Vraag om uitleg

 

 

Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Jef Tavernier, Vlaams minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, over de verklaringen van de betonindustrie over het investeringsritme voor gemeentelijke rioleringen


Nr. 655 (2003-2004) behandeld op 22-04-2004


 
 

 

De voorzitter : Aan de orde zijn de samengevoegde vragen om uitleg van de heer Lachaert tot de heer Tavernier,Vlaams minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, over de verklaringen van de betonindustrie over het investeringsritme voor gemeentelijke rioleringen, en van de heer Van Dijck tot minister Tavernier, over de situatie in de Vlaamse riolerings- en afvalwaterzuiveringssector.

Ik zal mijn vraag vanop de voorzittersstoel stellen.

De commissievoorzitter zal dadelijk overnemen.

Mijnheer de minister, collega’s, de Federatie van de Betonindustrie uitte recent haar bezorgdheid over het uitblijven van de investeringen die noodzakelijk zijn voor de vervollediging van het gemeentelijk rioleringsnet.

Volgens de federatie staat de sector het water aan de lippen. Het aantal opdrachten daalt fors, en de vooruitzichten zijn slecht. Er wordt gesproken over een jobverlies van 1.000 banen dit jaar, met daarbovenop een tijdelijk jobverlies voor 4.000 mensen bij de KMO’s. Er zouden ook jobs op de helling staan bij studiebureaus, producenten van betonnen rioleringen en hun leveranciers. De reden hiervoor is dat de vertraging bij de uitbouw van het rioleringsnet te snel oploopt.

Volgens de federatie lag het aantal opgeleverde werken in 2003 de helft lager dan in 2002. Dit jaar zou dat aantal nog lager liggen. Bovendien zijn er twijfels of het, met het budget voor 2004 van 155,2 miljoen euro, haalbaar is om de knelpunten weg te werken. Het gaat meer bepaald over de haalbaarheid van de terugname van de participatie bij de Vlaamse Milieuholding, en het feit dat de middelen van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven slechts eenmalig zijn.

De federatie vraagt de verhoging van de Vlaamse investeringen tot 215 miljoen euro, een versnelling en vereenvoudiging van de subsidiëringsprocedure voor de aanleg van gemeentelijke rioleringen, het verlagen van het BTW-tarief van 21 naar 6 percent, een beperking en vereenvoudiging van de toenemende administratieve verplichtingen en meer aandacht voor de renovatie van de bestaande rioleringen.

Mijnheer de minister, twee weken geleden was het Vlario-dag. De meerderheid kon daar niet aanwezig zijn, omdat we in het parlement moesten zijn. Er was wel iemand van CD&V, en iemand van uw kabinet aanwezig. Ik heb reacties gehoord van zowel de producenten, de administratie als Aquafin. We moeten oppassen wat we als politici, meer bepaald als vertegenwoordiger van de minister, vertellen aan de 800 tot 900 mensen die in Vlaanderen het waterprobleem zouden moeten oplossen. Mijnheer de minister, het verhaal dat door uw medewerker werd gebracht – en ik denk dat dit door u politiek wordt gedekt –, wordt tegengesproken door de realiteit, deels door de administratie en deels door de feiten.

Het is een problematiek die me zeer na aan het hart ligt. Het moet duidelijk zijn wat er is, en wat er niet is. De sector wil ook weten wat ze mag verwachten. Op basis van de vastgelegde subsidiëring kan per jaar worden berekend hoe groot de investeringen en de aanbestedingen zullen zijn. Dit heeft implicaties voor de aanwerving van personeel en de aankoop van materiaal. De sector wil een beleidslijn zien. Objectief gezien, zonder te overdrijven, wekte de toelichting van de vertegenwoordiger van de minister een eigenaardige indruk. Er werden twee verschillende verhalen verteld over dezelfde materie.

Mijnheer de minister, kunt u de garantie geven dat, volgens het huidige investeringsritme, de doelstellingen van de kaderrichtlijn Water zullen worden gehaald binnen de gestelde termijn? Kunt u garanderen dat het voor 2004 geplande investeringsbedrag van 155,2 miljoen euro voor gemeentelijke rioleringen wordt gehaald, en ook effectief zal worden besteed? Is het de bedoeling om het investeringsritme de volgende jaren aan te houden of te verhogen?

