heeft, en het gaat hier echt over details, werden bij recentere restauratiewerken, en die zijn voortdurend aan de gang in Carcassonne, discreet gecorrigeerd. Je kan stellen dat grosso-modo 80% van de Cité authentiek is. Minder dan 20% is reconstructie.

Zo, na ons uitstapje door de geschiedenis wordt het nu tijd om, over de houten ophaalbrug en onder de indrukwekkende valhekkens, de Porte Narbonnaise door te stappen en de grootste middeleeuwse vesting van Europa te betreden.

Carcassonne

Bezoek aan de Cité

De mooie Porte Narbonnaise was en is nog steeds de belangrijkste toegangspoort tot de stad, de enige trouwens die men met paard en wagen kon passeren.

CarcassonneDe verdedigingswerken zijn indrukwekkend. De doorgang van de buitenste ringmuur bestaat uit een ophaalbrug die overdekt en versterkt is. Rechts van de brug ligt een barbacane, een vooruitgeschoven halfronde verdedigingspost.

Als het een indringer toch zou gelukt zijn daar voorbij te komen, dan moest hij de binnenste ringmuur en de eigenlijke Porte Narbonnaise nog voorbij. Tussen beide torens hangen twee zware valhekkens die onafhankelijk van mekaar konden neergelaten worden. Als ze opgehaald waren werd de weg afgesloten door een zware ketting.

De torens zelf zijn niet rond maar lopen aan de voorzijde in een punt uit. De bedoeling daarvan was om eventuele projectielen te doen afwijken. Dergelijke ‘defensieve architectuur’ vind je in Carcassonne nog veel terug.

De Porte Narbonnaise en de ernaast gelegen Tour du Tréseau hadden hun eigen voorraadkelder, waterput, keukens en alle voorzieningen die voor de huisvesting van een garnizoen nodig waren. Ze werden gebouwd onder Filips de Stoute en stonden er nog niet ten tijde van de Trencavels in de ‘kathaarse’ periode.

Als je door de poort wandelt kom je in de rue Cros-Mayrevieille, die rechtstreeks uitgeeft op de burcht. In één van de torens van de poort is tijdens het toeristisch seizoen een kantoor van de toeristische dienst gevestigd en gewoonlijk loopt er ook een tentoonstelling.

CarcassonneVooraleer de vesting wat gedetailleerder te bekijken, zouden we aanraden een wandelingetje door de Cité te maken om de sfeer wat op te snuiven. Tijdens de zomermaanden heerst er een gezellige drukte, Carcassonne is een van de drukst bezochte toeristische trekpleisters in Frankrijk.

De smalle middeleeuwse straatjes zijn afgeboord met  restaurantjes, winkeltjes en terrasjes, geanimeerd door straatzangers, de verre nazaten van de middeleeuwse joglars.

Souvenirwinkeltjes waar je plastieken zwaarden, kartonnen Cité's en meer van dat fraais te koop vindt zijn uiteraard goed vertegenwoordigd.

Maar wat opvalt is dat, alhoewel de Cité een beschermd monument is, het toch geen dode stad is. Ze telt zo'n 100 vaste bewoners en je kan er ook zelf logeren als je dat wil, er zijn drie hotels en een jeugdherberg.

Bewoners en hotelgasten mogen met de wagen de Cité inrijden, maar wel onder strikte voorwaarden. De middeleeuwse straatjes zijn immers niet voorzien op intensief autoverkeer. Vandaar het wat uit de toon vallend verkeerslicht bij de Porte Narbonnaise. Het moet het sporadische autoverkeer regelen in de rue Cros-Mayrevieille. Het tweede exemplaar hangt op de Place du Château.

Carcassonne  Carcassonne 

Als je in de Cité wil blijven eten zal je onder de talrijke restaurants zeker je gading vinden. Er zijn er in alle prijsklassen. Een typisch streekgerecht is de cassoulet. Het is een stoofschotel met als voornaamste ingrediënten witte bonen, varkensvlees, knoflookworst en ganzenvet. Het gerecht wordt gloeiend heet opgediend in een aarden pot, recht uit de oven op tafel. Bovendien beweert men in Carcassonne de ‘echte’ cassoulet te serveren, maar dat zegt men ook in Castelnaudary, Chalabre en Narbonne. Er bestaan wel kleine verschillen in het recept tussen al deze plaatsen. Zo wordt in Carcassonne meestal schapenbout of patrijs toegevoegd.

