ADÈLE CHARLOTTE FOBE,
de Nevelse vriendin van Virginie Loveling

door Jozef Van de Casteele

Inleidende nota

De heer Antoine Fobe, notaris te Wetteren, was de eerste om ons te wijzen op de vriendschap tussen Adèle Fobe en Virginie Loveling. De heer Jules Fobe, erenotaris, heeft ons welwillend inzage verleend van het afschrift van het testament van Adèle Fobe.

De heer José Fobe liet ons graag kennis nemen van de genealogie van de familie Fobe.

Sommige biografen hebben het verblijf te Nevele van de gezusters Loveling in een vrij ongunstig daglicht gesteld. Heuvelmans, de Franse vertaler van V.Loveling, had geschreven dat de gezusters te Nevele een geïsoleerd leventje leidden, ver van het gewoel van de wereld. In een brief dd. 24.2.1883 wijst V. Loveling op die verkeerde zienswijze:

A Nevele même - où il nous venait du reste beaucoup de monde - nous avions un petit cercle d'amis des plus agréable, mais ni campagnard ni flamingant: ils l'ignoraient quand nous publiions un libre, et…[1]

A. De Cock, de volkskundige, heeft een even somber beeld van Nevele opgehangen.[2] In een brief dd. 22.10.1892 stuurt V. Loveling hem een terechtwijzing:

Zelfs te Nevele bezaten wij een wel is waar zeer beperkten doch zeer ontwikkelden kring, het voorrecht van verstandelijk verkeer volop genietend en weinig gevleid zouden de er van overblijvenden, die er deel van uitmaakten en er nog des zomers verblijven, voor zeker wezen, moest ik hun mededeelen dat men hen voor onbeschaafd doet doorgaan! Voor de eerste maal verneem ik ook uit uw artikel, dat de bevolking ons vijandig was… Ik betreur het zeer, dat dergelijke dwalingen in uw merkwaardig artikel voorkomen[3].

Proef. P. Fredericq heeft die legende van het Nevele, dat de gezusters Loveling vijandig was, de kop ingedrukt:

De juffrouwen Loveling leefden met hun rijke moeder geheel onafhankelijk en door iedereen geacht en geëerbiedigd… Nooit werden ze door iemand vervolgd.[4].

Ten slotte hebben we nog het schrijven van de kroongetuigen C. Buysse:In dat dorp, dat anders toch een groot en schoon dorp was, met een vrij talrijke bevolking, heeft Virginie Loveling meer dan veertig jaren van haar leven doorgebracht. Al de menchen kende zij  er - en  allen kenden haar; maar niemand vermoedde, zelfs in de verste verte niet, waaraan zij, en haar zuster Rosalie, hun leven besteedden. [5]

Een van de personen nu, die tot de kring van de Lovelings behoorde, was Adèle Charlotte Fobe. Deze dame was niet alleen een gewone vriendin, maar ze heeft tevens de invloed van Virginie Lovelings levensbeschouwing ondergaan, zoals uit sommige geschriften zal blijken.

Geboren in 1826 was Adèle Fobe de dochter van een Zomergemse dokter die bekendheid in de streek genoot.[6] Toen K.L. Ledeganck te Zomergem tot vrederechter benoemd werd, heeft hij tijdelijk bij de Fobes ingewoond en wellicht heeft het meisje Adèle nog op de schoot van de plechtige dichter gezeten.[7] En als we nu weten welke vurige verering de gezusters Loveling voor de zanger van "De drie Zustersteden" hadden, dan kan misschien dat feit het uitgangspunt geweest zijn van de interesse van de schrijfsters voor Adèle Fobe.

