Montaillou (Ariège)

Vorige | Overzicht | Volgende

De site van Montaillou, gelegen in het Pays de Sault, is vooral bekend geworden door het boek “Montaillou- een ketters dorp in de Pyreneeën” van Emmanuel Le Roy Ladurie, dat een echte wereldbestseller werd. Het boek is in hoofdzaak gebaseerd op de verslagen van inquisiteur Jacques Fournier, die zowat de ganse bevolking van dit dorp grondig aan de tand heeft gevoeld over hun kathaarse sympathieën.

MontaillouInmiddels hebben in Montaillou enkele colloquia rond het katharisme in de regio plaatsgevonden, het laatste in 2004.

Vanaf 1998 kwam ook het archeologisch onderzoek op gang, waarbij heel wat uniek materiaal werd gevonden en waarbij de site tegelijk op een ernstige manier in kaart werd gebracht.

Het onderzoek is thans in handen van David Maso en Jean-Paul Cazès en dankzij onze goede contacten hebben we inzage gekregen in hun onderzoeksrapporten met heel wat interessante informatie.

De ruïne van het kasteel van Montaillou ligt op een heuvel boven het actuele dorp op een hoogte van 1354 meter. De versterking controleerde de weg die het Pays de Sault verbond met de Sabartès via de cols van Sept Frères en Marmare, alsook de weg die het Pays d'Olmes met de Donnezan verbond via Comus, de col van Balaguès en Pailhères. Kortom, een belangrijke burcht die van groot strategisch belang was. Naast het kasteel, waarvan nog maar erg weinig rest, ligt een groot plateau dat overeenstemt met de oppervlakte van de oude binnenplaats van het kasteel, beschermd door een omwalling waarvan nog enkele resten zichtbaar zijn. Het geheel is omringd door een brede droge gracht. Aan de oostelijke kant van de site bevinden zich nog tal van resten van oude woningen, duidelijk gebouwd onder de bescherming van de burcht.

Door een gebrek aan archiefstukken over de bouw van het kasteel, kan de site slechts fragmentarisch in de geschiedenis geduid worden.

Overzicht van de historische gegevens

De naam Montaillou legt een directe link naar de machtige feodale familie Alion, die in de geschiedenis goed gedocumenteerd is vanaf de 12e eeuw. Men mag er dan ook van uitgaan dat Montaillou in het bezit was van deze belangrijke heren, ook al wordt dit niet expliciet bevestigd in de archiefstukken uit de 12de eeuw. Vanaf de 13de eeuw was de familie betrokken bij een ingewikkeld politiek spel tussen de graven van Foix en de koningen van Aragon, een spel dat nog ingewikkelder werd door de ontketening van de Albigenzische kruistocht. Alhoewel de familie Alion die militaire kwestie vooral op diplomatiek vlak probeerde uit te spelen en ze zich tenminste tweemaal onderwierp aan de kruisvaarders en de katholieke kerk, was ze zeker ook de beschermer van de kathaarse gelovigen en hun geestelijken op hun grondgebied. In 1236 werd de band met de verboden kathaarse kerk nog verstevigd door het huwelijk tussen Bernat d'Alion en Esclarmonde, zuster van de graaf van Foix, Roger-Bernat II, die openlijk een grote sympathie koesterde voor de kathaarse zaak en die op zijn sterfbed in 1302 zelfs werd geconsoleerd door Pèire Autier. Het land van Aillou werd een basis en een toevluchtsoord voor vele katharen en hun beschermers, zeker na de val van Montségur in 1244. Van hieruit lag bovendien ook de vluchtweg open over de Pyreneeën naar Spanje, waar een groot deel van de bevolking van Montaillou in het begin van de 14de eeuw gebruik van zou maken.

Montaillou Montaillou

Bernat d'Alion heeft zijn steun aan de katharen echter zwaar moeten bekopen. In 1257 werd hij samen met zijn neef Bertran de Sauto gearresteerd op last van koning Jaume I van Aragon, naar Perpignan overgebracht en daar door de Inquisitie veroordeeld tot de brandstapel. Bij het Verdrag van Corbeil kwam het Pays d'Aillou bij het graafschap Foix. In 1272 wordt het castrum van Montaillou in een akte vermeld bij de bezittingen van de graven van Foix. In 1311 doet Bernat d'Usson definitief afstand van zijn rechten op de kastelen van Usson, Prades en Montaillou, ten gunste van Gaston I van Foix, en hij ontvangt daarvoor een rente van 100 pond. De familie Alion installeert zich vervolgens in de Roussillon, onder de bescherming van de koningen van Mallorca en Aragon.

In dezelfde periode barst in Montaillou de Inquisitie los onder Geoffroy d'Ablis en later Jacques Fournier, waarbij nagenoeg de ganse bevolking van het bergdorp wordt gearresteerd en overgebracht naar Carcassonne voor ondervraging, met de gekende gevolgen. Degenen die konden ontsnappen vluchtten de bergen over richting Spanje, de fameuze exil des pauvres, om daar te trachten een nieuw bestaan op te bouwen. In de 14de en 15de eeuw speelde de burcht van Montaillou nog een belangrijke rol bij de bescherming van de grenzen van het graafschap Foix.

De archeologische prospectie

Het moderne archeologisch onderzoek in Montaillou kwam pas op gang in 1998 met het werk van de equipe van David Maso en Jean-Paul Cazès. De oudste vermelding van een archeologische vondst dateert uit 1933, wanneer de toenmalige burgemeester Pierre Clergue besloot een weg aan te leggen langs de oostkant van de site tot aan de donjon van de burcht. Bij de opruiming van een groot rotsblok werd toen een menselijk skelet gevonden dat dateerde uit de middeleeuwen. Ook elders werden, kriskras verspreid over de site, beenderen van menselijke oorsprong gevonden. Aangezien er in de archiefstukken nergens sprake is van een of andere necropool, wordt ervan uitgegaan dat het de resten zijn van mensen die tijdens de strijd zijn omgekomen en daar gewoon zijn achtergelaten of een noodbegrafenis kregen. Recent uitgevoerde peilingen op het terrein hebben geen nieuwe menselijke resten meer opgeleverd.

