UIT VOORBIJE EEUWEN:
AMBACHTEN TE HANSBEKE

door Albert Martens
 

Smid

Adrian Vande Walle fs Gheeraert overleed te Hansbeke op 18 augustus 1664, ongeveer 68 jaar oud.

Hij huwde een eerste maal met Elisabeth Van Vynckt fa Gheeraert, die hem drie zonen naliet: Gheert, Jan en Joos.

Kort na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde hij te Hansbeke op 29 juli 1640 met Janneken Martens, fa Jan en Barbara Speeckaert, die hem nog twee zonen schonk, Laurens en Adrian.

Uit de staet ende inventaris van baeten ende commeren bevonden ten steirfhuyse blijkt dat Adrian Vande Walle het beroep van smid uitoefende; hij woonde op een kleine hofstede gelegen aan de noordzijde van de Laestraete[1] en bezat enkele partijen land.

Toen hij stierf bleven nog enige rekeningen voor uitgevoerd en/of geleverd smeewerck onbetaald vanwege Jooris Bruyssens, Jacques Dhondt, Gheert Maenhaut en Jan Bruyssen; ook den barron van Bellem stond in het krijt.

In de smesse werd een hambijl, tanghen, blaesbalcke, slijpsteen, hammers ende andere smee alme daertoe dienende geschat op een totale waarde van 17 ponden, eene bregorrie[2] ter waarde van 2 ponden 12 schellingen niet inbegrepen. De gedane onderhoudskosten, temmeraetie ende weirck, aan de smidse werden op 5 ponden 10 schellingen geraamd.

Anderzijds had het sterfhuis nog schulden aen weduwe van Rogier Provost tot Ghendt over de leveringhe van isere ende smee colen ten bedrage van 21 ponden 6 schellingen 8 grooten.

(Rijksarchief Gent, fonds Hansbeke, bundel 65)

Timmerman

Pieter Van Maldeghem, gehuwd met Janneken Van Ryckeghem en timmerman te Hansbeke, woonde op een kleine hofstede aan de noordzijde van de 'Laestraete', ten oosten van de smidse van Adrian Vande Walle.

Pieter, die voor vele afgestorven dorpelingen de doodskist en het grafkruis had getimmerd, overleed in 1675.

Zijn alm om te temmeren bestond o.m. uit een bijle, avegeers[3], bettels[4] snijmes, saeghe ende andersyns, een draybanck, schaefbanck ende noch wyrck alm.

In het huis of op de zolder bevonden zich wat plancken ende bert met noch wat ander aut om te vertemmeren en tempels[5] ghemaeckt ende onghemaeckt.

Ook vlas ende aut om te maecken een (weef)ghetauwe bleven ongebruikt liggen.

(Rijksarchief Gent, fonds Hansbeke, bundel 65)

Boomkweker

Toen Cornelis Bayens d'aude, boomkweker, te Hansbeke overleed op 14 februari 1680, bewoonde hij een behuysde hofstede, die zijn eigendom was, 113 roeden groot, geleghen bij de kercke aan de westzijde van de Dorpsstraat; op het erf stonden een schuere en fruytboomen.

Ten zuiden van de hofstede bezat hij een bilcxken lant genaempt de meersch, 192 roeden groot, dat eertijds weide was geweest maar als planterije was aangelegd.

Aan de hofstede paalde nog een boomgaard van ongeveer 130 roeden betemmert met eene camere, ghebruyckt in pachte door Jacques Van Maldeghem fs Laureyns.

Zijn overleden vrouw, Elisabeth Van Houcke, had hem 5 zonen geschonken waarvan er reeds 3 waren gestorven, die zelf vrouw en kinderen hadden nagelaten.

De twee overige zonen, Cornelis de jonghe en Pieter, woonden bij hem op de hofstede.

Uit de inventaris van baeten ende commeren, opgemaakt in het sterfhuis, wordt afgeleid dat het op de boomkwekerij, kort vóór het afsterven van de oude Bayens, zeer bedrijvig was.

Pieter De Veughelaere was aan de ergenamen nog 1.15.1 schuldig over den coop van diversche fruytboomen.

Joos Plasman van Landeghem moest nog 3.17.0 betalen voor de levering van vijftich kesselaere, tweeentwintich appelaere ende drij perrelaers.

Pieter Bayens, de jongste zoon, had tevoren geld ontvangen voor verkoop en levering van verschillende bomen, waaronder sevenentsestich kesselaere tegen 3.4.2. en twaelf appelaere tegen 0.18.0.

Anderzijds diende het sterfhuis te betalen:

0.4.0. voor het steken vande boomen ghelevert aan Joos Plasman ende voor dienst van inten ende planterije

0.10.0 aan Cornelis Bayens de jonghe, voor twee daeghen te inten ende eenen dach te booten.

(Rijksarchief Gent, fonds Hansbeke, bundel 66)

Winkelier

Vincent Forthier fs Ghileyn, winkelier en landman, gehuwd met Lievyne Pycke fa Jan, overleed te Hansbeke op 21 juni 1695; hij had toen een meerderjarige zoon Ghileyn en 4 dochters: Cathelijne, ook meerderjarig, Janne (23 j.), Pieternelle (15 j.) en Livyne (12 j.).

Hij bewoonde een in eigendom verworven huys staende op cheyns vuytghegheven bij den heere van Hansbeke, gheldende jaerlycx twee hoenders.

Het huis stond aan de westzijde van de straete commende vande leye naer de kercke ten zuiden van de rosmeulen.

Bij het opmaken van de inventaris in het sterfhuis vond men inde wynckel:

een blom cuupken met de blome, noch een ydel cuypken, het sautcuypken met het saut, kannen ende maten, den asijn, olie, lint, posen (?), spellen, aerden lampen, toeback ende pijpen, spin, spillen, keirssen, bessens, schaele ende ghewichten, eenen ydelen sack, een troch, wat seep, mitsgaders het gonne daervoorder is bevonden, alles ter waarde van 2.6.7.

(Rijksarchief Gent, fonds Hansbeke, bundel 66).

[1]Laagstraat

[2]Onbekend. Niet in W.N.T., Mnl. wdb. of dialectwdb.

[3]Avegeers: grote boren (zie o.a. De Bo, 57)

[4]Beitels.

[5]Tempels: voorwerp om iets open te houden, spantuig (Mnl. wdb. VIII, 225)