De subsidiëringsprocedure voor gemeentelijke rioleringen is zeer tijdrovend, waardoor veel gemeenten afhaken. Mijnheer de minister, zult u op korte termijn maatregelen nemen om deze procedure te verkorten en te vereenvoudigen? Zo ja, welke?

Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot het realiseren van de BTW-regeling van 6 percent?

Mijnheer de minister, het is belangrijk dat de mensen binnen de administratie, Aquafin, de gemeenten en de provincies op dezelfde lijn zitten, en correct worden geïnformeerd.

De heer Van Dijck heeft het woord.

De heer Kris Van Dijck : Mijnheer de minister, mijn vragen liggen in het verlengde van de vragen van de heer Lachaert.

Ik bekijk de problematiek vanuit twee invalshoeken : het beleid inzake waterzuivering, en de problematiek van de tewerkstelling in deze sector. Die sector wordt soms smalend omschreven als ‘de betonboeren’. Dat heeft meestal een negatieve bijklank. In deze zaak gaat het over betonboeren die betonnen buizen leggen. Dat is dus wel een nobel doel.

Vorig jaar heb ik aan voormalig minister Sannen vragen om uitleg gesteld omdat voor bijna 500 miljoen euro aan uitvoeringsklare dossiers muurvast zaten omwille van administratieve redenen. Ik verwijs naar de vraag en het antwoord van toen. Voormalig minister Sannen nam ook initiatieven waarbij veel dossiers werden gedeblokkeerd of versneld werden uitgevoerd. Negen maanden later nam ik met verbazing kennis van een artikel in de Bouwkroniek met de titel :‘Water aan de lippen van betonfabriek door gebrek aan rioleringswerken’. Mijnheer de minister, in dat artikel werd het woord demagogisch gebruikt en werd geïnsinueerd dat de toestand niet zo problematisch was.

Ik heb mijn oor te luisteren gelegd bij de sector. Als het goed is, wordt het niet rondgebazuind ; als het slecht gaat, dan wordt er geklaagd. Ik stel vast dat bedrijven het heel moeilijk hebben.

Een en ander moet worden gezien in het tijdspad dat voor ons ligt. We mogen ervan uitgaan dat we de Europese richtlijn, een zuiveringsgraad van 80 percent in 2005 en van 100 percent in 2015, niet zullen halen. In dat geval hangen ons dwangsommen boven het hoofd. Elke euro dwangsom is weggegooid geld en kunnen we beter investeren in die riolering.

Statistieken tonen aan dat van 2001 tot 2003 het aantal aanbestede buizen in ton is gehalveerd. Er zijn 700 aanvraagdossiers voor rioleringssubsidie in behandeling voor een bedrag van ongeveer 650 miljoen euro, terwijl er voor 2004 nog geen enkel subsidieprogramma werd goedgekeurd. Andere bronnen melden dan weer dat Aquafin voldoende middelen heeft om te investeren. Aquafin doet echter geen aanbesteding omdat werken vaak gekoppeld zijn aan gemeentelijke dossiers die dus vastzitten. Het resultaat is een algemeen immobilisme met ernstige gevolgen voor de waterkwaliteit, voor de dreigende Europese dwangsommen, voor de tewerkstelling in de wegen- en rioleringbouwsector, en voor de blijvende dreiging van overstromingen.

Mijnheer de minister, kunt u de juiste cijfers geven over het aantal dossiers dat in de pijplijn zit? Hoe verklaart u dat er nauwelijks of niet wordt aanbesteed? Op welke manier denkt u uit deze impasse te geraken? Welke initiatieven zult u nemen om de procedure voor subsidiëring te vereenvoudigen en te versnellen? Is het mogelijk om de beoordelingstermijn van dossiers en de toekenningstermijn van voorschotten, nu respectievelijk 170 en 60 dagen, te verkorten?

