Albières (Aude)

Vorige | Overzicht | Volgende

AlbièresHet middeleeuwse kasteel van Albières (12de eeuw) is een van de zeldzame burchten in de Aude die centraal in een dorp gelegen zijn. (Andere voorbeelden zijn Quillan en Villerouge-Termenès.) De ruïne ligt aan de oostelijke kant van het gelijknamige dorp en is langs drie kanten beschermd door een helling en dicht struikgewas.

Aangezien het kasteel in privébezit is kan het niet bezocht worden. Ik kreeg van de eigenaars uitzonderlijk de toelating om enkele foto's van de binnenkant te maken. Maar daar zijn geen overblijfselen van structuren of bouwsels uit de middeleeuwen meer zichtbaar. Door de huidige eigenaars werden er tegen de walmuren stallingen, hokken voor pluimvee en allerlei koterij gebouwd, waardoor ook de middeleeuwse graffiti jammer genoeg niet meer te zien zijn.

De bezoeker kan dus enkel nog maar een deel van de imposante ommuring, die nog goed bewaard is, bekijken. Het dorp Albières is makkelijk bereikbaar via de D613 die je vanuit Couiza 17 kilometer lang volgt, waarbij je eerst Arques passeert. In het dorp zie je de burcht oprijzen boven de huizen. Enkele jaren geleden kon je nog rond de burcht lopen via een moeilijk begaanbaar pad, maar inmiddels is dat niet meer mogelijk (afgesloten met prikkeldraad).

Albieres Albieres

Historische situering

De eerste akte van leenhulde dateert uit 1131, waarbij een zekere Amiel d'Auriac een eed van trouw zweert aan de aartsbisschop van Narbonne voor zijn bezittingen in Albières en Auriac. Daardoor weten we dat Albières toebehoorde aan de machtige familie van het nabijgelegen Auriac, die op haar beurt verwant was aan de adellijke familie van Termes. Wat de geschiedenis van Auriac betreft verwijs ik graag naar mijn bijdrage over die site elders in deze rubriek.

Het kasteel van Albières controleerde in de middeleeuwen de route vanaf de brug over de Orbieu (thans het gehucht Pont d'Orbieu aan de splitsing naar Auriac) via de Col du Paradis die de Narbonnais met de Razès verbond.

Oorspronkelijk was de toegang tot de burcht in het zuid-oosten gelegen, waar zich een grote poort van ruim drie meter hoogte bevond ten opzichte van het huidig grondoppervlak. Hiervan rest niets meer.

De omwalling, die in het oosten, zuiden en westen goed bewaard is gebleven, heeft muren die een dikte bereiken van 1,40 tot 1,60 meter. In die omwalling zijn nog zeven schietgaten te zien.

Albieres Albieres

Aan de binnenkant van de burcht rest er niets meer uit de middeleeuwse periode, op de contouren van een groot gotisch venster na, dat overwoekerd is door klimop en struikgewas. Voor de rest zie je op de oude binnenkoer alleen maar recente bouwsels zoals hokken voor dieren en resten van stallingen.

Zoals reeds gezegd is het kasteel niet toegankelijk omdat het in privébezit is. Aangezien er drie grote waakhonden vrij op het terrein rondlopen, is het raadzaam weg te blijven van de metalen toegangspoort om problemen te vermijden...

Tekst en foto's: Michel Gybels
Bron: René Quehen & Dominique Dieltiens, Les châteaux cathares et les autres, Montesquieu Volvestre, 1983.

Top

Het castrum van Albières

Situering en context van inplanting

Het castrum van Albières ligt ten zuid-oosten van Carcassonne. We zijn in de Hoge Corbières en het departement van de Aude (coördinaten Lambert III: X = 611,600; Y = 3071,950; Z = 510 m).

Albières - kaart

Het architecturale geheel lag op een berg van harde gres, natuurlijk beschermd door steile hellingen langs drie zijden, en tussen twee beken: rec du Riol en rec du Carla. Het castrum beheerste de kruising van twee belangrijke wegen. De ene verbond de Fenouillèdes met de Razès (via de col van Freseno, het gehucht van La Grave en Auriac). De andere ging van Narbonne naar Arques en Couiza (via Mouthoumet). Nog andere kleinere valleien met secundaire wegen komen samen in de buurt van het zeer strategisch gelegen castrum.