CarcassonneAls je van pittige zuiderse wijntjes houdt zit je helemaal op rozen. Carcassonne ligt als het ware op het snijpunt van de wijngebieden Minervois, Corbières, Cabardès, Malepère en Limoux. Maar waarom de plaatselijke landwijn eens niet proberen? Je vind hem onder de benaming Côteaux de la Cité de Carcassonne.

Wat je zeker moet doen is een wandeling maken over les lices, de ruimte tussen de beide omwallingen. Laat ons starten aan de Porte Narbonnaise en naar het noorden wandelen. Je komt eerst bij de indrukwekkende Tour du Tréseau die samen met de Porte Narbonnaise moest instaan voor de verdediging van de belangrijkste toegang tot de stad. De binnenste ringmuur tussen de Tour du Tréseau en de burcht vormt meteen het oudste gedeelte van de vesting. Hij dateert uit de Gallo-Romeinse tijd (4de en 5de eeuw) en bepaalde delen zijn zelfs nog ouder (1ste en 2de eeuw).

CarcassonneDe torens zijn op zo'n 25 meter van elkaar gebouwd, een afstand die men met pijl en boog gemakkelijk kon overbruggen, en ze hebben vrijwel platte daken. Je herkent ze ook aan het strepenpatroon in het bouwwerk, kleine rechthoekige bouwstenen afgewisseld met baksteen.

Boven die typische Gallo-Romeinse patronen bemerk je een andere bouwstijl met grotere rechthoekige stenen. Die dateert uit de 11de en 12de eeuw, toen de Occitaanse heren muur en torens lieten verhogen. Ook de kantelen op de omwalling stammen uit die periode.

CarcassonneMaar er is nog een andere merkwaardigheid. Als je naar de onderzijde van de torens kijkt zie je ook daar een andere bouwstijl. Nog ouder soms? Nee, hoe vreemd het ook lijkt, de funderingen dateren uit de 13de en de 14de eeuw. Hoe kan dat? Onder Lodewijk IX (Lodewijk de Heilige) begon men met de bouw van de tweede ringmuur. Bij deze gelegenheid werd de ruimte tussen beide muren genivelleerd. Men moest daarvoor een stuk van de heuvel afgraven onder de oude omwalling en deze in feite van een nieuwe fundering voorzien, een gevaarlijke onderneming. Dat het niet altijd goed afliep kan je nog zien aan de Tour du Vieulas. De stutbalken hebben het hier begeven en de ganse toren is naar voren gekanteld. Het bovenste gedeelte, dat weer recht staat, is een reconstructie van Viollet-le-Duc.

Bij één van de gallo-romeinse torens, de Tour de Samson, zie je een stukje muur dat van de omwalling wegloopt. Het is een overblijfsel van de versterkingen van de Bourg, één van de ommuurde woonwijken die tegen de cité waren aangebouwd ten tijde van de burggraven Trencavel en op bevel van Lodewijk de Heilige gesloopt werden.

Laat ons nu even de buitenste ringmuur bekijken. Veel torens aan de kant van de stad zijn open. Tekort aan bouwmateriaal? Zeker niet! De buitenste muur vormde een eerste verdedigingsgordel, maar kon qua versterking niet op tegen de binnenste muur die de Cité zelf beschermde. Bij een verovering van de buitenste wal waren er twee mogelijkheden. Als men zwaar versterkte torens bouwde kon een garnizoen zich daar nog lang na de verovering handhaven en de vijand, wanneer die de stad zelf wilde bestormen, in de rug bestoken. Maar het kon ook anders uitdraaien. Als de belegeraars de hele muur in handen kregen konden zij zich in de vestingswerken verschansen. Om zo'n situatie te vermijden liet men de achterzijde van sommige torens open.