Het BTW-tarief voor rioleringswerken is in Vlaanderen 21 en in Wallonië 6 percent. Op welke manier zult u die ongelijkheid, waarvan Vlaamse steden, gemeenten en bedrijven de dupe zijn, wegwerken? Hoever staat het met de geplande verkoop van de VMW-aandelen waarvan de opbrengst volgens voormalig minister Sannen kan worden benut om extra te investeren in rioleringen? Klopt het gerucht dat de meeropbrengst van de verkoop van die aandelen – toen geschat op 50 miljoen euro en nu geraamd op 120 miljoen euro – zal worden benut voor de meerkosten aan de werken van de Leien in Antwerpen en derhalve niet voor het rioleringsprogramma? Hebt u zicht op de investeringsprogramma’s op lange termijn van Aquafin?

De voorzitter :Minister Tavernier heeft het woord.

Minister Jef Tavernier : Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik zal een uitgebreid antwoord geven op de vragen. Ik wil hierbij ook wijzen op de nuances in het antwoord, want ik heb de indruk dat antwoorden niet altijd correct worden geïnterpreteerd. Soms bestaat er onduidelijkheid over de gebruikte termen, zoals bijvoorbeeld ‘vastleggingskredieten’. Ik heb de indruk dat hierin de verklaring te zoeken is voor de schijnbare tegenstelling tussen standpunten of antwoorden van de vertegenwoordiger van de minister en van administraties enerzijds en die van Aquafin anderzijds. Ik zal alleszins proberen de kwestie te verduidelijken met dit vrij uitgebreide antwoord.

Het is zo dat de kaderrichtlijn water bepaalt dat het oppervlaktewater tegen 2015 een goede waterkwaliteit moet behalen. Naast de kaderrichtlijn water is er ook de richtlijn stedelijk afvalwater, die een aantal prioriteiten aangeeft en die stelt dat in de grootste agglomeraties reeds een collectieve zuivering in werking moet zijn. Voor de kleinere agglomeraties moet de zuivering en de collectering worden uitgebouwd tegen 2005.

– De heer Jacques Timmermans treedt als voorzitter op.

Voor lozingen in agglomeraties kleiner dan 2.000 inwonersequivalenten bepaalt de richtlijn dat in een afdoende behandeling moet worden voorzien. Momenteel zijn alle projecten in het kader van de richtlijn stedelijk afvalwater opgenomen in een bovengemeentelijk investeringsprogramma. In de toekomst zullen eventuele investeringsprogramma’s zich dus moeten richten op optimalisaties en renovaties.

Het is duidelijk dat de gemeenten hierbij een grote verantwoordelijkheid dragen. De uitvoering van een aantal bovengemeentelijke projecten heeft immers slechts zin indien de gemeenten hun verantwoordelijkheid opnemen. Het is daarbij geen oplossing om voor de financiering volledig terug te vallen op het gewest. De gemeenten zullen enerzijds moeten zoeken naar nieuwe aanvullende financieringsmogelijkheden en anderzijds naar mogelijkheden om op een goedkopere manier rioleringen aan te leggen.

De grote uitdaging ligt thans dus vooral in het aanpakken en het saneren van het gebied dat niet onder de specifieke bepalingen van de richtlijn stedelijk afvalwater valt. Het gaat hier meer bepaald om het ‘buitengebied’, waar de waterkwaliteit moet worden verbeterd door de scheiding van afvalwater en hemelwater en door de behandeling in kleinschalige installaties.

Dan wil ik het hebben over de begroting. In de begroting van het MINA-fonds werd voor 2004 in een bedrag voorzien van 66,75 miljoen euro voor de aanleg van rioleringen. Daarbovenop werd via decreetsbepaling nog eens 13,721 miljoen euro van te annuleren kredieten herbestemd voor rioleringen. Aanvullend hierbij werd een extra budget van 50 miljoen euro ingeschreven, afkomstig van de verkoop van de aandelen van de Vlaamse Milieuholding. Dat betekent dat er voor 2004 een totaalbudget van 130,471 miljoen euro is ter subsidiëring van de gemeentelijke rioleringen. Daarnaast werd er op de begroting Mobiliteit in een bedrag van 25 miljoen euro voorzien voor de aanleg van rioleringen bij de sanering van zwarte punten.

De voorziene middelen blijken voldoende te zijn om alle projecten waarvoor het voorontwerp tot op heden reeds werd goedgekeurd in de ambtelijke commissie, in 2004 vast te leggen. Waarschijnlijk is dat wat mijn medewerker heeft gezegd : voor de projecten waarvan het voorontwerp reeds is goedgekeurd in de ambtelijke commissie, bestaat er geen financieringsprobleem. Natuurlijk ligt dat anders voor de andere projecten. Er zal dus ook in de komende jaren nog een belangrijk budget moeten worden vrijgemaakt, maar dat is de opdracht van de volgende regering.