Ondanks de ontmanteling van de middeleeuwse gebouwen tijdens de Franse revolutie en de verwaarlozing nadien, zijn er nog steeds interessante sporen van deze specifieke habitat in landelijke zones uit de 12de en 13de eeuw. Vooral na definitieve installatie van Bernat Aton Trencavel in Carcassonne rond 1125, liet hij overal in zijn enorm feodaal domein nieuwe castra inplanten. De burggraaf wees de bouw en het bestuur hiervan toe aan zijn trouwgebleven of nieuwe ridders, na meerdere opstanden en een daaropvolgende pacificatie. De volledig stenen castra, - met verschillende types naargelang de streek, het terrein, de bouwmaterialen en behoeften van de bevolking -, waren dus merendeels het resultaat van een doordachte politieke planning. Men kan veronderstellen dat de zeer rijke Trencavels zorgden voor de financiering van deze grote en langdurige werken, die in één ruk werden uitgevoerd door gespecialiseerde bouwgildes.

Onmiddellijk werden deze nieuwe castra bevolkt en kleine polen van macht, maar tevens hoofdelementen in de ruimtelijke organisatievorm van landelijke gebieden. Bovendien zorgde het systeem voor extra veiligheid van de bewoners in het castrum en uit de omgeving. Er was dus een rechtstreeks verband met de woelige situatie in de 12de eeuw en de strijd om de macht tussen grote heren. In deze zone waren de concurrenten voor de burggraven van Carcassonne vooral de aartsbisschop van Narbonne, de graven van Barcelona, de abdij van Lagrasse en misschien wel ook de ambitieuze heren van Termes. Trencavel lonkte ook naar de controle over nabije zilvermijnen in de Corbières (Palairac) voor het slaan van munten.

Uiteraard speelden ook economische factoren mee want het initiatief moest snel geld opbrengen uit allerlei belastingen, tol, mijnontginning, bosontginning, veeteelt en landbouw. Indien het project economisch niet renderend was, werd het wel eens na korte tijd verlaten. Dat is duidelijk niet het geval geweest in Albières waar de inplanting een succes was. Het zou zonder veel transformatie gedurende liefst 500 jaar functioneren!

De archeologische campagne van 1997/98

De ontdekking van het castrum is te danken aan een oude dorpsvrouw, Ima Biscant, die in het begin van de 20ste eeuw bij de ouders van Marcel Floutié kwam werken en over oude muurresten en dakpannen praatte. Deze archeoloog ontmoette Marie-Elise Gardel in Lastours en zo ontstond het idee voor opgravingen te Albières.

In het huidige Albières is deze ruimtelijke ordening na acht eeuwen nog steeds zichtbaar. Enkele gedeelten van de grote muur, gemaakt van plaatselijke gressteen, zijn goed bewaard. Daarom werd de plaats in 1998 het onderzoeksterrein van een grondige archeologische campagne onder leiding van Marie-Elise Gardel, met Marcel Floutié en Fernand Loppe als haar belangrijkste medeonderzoekers. In 1997 ontdeden zij de site van het vele groen dat echter de laatste jaren terugkeerde en observaties bemoeilijkt. Hun team realiseerde het jaar daarop een plan van de site, een studie van het historische en architecturale geheel, de lokalisatie van de steengroeven, een schatting van de bouwmaterialen voor de realisatie van de muur, opgravingen in het castrale dorp (in een hoek van de middeleeuwse muren en dus niet in ‘het kasteel’) en architecturale opmetingen.

Albières - castrum

Het ommuurde terrein, vierkantig met afgeronde hoeken, was 5300 m² groot, waarvan 1/5 in een latere fase werd ingenomen door een extra versterkt seigneuraal gedeelte, wat men vandaag “het kasteel” noemt. Deze subzone werd aan de binnenkant van het castrum gescheiden van het huizengedeelte door een droge gracht die het van de rest van het plateau isoleerde, en waarvan de uitgraving tevens zorgde voor bouwstenen.