In 1854 traden te Hansbeke in het huwelijk Victor Adolphe Schatteman, vrederechter van het kanton Nevele, en Adèle Charlotte Fobe. Het echtpaar kwam zich vestigen in de Pastoorshoek te Vosselare. Volgens de brief moet het begin van die vriendschap tussen Virginie Loveling en Adèle Fobe in 1859 worden gesitueerd.[8]

In de roman "Sophie"[9] van Virginie Loveling menen we het echtpaar Schatteman-Fobe te herkennen onder de naam Haantjes. De man wordt er afgeschilderd als een schrandere geest, die het pro en het contra afweegt, zoals het een vrederechter past. Hij is een verdraagzaam liberaal en met raad helpt hij rijk en arm. Natuurlijk wordt hij in die sleutelroman niet als vrederechter voorgesteld. De necrologie uit de Gazette van Gent[10], het bidprentje[11] en het gedicht van Virginie Loveling[12] aan hem wijdde, getuigen alle van de karaktereigenschappen van Schatteman die, gepensioneerd, de liberale burgemeester van Nevele was van 1882 tot 1884.

Maar we zijn op de feiten even vooruitgelopen. Na het verschijnen van haar roman "Sophie" werd V. Loveling door het Willemsfonds gehuldigd op 29 oktober 1882. In een humoristisch briefje excuseert burgemeester Schatteman zich omdat hij niet aanwezig kan zijn op het feest te Gent, omdat diezelfde zondag notre Seigneur du village… escorté de tous ses manants… (de Heer van het dorp door al zijn lijfeigenen begeleid) als jonggehuwde zijn intrede doet te Nevele[13]. Verder schrijft hij dat hij als burgemeester de orde dient te handhaven en besluit: Veuillez donc, chère Mademoiselle, m'excuser si je ne dépose pas mon hommage à vos pieds et recevoir par écrit les chaleureuses félicitations DU TRIO LEGENDAIRE[14]. Wie is nu dat legendarisch trio? Schatteman, z'n vrouw en August De Deurwaerder, jonggezel en rijke grondbezitter, bij wie ze nu inwonen.[15]

Adolphe Schatteman sterft in 1885 en 11 maanden later treedt Adèle Fobe in het huwelijk met August de Deurwaerder. In het najaar 1886 vergezelt V. Loveling het echtpaar op reis naar het Zuiden; ze verblijven een paar maanden te Nizza en reizen dan Italië af.

In 1889 bezorgt Virginie Loveling een derde uitgave van de "Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling, 3e vermeerderde druk, Gent, Hoste". Daarin komen van de hand van Virginie een zestal gedichten voor: "Schetsjes uit het Zuiderland" met als onderschrift "Aan mijn trouwe vrienden en duurbare reisgezellen den Heer en Mevrouw De Deurwaerder". Die gedichten zijn hoofdzakelijk van beschrijvende aard en de dichteres gebruikt hier en daar de wij-vorm: bv. bij het verlaten van de Sint-Gothard dicht ze nogal prozaïsch:

Gij menschen, hier geboren,
Gij dorpjes, hier ontstaan,
Verneemt en weet het allen,
Dat ook naar huis wij gaan!

In 1890 publiceert V. Loveling "Een winter in het Zuiderland" en de opdracht van het boek luidt: Den Heerre en Mevrouw de Deurwaerder uit trouwe vriendschap opgedragen door de schrijfster"[16]. Het reisverhaal is ietwat geromanceerd en het echtpaar krijgt er de doorzichtige naam "mijnheer en mevrouw de Poortere".

Virginie Loveling - haar schuilnaam is nu Livie Lane - is op die reis buitengewoon op dreef; met welgevallen laat ze zich het hof maken en haar ietwat oudere vrienden kunnen haar niet altijd volgen waar ze heen wil. We leren hier ook haar Nevelse reisgenoten beter kennen. Reeds vinden we een typisch staaltje in het begin van het verhaal. In de P.L.M.-trein maken de drie Belgen kennis met een jonge Fransman en "mijnheer de Poortere zei al schertsend dat hij eerst naar Arles wou gaan om er schoone vrouwen te zien.