De heer Lachaert heeft gewezen op de lange duur van het goedkeurings- en het vastleggingsproces. Ik stel echter vast dat het vooral de onzekerheid is over het al dan niet verkrijgen van een subsidie – en dus het opgenomen worden in een goedgekeurd programma – en over het jaar waarin die subsidie zal worden bekomen, die als een probleem wordt ervaren. Die onzekerheid is te wijten aan het feit dat veel rioleringsdossiers niet onmiddellijk kunnen worden goedgekeurd omdat gemeentelijke gegevens ontbreken of omdat het technisch ontwerp, zoals het door de gemeente werd ingediend, niet voldoet.

Om deze problemen op te lossen, ben ik voorstander van het invoeren van een systeem met trekkingsrechten voor de gemeenten. Gemeenten weten dan vooraf hoeveel kredieten hun ter beschikking staan. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat de projecten ook aan bepaalde criteria zullen moeten voldoen om gebruik te kunnen maken van de trekkingsrechten. Nu stellen gemeenten zich vaak de vraag waarom ze hun plan goed zouden uitwerken en zoveel geld zouden investeren, terwijl ze niet zeker zijn van subsidies. Omgekeerd is het echter ook zo dat gemeenten geen geld krijgen als hun plan niet goed is uitgewerkt. Het zou dus een goede zaak zijn om te komen tot een systeem met trekkingsrechten.

Wat de BTW betreft, moet ik u spijtig genoeg meedelen dat we niet opschieten. De Vlaamse regering, en meer bepaald minister Van Mechelen, heeft al verschillende pogingen gedaan om dit probleem aan te kaarten en er een oplossing voor te bekomen, via de aanpassing van het tarief van het KB20. Spijtig genoeg wil de federale regering daar niet op ingaan, ondanks de afspraken die hierover zijn gemaakt. U weet ook dat dat tarief gebonden is aan de structuur, aan de juridische rechtspersoon van degene die het dossier indient of die de werken uitvoert. Daardoor ontstaat er iets als een communautaire of een regionale discrepantie.

Als het federale niveau het tarief niet wil aanpassen, zullen we volgens mij een aangepaste structuur moeten opbouwen, waarbij de facturatie van Aquafin bijvoorbeeld gebeurt via de drinkwatermaatschappijen. Als het federaal niet wordt geregeld, moeten we het regelen via een dergelijke constructie. Het zou beter zijn als de situatie voor iedereen duidelijk is, maar dat ligt niet in onze handen. De bevoegde Vlaamse ministers, in eerste instantie de minister van Begroting, hebben hiervoor al heel wat inspanningen gedaan.

Mijnheer Van Dijck, de cijfers uit de Bouwkroniek moeten worden aangepast, want er worden een aantal zaken geïnterpreteerd op een manier die de sector het best past. Noch de Europese richtlijn over stedelijk afvalwater, noch de Europese kaderrichtlijn water, verplichten Vlaanderen tot een centrale zuiveringsgraad van 80, respectievelijk 100 percent. Deze cijfers werden door een aantal belanghebbenden in de waterzuiveringssector in het leven geroepen, en blijven hardnekkig de ronde doen, alhoewel ze door verschillende fora zijn tegengesproken.

De investeringen, die noodzakelijk zijn om tegen eind 2005 te voldoen aan de verplichtingen van de richtlijn over stedelijk afvalwater, zijn gekend. Alle noodzakelijke bovengemeentelijke investeringsprojecten werden reeds aan Aquafin opgedragen. De uitvoering hiervan moet zo spoedig mogelijk gebeuren.

Inzake de uitvoering van de kaderrichtlijn water zal pas in de loop van de komende jaren meer inzicht worden verworven over de aard van de te nemen maatregelen. Deze kaderrichtlijn verplicht de lidstaten om inspanningen te leveren, om tegen 2015 een goede toestand van het oppervlaktewater te hebben. De te nemen maatregelen situeren zich op verschillende domeinen. De behandeling van het huishoudelijk afvalwater is slechts één maatregel. Het vooropstellen van een verplichte zuiveringsgraad van 100 of 98 percent, met de hiervan afgeleide enorme investeringen, is voorbarig. We kunnen begrijpen dat de betonsector dit graag wil, maar in de kaderrichtlijn staat geen zuiveringsgraad van 100 percent.

