Vraag om uitleg

 

 

Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over het aansnijden van woonuitbreidingsgebieden voor groepswoningbouw


Nr. 1355 (2005-2006) behandeld op 19-10-2006

 
 

 

De voorzitter: De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, er bestaat enige discussie over het aansnijden van woonuitbreidingsgebieden voor groepswoningbouw tussen de diverse Vlaamse bestendige deputaties en de administratie van Arohm. In principe zijn woonuitbreidingsgebieden enkel bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid niet heeft beslist over de ordening van het gebied. Vanuit deze algemene bepaling bestaan er twee juridische stellingen.

De eerste stelling is dat er bij een aanvraag voor groepswoningbouw conform het gewestplanvoorschrift, geen nadere ordening voor een BPA of RUP moet gebeuren. Dat zou betekenen dat er dan ook principieel niet moet worden verwezen naar het woningaanbod en de taakstelling. Dit is het standpunt van de bestendige deputaties.

De tweede stelling is dat de omzendbrief over het ontwikkelen van woonuitbreidingsgebieden steeds moet worden toegepast. Ook bij aanvragen voor groepswoningbouw moet worden verwezen naar onder andere woningaanbod en is een verdere ordening nodig. Dit is het standpunt van Arohm. Deze discussie zorgt voor de nodige rechtsonzekerheid.

Mijnheer de minister, welke van beide stellingen is de juiste? Acht u het wenselijk om de nodige rechtszekerheid te geven aan de juiste stelling via een decretaal of reglementair initiatief? Zo ja, welk initiatief zult u daartoe nemen?

De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft het woord.

Minister Dirk Van Mechelen: Wanneer we het hebben over woonuitbreidingsgebieden, komen vier juridische of beleidsmatige instrumenten in aanmerking. Ik zal die even duiden.

Het reglementaire uitgangspunt vormt uiteraard artikel 5.1.1 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. In dat artikel staat dat “woonuitbreidingsgebieden (…) uitsluitend bestemd (zijn) voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel de overheid geen besluit tot vaststelling van de uitgaven voor de voorziening heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor”.

Deze bepaling blijft onverkort gelden. Dit betekent dat er twee hypotheses voorhanden zijn. Bij de eerste hypothese gebeurt er een ontwikkeling via groepswoningbouwproject. Bij de tweede hypothese gebeurt dat na ordening.

De Raad van State heeft een en ander bevestigd via het arrest-Nijs (nummer 130.386 van 20 april 2004). Dat arrest bepaalt dat “de woonuitbreidingsgebieden uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid niet over de ordening van het gebied heeft beslist, met andere woorden zolang die ordening niet is vastgesteld in een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of in een globaal verkavelingsplan waarvoor een regelmatige vergunning is verleend”.

Naast dit KB is ook de omzendbrief van 25 oktober 2002 “in verband met het opmaken van een gemeentelijke woonbehoeftestudie en het ontwikkelen van woonuitbreidingsgebieden met of zonder woonbehoeftestudie” van belang. Deze omzendbrief vertrekt vanuit het beginsel dat het gemeentelijk structuurplan, als gemeentelijk beleidsplan, het document is waarin de gemeente het gewenste woonbeleid in relatie tot de gewenste ruimtelijke structuur uitwerkt. Conform omzendbrief RO 97/02 inzake het gemeentelijk structuurplanningsproces wordt het gewenste woonbeleid ondersteund door een woonbehoeftestudie.

De omzendbrief van 25 oktober 2002 stelt uitdrukkelijk dat “een gemeentelijke woonbehoeftestudie wordt voorgelegd ter verantwoording van het ontwikkelen van bijkomende woongelegenheden in woonuitbreidingsgebied door middel van een verkaveling die aanleg van nieuwe infrastructuur vereist, het voorzien van groepswoningbouw, de opmaak van een BPA”.

Vooruitlopend op het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, is het volgens de omzendbrief wel mogelijk om te beslissen over de ontwikkeling van een woonuitbreidingsgebied onder welomlijnde criteria. Om de resultaten van het RSV op het terrein te versnellen en effectief een specifiek aanbodbeleid voor wonen te realiseren, is de opmaak van een woonbehoeftestudie voor de ontwikkeling van een woonuitbreidingsgebied niet vereist indien de overheid over de ordening van het gebied reeds beslist heeft in het kader van een goedgekeurd BPA of een goedgekeurde vergunning, in de meeste gevallen een verkavelingsvergunning.

De opmaak van een woonbehoeftestudie is evenmin vereist, maar wel het verkrijgen van een principieel akkoord van de bestendige deputatie indien er werd voldaan aan de criteria en de flankerende maatregelen die in de omzendbrief werden opgenomen.

Indien het gebied als vrij te ontwikkelen werd opgenomen in de inmiddels gepubliceerde Atlas van de Woonuitbreidingsgebieden of WUG, wordt tevens in een vrijstelling voorzien van het verkrijgen van het principieel akkoord.