De jongeling glimlachte, en hier kwam het karakter van den Franschman voor den dag: Mijnheer, zei hij, met het oog madame de Poortere aanduidend, om schoone vrouwen te zien, moet gij zoover niet gaan. Zij zag er inderdaad mooi uit met haar kloeke gestalte, hare grijze, kroezelige lokken, die van onder den zwarten hoed uitkwamen, hare fijne, door goedheid gemilderde trekken en den blos, dien haar een jong meisje zou benijd hebben." [17] Een nette mijnheer was haar man. De schrijfster heeft het over "de natuurlijke beleefdheid, die hem kenschetst en welke de opvoeding nog verhoogd heeft". [18]

Tussen de boekbesprekingen van "Een winter in het Zuiderland", die V. Loveling bewaard heeft, vonden we een ongedateerd naamkaartje[19] met de volgende tekst: "Madame de Deurwaerder désire que Melle Virginie se rende si c'est possible chez elle demain samedi vers 3 heures. Il s'agit de choisir entre deux objets, celui qui ferait le plus de plaisir à une personne que j'aime beaucoup, vendredi soir. Adèle. Nevele."

We vermoeden dat die uitnodiging werd gestuurd nadat Adèle Fobe het boek met de opdracht ontvangen had.

Het echtpaar de Deurwaerder-Fobe heeft zeker altijd vertrouwelijk omgang gehad met de schrijfster. Op zekere dag bellen zij bij haar aan en onmiddellijk is het een etentje[20]. In 1892 overlijdt August de Deurwaerder te Nevele, in de leeftijd van 81 jaar. De bijbelse teksten van het bidprentje[21] - er was een Nederlandse en een Franse versie - wijzen op de vrijgevigheid van de overleden: "Hij heeft zijne hand voor den behoeftige geopend, en ze altijd den armen toegereikt".[22] Maar behalve het bidprentje is er ook nog een gedachtenisprentje met een doorvoeld gedicht van Virginie Loveling.[23] Om die verzen goed te begrijpen situeren we even het decor: het echtpaar bewoonde op de hoek Langemunt-Blasiusdriesstraat - richting Vosselare - een herenhuis dat uitzicht gaf op een park van twee hectaren met vijver en paviljoen.[24]

In 1895 sticht Adèle Fobe, "Ter nagedachtenis van de Heer August de Deurwaerder" het bejaardentehuis "Rusthof" te Vosselare. Het is gelegen tegenover haar groot park in de Dreefstraat, verlenging van de Nevelse Langemuntstraat. Het gesticht telt 10 huisjes en elk huisje mag door twee personen betrokken worden, man en vrouw of twee familieleden. Er wordt ook een kapitaal van 100.000 frank uitgezet voor de onderhoudskosten en de uitkering van 2 frank per week aan elke bewoner. Het oprichten van dit tehuis heeft een politieke achtergrond. Parallel met de schoolkwestie strijden de liberalen in die tijd ook voor de secularisatie van de burgerlijke godshuizen: ze willen ze onttrekken aan de invloed van de parochiale geestelijkheid. En wat zich afspeelt op nationaal vlak heeft ook te Nevele z'n weerklank gevonden. Kijken we de register na van het "weldadigheidsbureel" en van het "Hospitaal Louise", dan zien we dat er toen een verstrengeling was tussen de twee besturen… en in het beheer van het "hospitaal" treffen we meer dan eens de deken-pastoor als president aan.[25] Virginie Loveling was nu een voorvechtster van de secularisatie en meer dan eens heeft ze het "armhuis" gebrandmerkt. Meester Neirinck, opgenomen in het hospitaal, zegt tot zijn bezoekers: "… zij eerbiedigen hier de persoonlijke vrijheid niet" en verder "… Heren, komt hier niet, als ge ziek wordt".[26]