Het aantal geformuleerde aanvragen voor subsidiëring van gemeentelijke projecten overschrijdt de jaarlijks beschikbare subsidiëringskredieten. Het subsidiebesluit werd echter opgesteld om het waterbeleid te sturen, en mag niet louter worden gezien als een financieringsinstrument.

De voorzitter : Dat is in tegenstrijd met uw eerste bedenking.

Minister Jef Tavernier :Vandaar dat we misschien beter het systeem aanpassen. Door de significante stijging, bijna een verdubbeling, van de raming van de voorontwerpen ten opzichte van de raming van de aanvragen, is er een tijdelijk probleem voor de vastleggingskredieten. Om de budgettaire tekorten voor de vastlegging van subsidies niet verder te vergroten, werd de opmaak van de subsidieprogramma’s tijdelijk stopgezet. Er werd voor 2004 geen programma opgemaakt. Alle goedgekeurde voorontwerpen zijn wel in orde.

Door de budgettaire inspanningen konden tegen eind 2003 217 dossiers, voor een totaal van 96,3 miljoen euro, worden vastgelegd. Hierdoor is de achterstand voor de vastleggingen volledig weggewerkt.

Ondertussen werden reeds 142 projecten, voor een bedrag 73,2 miljoen euro, overgemaakt aan de afdeling Water, voor vastlegging van de subsidies voor 2004.

Het totale bedrag van de door de ambtelijke commissie goedgekeurde projecten, ligt lager dan het momenteel beschikbare krediet. Dit betekent dat de achterstand is weggewerkt. Het resterende krediet wordt aangewend voor de vastlegging van dossiers die nog in de loop van 2004 zullen worden goedgekeurd. Gemeenten die werk maken van een dossier, zullen nog dit jaar een vastlegging krijgen. Op relatief korte termijn kan een groot aantal dossier worden aanbesteed.

Uit de evaluatie van de subsidiëringsprogramma’s blijkt dat veel gemeenten hun project, ook na vastlegging van de subsidies, plotseling voor onbepaalde tijd uitstellen. Dit is onder meer te merken aan de discrepantie tussen de vastleggingskredieten en de veel geringere totale som gevraagde voorschotten en saldi. Er werden ook reeds talrijke vragen tot uitstel van de aanbestedingstermijn voorgelegd aan de ambtelijke commissie. De redenen hiervoor moeten worden gezocht bij de gemeentelijke overheden, en zijn waarschijnlijk heel divers.

Om de aanleg van de rioleringen te versnellen, werden de reguliere kredieten ter subsidiëring van de gemeentelijke rioleringen systematisch verhoogd. In 1996 was hiervoor 25 miljoen euro ingeschreven. In 2004 gaat het om 67 miljoen euro. Naast de reguliere kredieten was er de eenmalige verhoging van de beschikbare subsidiëringskredieten om de opgebouwde achterstand bij de vastlegging weg te werken. Op het niveau van de vastleggingskredieten worden projecten niet langer afgeremd. Het al dan niet uitvoeren van projecten blijft uiteraard ook tot de gemeentelijke autonomie behoren.

De huidige subsidiëringsprocedure geeft een correct beeld van de doelstellingen van het integraal waterbeheer. Hierbij zijn de ecologisch meest waardevolle projecten zoals volledig gescheiden stelsels, afkoppelingsprojecten en projecten met een grote vuilvracht, prioritair.

Gelet op de negatieve ervaringen uit het verleden, bijvoorbeeld met het creëren van nieuwe lozingspunten en de aansluiting van verharde oppervlakten, blijft het waarborgen van de kwaliteit in alle stadia van het project onontbeerlijk. Ik sta open voor voorstellen tot vereenvoudiging, voor zover niet wordt geraakt aan de gestelde doelstellingen.

De huidige procedure beloont de gemeenten met een kwalitatief goed dossier. Hoe beter en vollediger het dossier, hoe korter de termijn waarin de subsidieprocedure kan worden doorlopen.