De archeologen hebben kunnen bepalen dat dit ‘kasteel’ pas in de 13de eeuw werd geïntegreerd in het castrum, waarbij de bouwers een gedeelte van de oudere muur hergebruikten. Dat kan men merken aan een hernemingsspleet en de meer bewerkte vorm en andere afmetingen van de stenen. Bijna zeker werd dit uitgevoerd in opdracht van de Fransen. De droge gracht is dan waarschijnlijk een bescherming van het ‘kasteel’ tegen de eigen bevolking, zoals in het Château Comtal in Carcassonne.

De oudste kerk (Saint-Martin) stond waarschijnlijk op de plaats van het oude kerkhof, maar werd verplaatst in de 17de eeuw, ver buiten het dorp. En zo spreekt men daar over de twee kerken van Albières. Gezien de oorspronkelijke inplanting is het niet uitgesloten dat het castrum van de 12de eeuw een voorgeschiedenis heeft gehad, namelijk als dat van een kleiner ecclesiaal castrum, met dertig passen rond de kerk. De bronnen zeggen er echter weinig over en dan kan alleen de archeologie ons antwoorden geven.

De westmuur, waar de natuurlijke verdediging het zwakste is, was 9 meter hoog. Aan de drie andere zijden, beschermd door de hellingen was dat 6 meter. Bovenop stond wellicht over de ganse lengte een houten overhellende rondgang (hourd), om de basis van de muren te kunnen verdedigen, met een dak ter bescherming tegen pijlen en projectielen.

Voor de totale constructie van deze primitieve muur hadden de bouwers 620 m³ zand en 145 ton kalk nodig. Dat hebben de archeologen kunnen bepalen en berekenen na het nemen en analyseren van stalen mortel uit een muurgedeelte dat dateert uit de 12de eeuw. Zand en steenslag werden gewonnen in een nabij riviertje, de rec del Riol, afgezet door het trager stromend water, waarvoor men in de bedding kunstmatige dammen met enorme rotsblokken maakte. Een speciale weg, die nog steeds bestaat, werd aangelegd naar de werf. In de bergen rond Albières vond men voldoende kalksteen en hout om ter plaatse te branden in meerdere kalkovens die maandenlang onophoudelijk moeten hebben gewerkt om die hoeveelheid te produceren. De plaats hebben de archeologen niet precies kunnen bepalen, al wordt in 1676 in een document gesproken over La coumo del four (DAA, 73C6), niet zover van de Riol, op een kilometer van het castrum. Tevens werd in die buurt het water van een bron opgevangen en afgeleid, het zou het castrum en het dorp eeuwenlang van vers water voorzien.

De nieuwe geschiedenis

Opnieuw zien we het Latijnse woord albus (Occitaans: albas) of ‘wit‘ verschijnen zoals bij het castrum van Albedun of de cité van Albi. In de middeleeuwen noemde men het Alberiis.

De historiek van dit castrum is alleszins verbonden met de eerdere inplanting van de heerlijkheid van Auriac, die in de documenten verschijnt vanaf 1028. Voordien was de bewoning in de vallei verspreid, met minstens twee villae (gehuchten), namelijk Saint-Just en Saint-Pancrasse. Gezien de oude namen was het eerste wellicht een stichting van de aartsbisschop van Narbonne en het andere nog ouder uit de Romeinse periode. Voor deze gehuchten werd het nieuwe castrum van Albières vanaf het begin van de 12de eeuw een eigen centrum, ermee verbonden door nog steeds bestaande wegen.

De documenten bevestigen ons dat de heren van Auriac dat ook waren van Albières. Hoewel vazallen van de aartsbischop van Narbonne, gaven zij leenhulde aan Trencavel vanaf 1131 (Departementaal Archief Aude, ms. G22).

Tijdens de doortocht van het kruisleger van Simon van Montfort na de val van Termes (1210) keek hij wellicht naar een uit schrik door de bevolking verlaten castrum.

Gedurende de militaire operatie van de koninklijke seneschalk Jean van Beaumont in 1240, is het mogelijk dat hij het castrum heeft ingenomen als vergelding voor de steun van de heren of bevolking aan Trencavel de Jonge tijdens diens laatste opstand, maar zeker is dat niet.

In 1252 schonk de abdij van Fontfroide aan de aartsbisschop van Narbonne een huis in castro de Alberijs, dat voordien toebehoorde aan Amelius (Amiel) de Auriaco (DAA-G22). Het lijkt te wijzen op een systematische onteigening van de autochtone heren van Auriac in het voordeel van Narbonne.