Op reis in Engeland heeft Virginie Loveling een wereldlijk hospitaal bezocht en heeft een paar bedenkingen in dat verband neergeschreven: "… er is in onze gestichten door geestelijke orders bestuurd eene andere, de wet van het zedelijk gezag, aan welke een kranke zich moeilijk onttrekken, dus zijn zij in de werkelijkheid niet vrij, al heeten zij het bij name".[27] In die vrijzinnige optiek gezien, begrijpen dan bet wat in het Reglement van het Rusthof staat: "Art. 15 Het gesticht moet ten allen tijde een wereldlijk karakter behouden en mag niet door geestelijke personen bestuurd worden"[28] Het is trouwens onder die voorwaarde dat het "Rusthof" in 1899 aan de Burgerlijke Godshuizen van Nevele wort gelegateerd.[29]

In september 1895 wordt de vijfjaarlijkse prijs der Nederlandse letterkunde voor het tijdvak 1890-1894 aan Virginie Loveling toegekend. Er komt een telegram uit Nevele: Triomphe mérité, chaleureuses félicitations, Mme A. de Deurwaerder". [30]

Op 11 mei 1898 overlijdt Adèle Fobe te Gent. In Onderbergen bezat ze een herenwoning waar ze in de winter verbleef. Volgens de brief van Virginie Loveling, waarvan een passus hierboven afgedrukt is,  stond ze op het punt naar haar Nevels buitengoed te vertrekken. In het eigenhandig geschreven testament van Adèle Fobe werd haar broer Adolf, vrijgezel, als universeel erfgenaam aangeduid, doch hij was een maand vóór zijn zuster overleden en zo werd na de verkoop van de roerende en onroerende goederen het aanzienlijk fortuin verdeeld onder de wettige erfgenamen. Nochtans dienden enkele bijzondere bepalingen nageleefd te worden, o.a. "Je donne comme souvenir de longue et fidèle amitié à Mademoiselle Virginie Loveling la somme de 10 mille francs et mon bracelet en or et diamante".[31] In ons huidig geld is dat zowat 450.000 frank. Niet te verwonderen dat Virginie Loveling in 1899 zich een maandenlange reis kon permitteren naar Australië, waar ze vrienden had.

Er komt in dat testament  nog een andere zonderlinge bepaling voor die zeker door Virginie Loveling geïnspireerd werd:"Comme ma seule crainte de la mort est d'être enterrée vivante, je désire rester 3 jours pleins avant qu'on me mette en bière".[32] Onwillekeurig denken we hier aan het overlijden van Kaatje Vleesch. In een van de jeugdherinneringen van Virginie Loveling wordt verteld dat het meisje 's nachts plots gestorven is. De volgend dag is de vooravand van Allerheiligen en de deken van de parochie eist dat dezelfde dag het meisje begraven wordt en dat om het verloop van de kerkdiensten op 1, 2 en 3 november niet te storen. Er wordt gemopperd te Nevele: "Zulk een vervroegde teraardbestelling is niet wettelijk… Wie weet of ze dood is?".[33] Dat geval zal natuurlijk in de kring van de Lovelings druk besproken zijn en we mogen wel aannemen dat het ook Adèle Fobe zal getroffen hebben.

Slotbeschouwingen

Adèle Fobe was in Nevele stellig een vrijgevochten dame. Is ze warm gelopen voor sommige progressieve ideeën, dan mag ze toch niet als een vrijzinnige worden beschouwd. In haar testament bepaalt ze dat tien jaar lang te Nevele en jaargetijde zal worden gecelebreerd. Heeft ze rijkelijk geleefd op haar landgoed te Nevele, dan heeft ze toch ook met haar milddadigheid heel wat armoede en behoeftigheid te Nevele en Vosselare gelenigd.  We beamen dan ook de zeer pertinente opmerking van de heer Daniël Dhooge, wiens huis op de grondveten van het voormalig herenhuis van de Deurwaerder-Fobe opgetrokken is, dat de nagedachtenis aan het vrijgevige echtpaar te Nevele en te Vosselare zou mogen blijven voortleven. Waarom bv. geen nieuwe straat naar haar genoemd?