We naderen nu stilaan de grafelijke burcht die we even van naderbij gaan bekijken. Door een klein poortje kom je in de (droge) slotgracht. Via de Place St.-Jean en de Rue Adélaide-de-Toulouse bereik je de Place du Grand Puits. De Grand Puits is, zoals zijn naam zegt, de grootste waterput in de cité. Hij is meer dan 30 m diep, wat aanleiding heeft gegeven tot het gerucht dat hij bodemloos zou zijn. Volgens de legende zou de beruchte schat van de Visigoten in deze put liggen. Via de Rue Viollet-le-Duc bereik je de Place du Château en de ingang van de burcht. En weer zie je indrukwekkende verdedigingswerken. De vijand die de beide muren overwonnen had stond uiteindelijk nog voor een derde versterking die niet voor de beide andere moest onderdoen.

Carcassonne  Carcassonne 

Een halfcirkelvormige barbacane beschermt de eigenlijke ingang. Let op de torens en muren aan de rechterzijde waar hourds op zijn aangebracht, uitgebouwde houten constructies die het mogelijk maakten projectielen loodrecht op de aanvallers te laten vallen. Je ziet ook dat sommige torens aan de onderzijde breder uitlopen, op die manier werden de projectielen die vanuit de hourds naar beneden vielen, afgeketst en in de richting van de vijand gelanceerd.

Het oudste deel van de burcht dateert uit de periode van de Trencavels maar het gebouw werd later nog aanzienlijk vergroot. Zo dateert de eigenlijke omwalling uit een latere periode. De rechthoekige Tour Pinte, ook tour de guet of uitkijktoren genoemd, is de hoogste van de Cité. Er zijn twee binnenkoeren, de zuidkoer en de erekoer, waar fundamenten van een Gallo-Romeinse villa werden opgegraven.

In de burcht is een archeologisch museum ondergebracht met vooral steenfragmenten, beeldhouwwerk, sarcofagen, enz. Ondanks de vrij hoge toegangsprijs is een bezoek zeer de moeite waard. Niet alleen omwille van het museum maar ook omdat in de prijs een geleid bezoek over een deel van de binnenste ringmuur is begrepen. Op de buitenste muur kan je op de meeste plaatsen vrij rondlopen, maar de binnenste blijft grotendeels verboden terrein als je niet door een gids wordt vergezeld.

Het geleid bezoek vertrekt in de burcht en loopt tot aan de Tour St.-Nazaire bij het theater. Het is een uitermate interessante rondleiding die een goed inzicht geeft in de verdediging van de Cité. Op een aangename en dikwijls amusante manier krijg je meer en meer medelijden met de arme vijand die de domheid beging Carcassonne te willen belegeren. Hellingen en bochten in de toegangswegen om de aanvallers te dwingen voortdurend hun onbeschermde zijde naar de vesting te keren, gaten waar men allerlei grote ricocherende projectielen door kon lanceren, een quasi eindeloos aantal trappen voorzien van de nodige valkuilen, draaitrappen die voortdurend van draairichting veranderen, het kan echt niet op. Je begrijpt meteen waarom deze muur niet toegankelijk is zonder gids...

Carcassonne

Ondertussen bezoek je het interessantste gedeelte van de westelijke omwalling. Je ziet de overblijfselen van een versterkte doorgang die van de burcht naar de waterbevoorrading aan de Aude leidde. De doorgang werd in het begin van de vorige eeuw gedeeltelijk gesloopt toen men beneden de St.-Gimerkerk bouwde. Je loopt door de ronde Tour de la Justice voorbij de Porte d'Aude waar je via een trap de Cité kan verlaten.

Verder bezoek je nog de lugubere Tour de l'Inquisition, zoals zijn naam zegt zetel van de inquisitierechtbank en de vierkante Tour carrée de l'Eveque. De lices zijn hier zo smal dat de toren op de twee omwallingen werd gebouwd en zo de doorgang kon afsluiten. Hij behoorde toe aan de bisschop en was een beetje comfortabeler ingericht dan de rest van de vesting.

Na het bezoek ben je vlakbij het theater dat werd gebouwd op de plaats van een oud 14de-eeuws klooster, verwoest tijdens de Franse Revolutie, en dat over een merkwaardige akoestiek beschikt.

Carcassonne  Carcassonne 

CarcassonneNaast het theater ligt de St.-Nazairebasiliek. Vroeger, toen de bisschopszetel er nog was gevestigd, heette de kerk St.-Nazaire en St.-Celse kathedraal. De grondvesten werden in 1096 door paus Urbanus II gewijd, maar van dat gebouw blijft enkel nog de middenbeuk over. Koor en zijbeuken dateren uit het einde van de 13de, begin 14de eeuw.