Het is niet zo dat de termijnen van het subsidiebesluit steeds maximaal worden benut door de administratie. Sommige gemeenten slagen erin om hun dossier, als het goed is, op korte termijn te laten goedkeuren. Dit heeft dikwijls te maken met de goede opvolging en coördinatie vanuit de gemeente.

De verkoop van de VMW-aandelen (Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening) werd inderdaad losgekoppeld van de beschikbaarheid van de kredieten voor rioleringen. Omdat de verkoop niet op korte termijn kon gebeuren, zal de opbrengst van deze aandelen niet ingeschreven worden voor rioleringen. De extra middelen die in 2003 en 2004 zijn ingeschreven voor rioleringen, werden op een andere manier gefinancierd. Zodoende had deze loskoppeling geen negatief effect op het aantal vastgelegde rioleringsdossiers.

Het is vooral belangrijk te letten op de nuances van de verklaringen. Voor de vastleggingskredieten en de goedgekeurde voorontwerpen zijn er geen problemen. Voor nieuwe zaken moet nog een afweging worden gemaakt.

De voorzitter : De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : De goedgekeurde gemeentelijke projecten zijn in orde. Voormalig minister Dua heeft in een ministerieel besluit bepaald hoeveel subsidie daarvoor wordt toegekend. Sommige projecten blijven echter hangen. Daarover ontstaat dan wrevel en discussie. Voor een werk van 2,5 jaar dat 250 miljoen euro kost, moet mijn gemeente bijvoorbeeld weten of en wanneer ze de subsidie van 90 miljoen euro van het Vlaams Gewest zal krijgen.

Ik vraag me wel af of alle gemeentelijke projecten al op een programma staan. Er werd me verteld dat er nog 270 projecten in een programma moeten worden ingeschreven. U zegt dat er dit jaar 128 projecten in orde zullen komen. Mijnheer de minister, ik begrijp uw uitleg, maar voor een gemeentebestuur is het niet gemakkelijk om te horen dat zijn project niet in een programma zit.

Ik ga akkoord met de trekkingsrechten op voorwaarde dat er eerst een hydronautische en hydrologische studie gebeurt in de gemeenten, omdat de prioriteiten pas daarna kunnen worden vastgesteld. Een straat en de onderliggende riolering pas herstellen als de straat niet meer goed is, zoals we 20 jaar geleden deden, getuigt van een slechte politiek. Dat gaf aanleiding tot wateroverlast. We moeten eerst plannen maken en dan over financiering en eventueel over trekkingsrechten praten. Sommige gemeenten doen er niets aan en andere maken er werk van.

Het probleem van de ongelijke BTW moeten we oplossen in een legale structuur, zodat Vlaanderen en Wallonië evenveel betalen. Op dat vlak is Wallonië altijd wat inventiever.

Minister Jef Tavernier :We hebben geprobeerd om inventief te zijn in onze structuren, maar met de BTW hebben we het deksel op de neus gekregen.

De heer Kris Van Dijck : De moraal van het verhaal is dus dat we niet altijd inventief mogen zijn.

Mijnheer de minister, denkt u dat we met het bestaande investeringsprogramma de doelstellingen zullen halen? Dat is de hoofdbekommernis voor deze legislatuur maar ook voor later. Moeten we bijsturen of op dezelfde manier voortwerken?

Minister Jef Tavernier : De volgende legislatuur zal een evaluatie moeten maken van de situatie en keuzes moeten maken van soorten waterzuiveringsinstallaties. Vroeger stopten we alles in buizen en voerden het via de riolering af naar waterzuiveringsinstallaties. Daar zijn we gelukkig van afgestapt. We proberen het hemelwater en het afvalwater te scheiden. We zullen investeringen in dat kader herbekijken. De vastleggingskredieten zijn op dit moment eenmalig. Het volgende parlement zal zich moeten buigen over het investeringsritme.

Mijnheer Lachaert, u moet mijn antwoorden op de 2 vragen samen lezen om een volledig beeld te krijgen. Ik ga grotendeels akkoord met de bedenkingen die u maakt over de trekkingsrechten. Die moeten worden gemoduleerd in functie van de prioriteiten en van de noden van een gemeente.

De voorzitter : Het incident is gesloten.