[1]Onvolledige kopie van een brief bewaard in het A.M.V.C. (Te Nevele zelf, waar we trouwens heel wat mensen over de vloer hadden, hielden we er een beperkte maar zeer aangename vriendenkring op na, dorps noch flamingant: die vrienden wisten het zelfs niet als we een boek publiceerden).

[2]M. BASSE, Het aandeel der Vrouw in de Nederlandse Letterkunde, deel 2, Gent, 1921, p. 95.

[3]Brief bewaard in het A.M.V.C.

[4]M. BASSE, a.w., p. 95

[5]Knipsel uit het tijdschrift "Op de Hoogte", 1912, Berust in het A.M.V.C.

[6]Pieter Richardus Fobe (1796-1841). Uit de necrologie aan hem gewijd in de Gazette van Gend, 23.7.1841: "Door ons allen betreurd en wel namentlijk door de gebrekhebbenden wien hij nooit naliet hunne smerten te lenigen, zoo door de hulp zijner kunst als ten koste zijner beurs…".

[7]Mededeling van dhr. Ant. Fobe, notaris te Wetteren.
     Zie ook: Hendrik CLAEYS, Het jaar 1840 in het leven van Ledeganck, (1897), p. 25. De auteur, lid van de Kon. Vlaamse Academie, dr. phil. en pastoor van St.-Niklaaskerk te Gent, was aan moederszijde verwant met de Fobes en werd dan ook in het testament van Adèle Fobe met een legaat bedacht.

[8]Brief dd. 15.6.1898 van V. Loveling geadresseerd aan haar vriend Max Rooses, de Vlaamse kunsthistoricus, bewaard in het A.M.V.C.

[9]Sophie, Gent, 1884. Die roman is een geromanceerde avocatie van de schoolstrijd te Nevele en in de aangrenzende gemeenten.

[10]Uit de necrologie aan hem gewijd in de Gazette van Gent 2.6.1885 "Zijne eerlijkheid en oprechtheid evenzeer als zijne onuitputtelijke gedienstigheid werden door iedereen hoog gewaardeerd… De H.A. Schatteman was een geleerd man en kon met bevoegdheid spreken, niet alleen over alle vraagpunten van rechtswetenschap, maar ook over letterkunde en kunst.

[11]Uit het archief van dhr. Antoine Janssens. Er wordt geen allusie gemaakt op zijn liberale houding. Een bijbelse tekst onderstreept zijn karakter: "La vérité et la droiture marquaient ses paroles et sa langue était étrangère à toute ruse. Il n'a fait exception de personne, il a entendu étalement le riche et le pauvre". (Zijn woorden droegen de stempel van waarheid en rechtschapenheid en zijn taal was wars van alle list. Hij sloot niemand uit, hij luisterde zowel naar de rijke als naar de arme).

[12]Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (3e verm. druk), Gent, 1889.

[13]Het betreft hier L. MULLE DE TERSCHUEREN, oud-burgemeester en toekomstig burgemeester van Nevele. Cyriel Buysse verhaalt ook die intrede in de schets "Mijnheer de Burgmeester" uit In de Natuur, 1905, p. 73, 74.

[14]"Gelieve, Achtbare Juffrouw, mij te excuseren u niet persoonlijk een huldeblijk te kunnen betuigen en aanvaard schriftelijk de hartelijke felicitaties van het legendarische trio".

[15]August De Deurwaerder: Gent 1813-Nevele 1892.
   
Het echtpaar Schatteman-Fobe was in 1869 naar Nevele verhuisd en betrok er in de Langemunt het huis nr. 5, in 1877 komen de echtelingen bij de Deurwaerder inwonen die in dezelfde straat het nuis nr. 61 betrok, dat later het nr. 54 kreeg.
     Hoewel reeds overleden wordt het legendarisch trio in Buysses roman De Schandpaal (Gent, 1928) uitgebeeld onder de naam Meneer en madam Venneman, meneer Aamidé; het verhaal vangt aan bij de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

[16]Een Winter in het Zuiderland door V. Loveling, met platen, Gent, 1890.