De ronduit schitterende glasramen die onmiddellijk alle aandacht opeisen als je binnenkomt en die tot de mooiste van Zuid-Frankrijk behoren, zijn uit dezelfde periode.

In de rechterzijbeuk zie je tegen de muur een steen met opvallende inscripties: het kruis van de Languedoc afgewisseld met een leeuw. De leeuw is het wapenschild van de familie Montfort en waarschijnlijk is dit de grafsteen, of althans een deel ervan, van Simon de Montfort, na zijn dood tijdens de belegering van Toulouse in St.-Nazaire begraven. Later werden zijn stoffelijke resten door zijn zoon, Amaury de Montfort, overgebracht naar Monfort-l'Amaury in de buurt van Parijs.

CarcassonneVlakbij die grafsteen vind je tegen de muur ook de pierre du siége, of de ‘steen van het beleg’. Dit steenfragment werd opgevist uit de Aude en toont de belegering van een stad. Vermoedelijk gaat het om de aanval van de kruisvaarders tegen Toulouse en ook deze steen zou van het grafmonument van Montfort afkomstig kunnen zijn, al is dat verre van zeker.

Verder biedt de basiliek nog een aantal interressante beelden en enkele mooie zijkapellen, zoals de grafkapellen van de bisschoppen Pierre Rodier en Pierre de Rochefort, beiden uit de 14de eeuw.

Vlakbij de kerk ligt de Porte St.-Nazaire, de derde stadspoort, die dateert uit de tijd van Filips de Stoute. Via deze poort kom je terug op les lices (die hier opnieuw een stuk breder zijn) om zo de wandeling verder te zetten in de richting van de Porte Narbonnaise.

CarcassonneWaar de muren naar het noorden draaien staat de machtige Tour de la Vade, bijna helemaal los van de buitenomwalling. Ook deze toren was een vesting op zich en kon volledig onafhankelijk functioneren. Bedoeling was om van hieruit de vijand in de rug te bestoken als die een bres in de buitenste muur zou geslagen hebben. De toren staat op de plaats waar een tweede versterkte woonwijk, Castellar, tegen de omwalling was aangebouwd.

Als je terugkomt bij de Porte Narbonnaise heb je de hele omtrek van de Cité afgelegd. De muren zijn samen zo'n 3km lang (1.672m voor de buitenste, 1.287m voor de binnenste) en er zijn in totaal een vijftigtal torens en barbacanes. Als je de geleide wandeling over de binnenvesting hebt gevolgd, dan heeft de gids je zeker verteld hoeveel trappen je in de benen hebt en dat zijn er zeer veel: het wordt hoog tijd om een terrasje op te zoeken.

Voor de echte ‘geschiedenisfreaks’ kunnen we nog melden dat er ook uitgebreidere en meer persoonlijke bezoeken mogelijk zijn, onder leiding van een gids van de Caisse Nationale des Monuments Historiques. Inlichtingen vind je ter plaatse of op www.monuments-nationaux.fr/

Ben je toevallig op 14 juli (de Franse nationale feestdag) in de buurt dan kan je het embrasement meemaken. De Cité wordt dan verlicht door honderden vuurpotten en er wordt een groots vuurwerk afgestoken. Een feeëriek schouwspel!

Carcassonne - plan

De benedenstad

Via de Porte Narbonnaise of de Porte d'Aude kan je de bovenstad verlaten en langs de rue Trivalle naar de Pont Vieux wandelen. In die rue Trivalle zijn er twee mooie gevels te zien. Op nummer 125 het Maison de Montmorency uit de Renaissance en op nummer 64 het Hôtel Pelletier-du-Chaux uit de 16de eeuw. De Pont Vieux vormde tot in de 19de eeuw de enige verbinding tussen boven- en benedenstad. Ze dateert uit de 14de eeuw en kwam in de plaats van een oudere brug. Aan de overzijde ligt de benedenstad, ook Bastide Saint-Louis genoemd.

Carcassonne is prefectuur van het departement Aude en telt zo'n 42.000 inwoners. Het is een belangrijk centrum voor de wijnhandel en er zijn fabrieken voor landbouwmachines, auto-onderdelen, synthetisch rubber, confectiekleding, schoenen, voeding en chemische producten.