In 1397 gaan alle erkenningen van Albières naar deze aartsbisschop, die in 1448 nog steeds als enige bezitter van Auriac en Albières wordt geattesteerd: dominus Narbone archiepiscopis fuit et est dominus solus et in solida a loci et castris de Auriaco et de Albières. In een oorkonde uit 1521 omschrijft men de prelaat nog altijd als seigneur avec toute jurisdiction et exercice d’icelle au lieu d’Albières, maar de term ‘castrum’ wordt dan niet meer gebruikt. In 1648 wordt de aartsbisschop voor het laatst als heer vernoemd (Mahul, Cartulaire et archives…, vol. 3, p. 369). In 1669 is Jean-Pierre d’Hautpoul de nieuwe heer van Albières.

Rond die tijd kent de Languedoc een demografische opstoot en gaat men huizen bouwen buiten de ommuurde oppervlakte van het castrum, nadat de heer hiervoor zijn toelating had gegeven. Zo ontstaat het nieuwe dorp op het plateau in westelijke richting, met een urbanisatie volgens het principe van de bastides.

Na de drastische wijziging van de staatsgrenzen tussen Frankrijk en Spanje ligt Albières niet meer in een grensgebied en verliest zo totaal zijn militaire functie. De gracht rond het seigneurale gedeelte wordt gedempt. In 1713 beschouwen de kaartenmakers Blottière en Roussel het ‘kasteel’ niet langer als verdedigbaar.

Volgens R. Hyvert zou het ‘kasteel’ tot in de 19de eeuw nog vrij intact zijn gebleven maar rond 1900 gaat de eigenaar het hof vergroten en vernietigt hij de ophaalbrug met de bijhorende toren waarvan de muren het dikste waren (1,8 m).

Albières - graffitiHet archeologische onderzoek van 1998 en de daaropvolgende studies hebben de geschiedschrijving van Albières grondig veranderd. Zo dachten Quehen en Dieltiens in 1980 nog dat het ‘kasteel’ dateerde uit de 15de of 16de eeuw, en dat was er enkele eeuwen naast. Ze zeggen trouwens niets over de castrale muur.

Tot slot vermeld ik nog de graffiti op 5 boogstenen van de kleine poort. De initialen werden meestal aangebracht door de steenhouwer, die betaald werd per gerealiseerde bouwsteen. Gezien het personage met mijter en andere kerkelijke symbolen lijken deze motieven te verwijzen naar de langste bezitter van Albières, en dat was de aartsbisschop van Narbonne.

Gerda Vancayzeele
(met dank aan Marie-Elise Gardel, Marcel Floutié, Luc De Vos en mijn echtgenoot Willy)

Bibliografie

M.E. Gardel en M. Floutié, ‘Le castrum d’Albières, étude préliminaire’, in Bulletin SESA, vol. 97, 1997, p. 65-72. On-line: www.lefamm.com/doc/castrum.pdf (opgelet, de later uitgevoerde opgravingen en rapporten hebben aangetoond dat een aantal observaties en veronderstellingen van deze voorstudie moesten worden herzien).

F. Loppe, ‘Inventaire des sites fortifiés médiévaux et modernes du canton de Mouthoumet’, Univ. Toulouse Le Mirail, Année Universitaire 1998-99, vol. 1, p. 63-88.

F. Loppe, ‘Chemin de ronde et hourds: quelques exemples de défenses sommitales en Hautes Corbières’, in Archéologie du Midi Médiéval, vol. 18, p. 99-120.

P. Bascou, ‘La vie à Albières à la fin du XVIIe siècle’, in Bulletin SESA, vol. 94, 1994, p. 137-152.

M. Floutié, ‘L’évolution de l’habitat à Albières à partir du XVIIe siècle’, in Bulletin SESA, vol. 99, 1999.

M.C. Bailly-Maître (M.C.) en M.E. Gardel, La pierre le métal, l’eau et le bois: économie castrale en territoire audois (Xie-XIVe siècles), SESA, 2007.

Attente observatie (F) on-line: chateau.over-blog.net/article-2570604.html

Vorige | Overzicht | Volgende