Cabrespine (Aude)

Vorige | Overzicht | Volgende

CabrespineDe ruïnes van het castrum van Cabrespine liggen hoog boven het gelijknamige dorp in de vallei van de Clamoux op de zuidelijke uitlopers van de Montagne Noire. De archeologische campagne is er nog maar pas begonnen, al heeft onder meer Marie-Elise Gardel reeds vooronderzoek verricht. Zij maakt er ons attent op dat Cabrespine eeuwenlang op een militaire verdedigingslijn van meerdere castra lag, tussen dat van Citou en Cabarets.

Cabrespine is vlot bereikbaar. Volg vanuit Carcassonne de D620 tot Villeneuve-Minervois en vervolgens de D112 tot Cabrespine. Om het castrum te bereiken moet je een smal stijgend paadje door het bos volgen dat uitkomt op een van de terrassen onderaan de site. Dan volgt er een steile helling met losse rolkeien en scherpe rotsscherven waar je overheen moet klauteren om het plateau te bereiken. Een valpartij kan hier zeer ernstige gevolgen hebben. Een bezoek is dus gevaarlijk en eerder af te raden, ongeschikt als familie-uitstap.

Gouffre de CabrespineWil je een mooi algemeen overzicht van de site, rij dan met de wagen naar de Gouffre de Cabrespine, een enorme grot die je kan bezoeken (de moeite waard!). Parkeer de wagen op de parking bij het onthaalcentrum en volg een goed begaanbaar pad langs de bergflank. Na 150 meter zie je in de verte het castrum van Cabrespine liggen boven de indrukwekkende vallei van de Clamoux. Neem best een verrekijker mee.

Historische situering

Cabrespine (Caput Spina) wordt voor de eerste keer in de bronnen vernoemd in een akte uit het jaar 812, waaruit blijkt dat het eigendom was van de abdij van Lagrasse. De abt van Lagrasse liet op deze strategische plaats later een versterking bouwen om de handelsroute van Castres naar Carcassonne via de vallei van de Clamoux, waarlangs kostbaar zout en ijzererts werden vervoerd, te beschermen tegen struikrovers en bandieten en tol te innen. Lagrasse inde immers een deel van de belastingen op dat vervoer, wat aanzienlijk bijdroeg tot de rijkdom van de abdij. Tevens waren er de inkomsten van de ontginning van ijzerertsmijnen en de lakenindustrie.

Uit de eerder schaars overgeleverde documenten met betrekking tot Cabrespine blijkt dat een eerste versterking gebouwd werd in de eerste helft van de 11de eeuw (oorkonde uit 1035), die door de abten van Lagrasse in leen werd gegeven aan de adellijke familie Desplou. Deze familie heeft het castrum van Cabrespine lange tijd beheerd en uitgebreid.

Cabrespine Cabrespine

Tijdens de eerste periode van de kruistochten (1209-1218) werd de site ingenomen door de troepen van Simon de Montfort, nadat ze eerst het nabijgelegen Cabarets (Lastours) hadden belegerd. De abt van Lagrasse protesteerde bij de paus tegen deze onrechtmatige inbezitname en kreeg uiteindelijk in 1215 Cabrespine terug van Montfort.

In 1240 werd het castrum van Cabrespine bezet door enkele ridders faydits die sympathiseerden met de katharen. Er werd een militair garnizoen van een dertigtal manschappen gelegerd, dat hevig strijd leverde tegen de Franse overheersers. Het is evenwel niet duidelijk wat er van die faydits is geworden. Wellicht staat dit in verband met de laatste opstand van Raimon Trencavel.

Cabrespine Cabrespine

In de inquisitieverslagen van die periode wordt Cabrespine bij mijn weten slechts tweemaal vermeld als een plaats waar katharen zich hadden verscholen. Er is dan sprake over de bons hommes Pèire Flassian en Mancip del Bosc, die aan de inquisiteurs verklaarden dat ze in Cabrespine een tijd lang onderdak hadden gekregen.

Wanneer het castrum precies ontvolkte in het voordeel van het benedendorp, zal het archeologisch onderzoek moeten uitwijzen. In 1584 werd het tijdelijk ingenomen door de protestanten. Tot de Franse Revolutie behield de abdij van Lagrasse alle rechten op het leen van Cabrespine.

De archeologische site

CabrespineZoals gezegd is de site moeilijk bereikbaar. Wat opvalt zijn de vele terrassen die onderaan de burcht op de zuidelijk gerichte bergflank zijn aangelegd. Op de hoogste twee terrassen, net onder het plateau met het kasteel, zie je resten van woningen. Het castrum loopt langs de rotskam over die twee terrassen, en veel muren werden uit de rots gehakt, wat klassiek is op een sterk hellend en rotsachtig bouwterrein. Bovenop het plateau zie je resten van verscheidene grotere gebouwen en aan het andere einde van de rotskam de funderingen van wat hoogstwaarschijnlijk een wachttoren was. Vanop die strategische plaats heb je immers een goed uitzicht over de ganse vallei van de Clamoux.

De resten van de burcht, bereikbaar via een brede stenen trap, bestaan uit een hoog stuk muur van de donjon in gemetste steen en een binnenhof met een waterciterne. Verder is er nog een stuk van de omwalling met enkele schietgaten te zien. Het hoogste plateau waarop de burcht staat is langs drie zijden op natuurlijke wijze beschermd door diepe ravijnen.

Op de site hebben de archeologen het meeste groen verwijderd en zie je ook al duidelijk sporen van opgravingen. Vanop het hoogste punt heb je een schitterend uitzicht op het hart van de Montagne Noire, met de Pic de Nore als hoogste punt, het dorp Cabrespine en de vallei van de Clamoux.

Tekst en foto's: Michel Gybels
Bron: Mondelinge uitleg door historicus Charles Peytavie tijdens een bezoek aan Cabrespine en de vallei van de Clamoux met de Association d'Etudes Cathares/René Nelli.

Vorige | Overzicht | Volgende