Voorbij het congrespaleis zie je aan de Boulevard Pelletan één van de vier bastions (Bastion Montmorency) uit de 16de eeuw. Het valt onmiddellijk op dat de stad als bastide is gebouwd. Het stratenpatroon is regelmatig en geometrisch met in het midden de Place Carnot (met een prachtige marmeren Neptunus-fontein uit de 18de eeuw).

De Saint-Michelkathedraal dateert uit de 13de eeuw en nam in 1803 de kathedraalfunctie over van de Saint-Nazairebasiliek in de cité. Ook deze kerk werd door Viollet-le-Duc gerestaureerd.

Voor de liefhebbers is er in de rue Verdun een interessant museum voor Schone Kunsten. De collectie omvat schilderijen uit de 17de en de 18de eeuw (vooral Vlaamse en Hollandse meesters), maar er is ook een moderne afdeling en een zaal met werken van kunstenaars uit de streek.

Tekst: Marc Bogaerts
Foto's: Michel Gybels en Marc Bogaerts
Bronnen:
- Carcassonne, la cité, A. Leconte editeur, Paris, 1989.
- Viollet-le-Duc, La cité de Carcassonne et guide du visiteur, Albert Morancé, Paris, 1939.
- Jean Girou, Carcassonne, sa cité, sa couronne, J. Rey, Grenoble, 1928.
- Jean Guillaume et Daniel Fabre (dir.), Histoire de Carcassonne, Privat, Toulouse, 2001.
- Jean-Pierre Panouillé, Carcassonne, le temps des sièges, Presses du CNRS, Paris, 1992.
- Carsac et les origines de Carcassonne, Musée des Beaux Arts, Carcassonne, 1989.

Top

De geheimen van de Cité

De tweeënvijftig torens, de dubbele wallen, de kathedraal en het grafelijk kasteel van de cité van Carcassonne kan iedereen zien en vele gedeelten daarvan bezoeken. Toch is niet alles van dat unieke bouwkundige geheel opengesteld voor het publiek. Vele tuinen, bronnen, waterputten, gangen en ondergrondse ruimten blijven verborgen en zijn zelfs bijna vergeten. De Cité heeft nog vele geheimen.

Nog steeds worden in en rond de cité nieuwe ontdekkingen gedaan, zoals in juni 2008 door archeologe Marie-Elise Gardel. Tijdens opgravingen vond zij de oude westelijke toegangsweg die leidde naar de poort van de Aude, in de middeleeuwen de poort van Toulouse genaamd. Daarachter lag de gevreesde gevangenis van de Inquisitie, le Mur, die als dusdanig werd gebruikt tot in 1414. Een gedeelte daarvan was toen nog niet geïntegreerd in het geheel van de Cité en stond op meer landelijke percelen. Bij de dood van de laatste dominicaan in 1703 werden die percelen verkocht en tijdens de restauratiewerken geïntegreerd.

Carcassonne
Sluipport in de noordelijke buitenwal.
(richting Montagne Noire)
Carcassonne
Sluippoort met defensief trappensysteem in de binnenste wal,
naast de grotere poort van Rodez.

Wat lager aan die westelijke zijde van de Cité ligt de kerk van Saint-Gimer, die pas werd gebouwd in 1850, bovenop de resten van de middeleeuwse barbacane van de Aude.

Wat verder, in de rue de la Porte d’ Aude, kan men een oude rode poort vinden die een trap verbergt, afdalend naar een kleine zaal vol met oude sculpturen, kopieën en afgietsels. Ze hebben hun plaats in de zaal van steensculpturen in het grafelijk kasteel nog niet gevonden.

Aan de historicus Jean-Pierre Cros-Mayrevieille is het te danken dat de middeleeuwse cité nog bestaat want in zijn tijd werd ze gebruikt als een reusachtige steengroeve en het scheelde niet veel of de Cité was voor altijd verdwenen, op karren en per ton verkocht. Zijn buste staat op de binnenplaats van het kasteel, bovenop een maquette in brons en reliëf van de Cité zoals die er uitzag in de 19de eeuw en waarop een attente kijker een ondergrondse galerij kan ontwaren.

Onder de brug naar het kasteel en uitkomend in de droge gracht werd een grote opening naar een ondergrondse ruimte in 1954 dichtgemetst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten de Duitse bezetters die om hun voertuigen te parkeren.