Het eerste “onderzoek” op de site dateert van 1940 toen enkele jongeren uit het dorp benieuwd waren wat er zou te vinden zijn in de donjon. Eén van die ooggetuigen vertelde in 1998 aan de archeologen dat er destijds nog resten te zien waren van een trap en dat er ook een skelet werd aangetroffen dat ze gewoon hebben laten liggen. In 1965 startte een ploeg van jonge dorpsbewoners opnieuw met een bescheiden “archeologisch” onderzoek, waarbij een groot aantal keramische resten werden opgegraven en waarbij tevens de toegang naar een ondergrondse ruimte zou blootgelegd zijn. Die laatste hypothese wordt door de huidige archeologische equipe afgedaan als een verzinsel omdat er sindsdien op de site geen enkel spoor meer werd gevonden van een ondergrondse ruimte of wat er zou voor kunnen doorgaan. Bij de bouw van een woonhuis in 1970, ontdekte men weliswaar een middeleeuwse kelderruimte, uitgehouwen in de rotsbodem, waarin opnieuw heel wat keramiek werd aangetroffen en ook resten van verbrande beenderen. Maar aangezien de ruimte volgestort werd met beton is archeologisch onderzoek niet meer mogelijk. De archeologen veronderstellen dat het hier mogelijk om een zogenaamde “ijskelder” ging, gebruikt om etenswaren in te bewaren.

Niettegenstaande de publicatie van het bekende boek van Emmanuel Le Roy Ladurie in 1975, verdween de site van Montaillou voor meer dan twee decennia in de vergetelheid. Pas in 1996 begon de vereniging Le Castellas opnieuw met de archeologische prospectie van de site, waarbij beroep werd gedaan op de jonge archeologe Christine Dieulafait die er heel wat waardevol materiaal vond. In 1998 werd ook de compleet geruïneerde donjon grondig aangepakt en voor verder verval behoed. Nadien werd de volledige site grondig onderzocht en volgens de nieuwe moderne methodes in kaart gebracht. Sinds 2000 zijn er tweejaarlijkse campagnes gepland, die evenwel afhangen van de goodwill van het departement en vooral van de financiële steun die ervoor kan worden vrijgemaakt.

Montaillou - plan

Er kan thans met zekerheid gesteld worden dat de castrale overblijfselen in drie grote secties kunnen onderverdeeld worden:

De donjon meet 13 op 10 meter en werd gebouwd op de zuid-west as van het plateau. Alhoewel er enkel nog wat schamele resten van overblijven, kon worden vastgesteld dat de muren aan de basis minstens1,50 meter dik waren. Verder had de donjon drie verdiepingen met op het gelijkvloers meerdere openingen van 40 x 10 cm van waaruit boogschutters hun projectielen konden afvuren op de belegeraars. Verondersteld wordt dat de toegang zich op de eerste verdieping bevond, maar daar blijft niets meer van over.

De binnenafmetingen van de donjon worden geschat op 10 x 7,50 meter, waaruit de archeologen afleiden dat de kasteelheer de donjon ook effectief bewoonde en dat die dus niet louter alleen een militaire functie had. De aangetroffen resten van keramiek en ijzeren wapentuig bevestigen dit vermoeden. Het wapentuig bestaat vooral uit metalen speer- en pijlpunten die dateren uit de 13de en 14de eeuw.

De benedenkoer op het aangrenzende plateau meet grofwel 100 op 35 meter. De omwalling, waar de natuurlijke rotspartijen in geïntegreerd werden, zou ongeveer twee meter hoog zijn geweest. Bovendien blijkt uit de archiefstukken dat er, zeker nog in 1415, verscheidene hoektorens waren, waarvan nu echter niets meer rest. Men gaat ervan uit dat het hele complex in het midden van de 13de eeuw werd gebouwd en tot in de 14de eeuw werd aangepast en uitgebreid. De verdedigingswallen en de droge gracht werden tot dusver nog niet aan een onderzoek onderworpen en liggen nog vol met puin. De zuidelijke gracht heeft zeker bijgedragen tot de efficiënte verdediging van de site.

Montaillou Montaillou

Op de castrale habitat werden tal van sporen van middeleeuwse bewoning aangetroffen, waaronder resten van gemetselde muren, ovens om metaal te smelten en te bewerken, silo's om voedsel op te slaan, enz.. Verder werden ook resten van gewone woonhuizen, zogenaamde foganha's, blootgelegd waaruit blijkt dat de dorpelingen van Montaillou tijdens die periode in de onmiddellijke nabijheid en onder de veilige bescherming van de burcht woonden.

Alhoewel dat niet onmiddellijk blijkt uit het huidige beeld van de site, heeft de burcht van Montaillou ongetwijfeld een belangrijke militaire rol gespeeld in de woelige 12de en 13de eeuw en hebben de heren van Alion er met zekerheid onderdak geboden aan de vele katharen in de regio. In de geschiedenis van het katharisme is en blijft Montaillou dan ook een site pôle die een bezoek zeker waard is.

Tekst: Michel Gybels - Foto's: Christelle Olislagers
Bron: David Maso & Jean-Paul Cazès, Rapport archéologique - fouilles de 2004.

Vorige | Overzicht | Volgende