[17]a.w. p., 10.

[18]a.w., p. 104.

[19]Bewaard in de Universiteitsbilbiotheek Gent, hs 3426. (Mevrouw de Deurwaerder verlangt dat Juffrouw Virginie haar komt bezoeken morgen zaterdag tegen 3 uur. Tussen twee voorwerpen mag er gekozen worden door een persoon die ik innig liefheb. Vrijdagavond, Adèle).

[20]Brief dd. 14.9.1891 aan Max Rooses, bewaard in het A.M.V.C.

[21]Uit het archief van dhr. Antoine Janssens, Nevele.

[22]Hoe, volgens Cyriel Buysse, de milddadigheid van het echtpaar de Deurwaerder soms misbruikt wordt, vertelt hij in de novelle De Operatie, uit Kerels, Gent, 1927, p. 47

[23]Uit het archief van dhr. Antoine Fobe, notaris te Wetteren.

[24]In Het Hofje, uit In de Natuur, Bussum, 1905, p. 134… verhaalt Buysse de stichting van het "Rusthof" maar de romancier heeft de feiten sterk vertekend. Zo zijn er in de novelle twee donateurs in plaats van de enige stichteres; het karikaturale beeld van het echtpaar is door andere personen geïnspireerd.

[25]Dhr. Gilbert Lootens, voorzitter C.O.O.-Nevele, heeft ons welwillend inzage van het archief van het "Weldadigheidsbureau van Nevele" verleend.

[26]Virginie Loveling: Herinneringen. Bijeengebracht en ingeleid door A. Van Elslander, Hasselt, 1967, p. 108-109.

[27]Virginie LOVELING, Een wereldlijk hospitaal, 1887, p. 6.

[28]Mej. Solange De Keyser en dhr. Antoine Janssens hebben ons gewezen op het Reglement van het Gesticht Rusthof, Nevele, Dossche-Duchâteau s.d., 8 pp. dat berust in de Universiteitsbibliotheek Gent. We vermoeden dat de tekst van het reglement van de hand van Virginie Loveling is.

[29]Staatsblad 14-15 augustus 1899: "En dat het gesticht blijve bestaan en worde betuurd zooals nu en volgens het thans gebruikte stelsel, met aan hetzelve het wereldlijk karakter te blijven bewaren". Dhr. Gilbert Lootens bezorgde ons een kopie van het K.B. waardoor Nevele en Vosselare gemachtigd worden het legaat van Mevr. Adèle Fobe te aanvaarden.

[30]Bewaard in de Universiteitsbibliotheek Gent, hs 3426.

[31]Als blijk van lange en trouwe vriendschap schenk ik aan Mejuffer Virginie Loveling de som van 10.000 frank en mijn gouden bracelet met diamanten.

[32]Mijn enige vrees voor de dood is levend begraven te worden, daarom wil ik drie volle dagen ongekist blijven.

[33]Virginie Loveling: Herinneringen, p. 45-46. Kaatje Vleesch zou op dezelfde dag als haar broertje van Florence Schoor - haar echte naam is Fanny Maere - worden begraven. Welnu, volgens de registers van de Burgerlijke Stand van Nevele is het jongetje op 19 juli 1851 overleden, amper 6 dagen oud. In die periode hebben we te Nevele nergens eind oktober een overlijen aangetroffen waarop V. Loveling alludeert. Heeft de verbeelding de schrijfster parten gespeeld?
Volgens Prof. A. VAN ELSLANDER, De Biografie van Virginie Loveling, Gent 1963, is "Florence Schoor" vóór 1912 geschreven. Er ligt dus wel een halve eeuw tussen die "herinnering" en de feiten.