Een andere galerij begint aan de toren van Saint-Sernin, die in feite het enige restant is van een kerk die tijdens de Revolutie werd afgebroken. Daaronder ligt een zaal van12 m² met een prachtig gewelf.

De toren van Trauquet valt niet op omdat hij lager blijft dan de wallen. Het gebouw gaf vroeger toegang tot een ondergrondse ruimte die onder de lices doorloopt en uitkomt in de gracht, aan de voet van de toren van la Peyre. Ze leid naar een waterput die nog steeds wordt gevoed.

Achter het restaurant La Barbacane bevindt zich een sluippoortje in de eerste omwalling. De toren van Four-Saint-Nazaire is niet van Visigotische makelij, zoals dikwijls wordt beweerd, maar wel Gallo-Romeins. Vooraleer de Cité Frans werd, waren de heren van Cabaret verantwoordelijk voor de bewaking van dit gedeelte. Ook andere Occitaanse heren uit het burggraafschap van Trencavel stonden in voor het bewaken van torens en stukken van de walmuren. Vanaf 1229 werden ze vervangen door de soldaten van de koninklijke seneschalk.

Tegenover deze toren woonde de inquisiteur. Op het hoogtepunt van de Inquisitie waren bijna alle torens gevuld met gevangenen. In de Justitietoren, vroeger de Inquisietoren, werden vanaf het einde van de 13de eeuw tot in 1793 alle archieven van de Inquisitie verzameld.

Nog andere delen dateren uit de antieke periode van de Cité. Achter de door een hekken afgesloten zone tussen de toren van Tréseau (= trésor) en de toren van de Connétable staat nog steeds een gedeelte van de Gallo-Romeinse wal, op deze plaats korter bij het centrum dan de muur van Filips III.

De toren van Moulin-d’Avar, aan de noordzijde van de Romeinse wal en in de buurt van de poort van Rodez, met daarin een sluippoort, is door de meeste toeristen amper of niet gekend. Nog andere torens vallen hier te ontdekken zoals die van la Vade, 25 meter hoog. Hij werd eeuwenlang bewaakt door de ‘Compagnie van de Heilige Geest’, 220 elitesoldaten van de Franse koning. Ze oefenden zich door het schieten naar een houten papegaai op een draaitol. Elke Pinksterzondag hielden ze een toernooi en dit gebruik bleef tot in 1790 in voege. Op dat ogenblik waren ze nog steeds met 110 soldaten, ook al had de Cité geen militair strategisch belang meer nadat de grens met Spanje naar het zuiden werd verlegd tijdens het Verdrag der Pyreneeën (1659). Bij het uitbreken van de Franse Revolutie woonden er nog steeds 2000 burgers in de Cité, vandaag minder dan 100.

Carcassonne
De bron aan de westzijde van de Cité, onderaan de buitenste muur,
op een honderdtal meter van de poort van de Aude (of Toulouse).
Door het gat kan men een van de citernen zien. Deze bron
bevoorraadde de wijk die werd afgebroken in 1250 en nu door
de archeologen wordt herontdekt.

De bezoeker die door de smalle straatjes dwaalt, ziet zelden de vele tuintjes achter de woningen, de 22 waterputten en de 4 citernes. Dat grote aantal was bedoeld om watergebrek te voorkomen bij een lange belegering. Het doet de stelling dat burggraaf Trencavel zich in 1209 overgaf omwille van watergebrek wankelen. De Grote Put, de oudste, is liefst 40 meter diep en heeft een diameter van 3,6 meter. Er hangen vele legenden rond, men noemt hem ook wel eens de Feeënput. Een andere reusachtige put bevindt zich op het hoogste punt van de cité, le Plô, waar vroeger graanwindmolens stonden.

De twee bronnen van het rotsplateau waarop de Cité staat zijn goed verborgen. Foun Celado loopt nog steeds in een citerne achter een kleine opening in de muur van de poort van de Aude. Foun Grande lag op een wijndomein en was een verzamelplaats voor geliefden (chemin des Anglais).