Op 30 november 2005 heb ik in deze parlementaire commissie de Atlas van de Woonuitbreidingsgebieden voorgesteld. De atlas werd opgesteld door onze administratie. De WUG-atlas is raadpleegbaar op het internet (www.vlaanderen.be/wugatlas) en geeft voor elk woonuitbreidingsgebied in Vlaanderen aan of een gebied vanuit beleidsmatig oogpunt al dan niet kan worden ontwikkeld in functie van woningbouw. Essentieel hierbij is dat de atlas een beleidsdocument is, of met andere woorden, een consultatie-instrument is waarin de visie van de centrale administratie wordt weergegeven op basis van een aantal parameters, echter zonder feitelijke juridische waarde.

Het feit dat in de atlas een woonuitbreidingsgebied als “te ontwikkelen” wordt gecatalogiseerd, betekent dat het vanuit beleidsmatig oogpunt opportuun wordt geacht om het betreffende gebied te ontwikkelen, en dit desgevallend via een plan zoals een RUP of een BPA, of via een globaal verkavelingsplan.

De informatie vervat in de WUG-atlas is, zoals u weet, opgebouwd op basis van objectieve criteria en bestaande beleidsvisies: gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk. Het kan dan ook niet de bedoeling zijn dat de ruimtelijke opties vervat in de structuurplannen en de informatie vervat in de atlas, enkel en alleen relevant zijn bij de ontwikkeling van woonuitbreidingsgebieden via planningsinitiatief en niet bij het beoordelen van aanvragen voor globale verkavelingen of inzake groepswoningbouwprojecten.

Indien de atlas een gebied aanduidt als “niet te ontwikkelen” omdat het bijvoorbeeld waterziek is of perifeer gelegen is, terwijl andere woonuitbreidingsgebieden, gelegen nabij de kern, nog niet zijn ingevuld en dus beter gesitueerde gronden zijn, dan zie ik bijvoorbeeld niet in hoe een aanvraag voor groepswoningbouw of een globale verkavelingsaanvraag op die plaats plots wel vergunningsvatbaar zou kunnen zijn. Het is dus een algemeen referentiekader dat vanzelfsprekend zowel moet worden meegenomen bij een planningsinitiatief als bij de aanvraag voor groepswoningbouw of bij een verkavelingsaanvraag.

Ik geef u ten slotte nog mee, al is het minder belangrijk, dat ik met betrekking tot de restpercelen op 24 januari 2003 een schrijven hebben gericht aan de gemeentebesturen om uit te leggen wat restpercelen in woonuitbreidingsgebieden precies zijn. Restpercelen zijn “onuitgeruste en onbebouwde gronden gesitueerd binnen een overwegend bebouwd gebied. Ze komen in aanmerking voor ontwikkeling zonder de goedkeuring van een woningbehoeftestudie of zonder principieel akkoord indien de aaneengesloten onbebouwde oppervlakte ervan niet groter is dan een halve hectare (richtcijfer). In één woonuitbreidingsgebied kunnen meerdere restpercelen van minder dan een halve hectare worden vergund indien het betreffende woonuitbreidingsgebied voor minstens de helft is bebouwd en de restpercelen ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn.” We hebben dus ook op dit vlak orde op zaken gesteld: iets valt er al dan niet onder.

Het geschetste juridisch en beleidsmatig instrumentarium maakt duidelijk dat, zolang er in de woonuitbreidingsgebieden geen beslissing is inzake de ordening, er enkel een groepswoningbouwproject kan worden vergund. De Raad van State heeft reeds meerdere uitspraken geveld over wat onder groepswoningbouw kan worden verstaan. Ik citeer nogmaals het arrest-Nijs, dat stelt dat onder groepswoningbouw “dient te worden verstaan het gelijktijdig oprichten van meerdere gebouwen bestemd voor bewoning die één samenhangend geheel vormen”.

Bij een aanvraag voor groepswoningbouw moet aldus geen nadere ordening door een BPA of RUP gebeuren. Op uw vraag ter zake wil ik zeer duidelijk antwoorden: steeds een ordening via BPA, RUP of globale verkaveling eisen, zou strijdig zijn met artikel 5.1.1 van het KB van 28 december 1972, dat ik in het begin van mijn antwoord heb geciteerd.

Ik wil evenwel uitdrukkelijk aangeven dat dit niet impliceert dat het woningaanbod en de taakstelling volkomen irrelevant zijn – want dat zou al te gek zijn. De vergunningverlenende overheid beschikt immers over een bepaalde beoordelingsmarge, die op een onderbouwde en gemotiveerde wijze moet worden aangewend. Die beoordelingsmarge vindt onder meer haar grondslag in artikel 19, laatste lid van het vermelde KB van 28 december 1972, en voor wat betreft de gemeenten die in het nieuwe vergunningensysteem zijn gestapt, ook in artikel 110 van het decreet van 18 mei 1999 op de ruimtelijke ordening. Beide bepalingen spreken immers over de afweging van de goede ruimtelijke ordening bij vergunningsaanvragen.

We kunnen dus stellen dat bij vergunningsaanvragen voor groepswoningbouw de omzendbrief van 2002 wel degelijk relevant blijft en dat de inschatting van de woonbehoeften moet gebeuren. Een en ander wordt, zoals inleidend gesteld, uitdrukkelijk in de omzendbrief zelf gesteld.

Deze stelling kan als volgt worden samengelezen met de atlas. Indien een gebied in de atlas als ‘te ontwikkelen’ wordt gecatalogiseerd, dan stelt er zich in principe voor dat aspect geen probleem.

Wanneer een gebied in de atlas als ‘niet te ontwikkelen’ werd aangeduid, dan is dat bijvoorbeeld omdat in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan geen behoefte werd vastgesteld om het betrokken gebied te ontwikkelen, of omdat er andere redenen zijn die de ontwikkeling verhinderen, zoals overstromingsgebieden of habitatgebieden. In dergelijke gevallen zal men logischerwijze de vergunning gemotiveerd weigeren.

Indien een woonuitbreidingsgebied in de atlas ingedeeld is in de categorie waar ontwikkeling nader kan of moet onderzocht worden – dat zijn in de meeste gevallen gebieden waarvan het GRS niet klaar is – dan moet hoe dan ook bij een vergunningsaanvraag voor groepswoningbouw de integrale afweging in principe nog gebeuren, inclusief het onderzoek van de woonbehoefte.

Abstractie makend van de hypothese van de groepswoningbouw, kan een woonuitbreidingsgebied slechts worden ontwikkeld, indien het planmatig wordt geordend via BPA, RUP of globaal verkavelingsplan. Ik zet die drie categorieën even op een rijtje.

Indien een woonuitbreidingsgebied via een BPA wordt geordend, moet dat BPA vanzelfsprekend conform zijn aan datgene wat in een woongebied is toegelaten, tenzij het gaat over een afwijkend BPA en de voorwaarden tot afwijking daadwerkelijk zijn vervuld. Wat de afwijkende BPA’s betreft, verwijs ik nogmaals naar artikel 14 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996. Bij de opmaak van het BPA moet dus rekening worden gehouden met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan. Ook hier hebben we het dus over de doorwerking van de structuurplannen. De atlas van de woonuitbreidingsgebieden en een eventueel voorontwerp of ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn uiteraard eveneens relevant bij het toetsen van een dergelijk BPA.

Inzake RUP’s gelden, conform artikel 201 van het decreet van 18 mei 1999, nieuwe spelregels, waarbij ze de gewestplanbestemming de facto vervangen. Het RUP moet zich dus niet formeel voegen naar de gewestplanbestemming, maar moet uiteraard wel opgemaakt zijn in uitvoering van het desbetreffende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan.

Indien de ordening via een verkavelingsvergunning gebeurt, dan moet het om een algemeen verkavelingsplan gaan. Volgens de rechtspraak van de Raad van State wordt hiermee bedoeld dat de verkavelingsaanvraag een substantieel en isoleerbaar deel van het woonuitbreidingsgebied tot voorwerp moet hebben. Ik heb recent een aantal verkavelingen geweigerd in woonuitbreidingsgebied, daar het ging over een stukje van twee percelen, geïsoleerd gelegen in een groot woonuitbreidingsgebied. Men zou kunnen tegenwerpen dat het hier gaat over een verkaveling, maar dat bedoelen we daar dus niet mee. Het moet een substantieel en isoleerbaar deel van dat gebied zijn.

Samenvattend kan dan ook worden gesteld dat er rechtstreeks stedenbouwkundige vergunningen kunnen worden verleend inzake de woonuitbreidingsgebieden waarvoor reeds een gemeentelijk plan of algemene verkaveling bestaat. Indien er geen BPA, RUP of algemeen verkavelingsplan voorhanden is, kunnen er inzake woonuitbreidingsgebieden enkel stedenbouwkundige vergunningen worden verleend indien het groepswoningbouwprojecten betreft waarvan de aanvraag betrekking heeft op restpercelen. De juridische en inhoudelijke marges voor zowel het plannings- als het vergunningenbeleid in de woonuitbreidingsgebieden lijken me vandaag vrij duidelijk. Maar het spreekt vanzelf dat we, in de geest van behoorlijk bestuur, zullen bekijken of we dat, bij de algemene decreetswijziging die we thans voorbereiden, niet in het decreet kunnen opnemen, zodat er geen enkele onduidelijkheid en vooral geen enkele betwisting bij de Raad van State kan bestaan.

De voorzitter: Het incident is gesloten.