Mits een goede gids kan men wel eens de toren van de basiliek beklimmen en genieten van het ongelofelijke panorama. De kantelen werden aangebracht tijdens de restauratie door Viollet-le-Duc. In feite is deze klokkentoren de 53ste toren van de Cité. Aan de ene zijde ziet men de grote tuin en het zwembad van het prestigieuze Hotel de la Cité en aan de andere kant het theater op de plaats van het vroegere bisschoppelijk paleis dat in 1793 werd afgebroken. Alleen een toren blijft er nog van over, met aan de bovenkant een duivenhok en daaronder een kerker. Niet alleen de Inquisitie mocht gevangenen laten martelen, ook de bisschop had dat recht en er zijn getuigenissen die het hebben over de kreten van pijn die uit de lage zaal van het bisschoppelijk paleis opstegen. Vrouwen werden niet gemarteld. Die verbrandde men levend of men vergat ze. Dat martelen gebeurde niet alleen tijdens de kathaarse periode maar ook tijdens de godsdienstoorlogen uit de 16de eeuw, toen men hier de protestanten opsloot. Op verscheidene plaatsen zijn nog graffiti zichtbaar.

Nog steeds op de klokkentoren vertoevend, zien we de watergoten die eindigen in waterspuwers met afzichtelijke monsterkoppen om de boze geesten af te schrikken en hier en daar vindt men de hoofden van burgers die met veel precisie werden gesculpteerd.

Binnen in de basiliek kan men de mooiste glasramen van Zuid-Frankrijk bewonderen. Tot in 1803 was Saint-Nazaire-et-Sainte-Celse een kathedraal. Het bouwwerk is een subtiele vermenging van romaanse en gotische stijlelementen. Het eerste gebouw werd gewijd in 1056 maar de verdere ontwikkeling is vooral het werk geweest van bisschop Radulphus, vanaf 1259. De preromaanse crypte uit de 9de eeuw en de gotische grafkapel zijn nog steeds niet voor het publiek geopend.

Carcassonne
Sluippoort in de binnenwal,
aan de voet van het grafelijk kasteel.
Carcassonne
De poort van Rodez. Het is duidelijk te zien dat deze ooit
groter was en lager kwam, zonder trap.

In het grafelijk kasteel wordt de zuidkoer gedomineerd door de toren Pinte, de hoogste toren van de Cité. Daartegenover, onder de toren van Degré en op de erekoer stond vroeger een olm, symbool van de Occitaanse adel. Men kan daar afdalen naar de apsis van de 12de-eeuwse kapel Sainte-Marie, die tegen het paleis stond van burggraaf Bernat Aton Trencavel. Daar ligt een schitterende Romeinse mozaïek in twee kleuren uit de eerste eeuw voor Christus. Hij werd ontdekt in 1926 en in 1974 gerestaureerd.

In het verlengde van de mozaïek en de kapel ligt een merkwaardige zaal, uitgegraven in de lagen tijdens verschillende perioden. Het was ooit een oude kazerne en gevangenis. Hier vond François Guillonet in 2000 tijdens opgravingen een ander gedeelte van het oude kasteel.

En er werden ook echte schatten gevonden in de Cité, waarmee we dan muntstukken bedoelen. In 1923 werden er twee ontdekt en de data op de muntstukken wijzen erop dat die verborgen werden door Trencavel of rijke ridders of burgers net voor de overgave van de Cité aan de Franse belegeraars. Een andere geldschat vond men in 1975 in de toren van de Major. In de buurt daarvan heeft men veertien graven gevonden met daarin de skeletten van kinderen die allen zeer jong waren overleden maar waarvan duidelijk was dat ze tot de adel behoorden. Misschien zijn het de slachtoffertjes van een epidemie tijdens de belegering in 1209 en is dat de ware reden waarom Trencavel ging onderhandelen over een overgave.

Op de eerste verdieping werd in 1961 een museum van steensculpturen ingericht. Prachtig is het fresco van een cavaleriegevecht dat dateert uit het het einde van de 12de eeuw en toevallig werd ontdekt onder een kalklaag in 1926 en vervolgens gerestaureerd.

Tekst en foto's: Willy Vanderzeypen.
We danken de gidsen Jean-Louis Gasc et Sébastien Durand. Men kan over hun uitzonderlijke expertise beschikken door te bellen naar: 04 68 11 75 87 of zich te richten tot het Office de Tourisme van Carcassonne: www.carcassonne-tourisme.com

Vorige | Overzicht | Volgende