Vraag om uitleg

 

 

Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Jef Tavernier, Vlaams minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, over gezondheidsproblemen veroorzaakt door ozon en de gevolgen van het protocol van Göteborg en de NEC-richtlijn


Nr. 578 (2003-2004)
behandeld op 11-03-2004

 
 

De voorzitter : De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, onlangs maakte de VMM bekend dat in 2003 één op de vijf dagen schadelijk was voor de gezondheid. De hoeveelheid ozon in de lucht lag 74 dagen boven de normale waarde, vooral tijdens de zomer. De overlast voor de volksgezondheid zou vijf keer hoger hebben gelegen dan in 2002. Ozon blijkt de luchtwegen aan te tasten met ernstige hinder voor de ademhaling. Gemiddeld zou men 10 percent minder kunnen ademen als er te veel ozon in de lucht aanwezig is.

De Vlaamse administratie Volksgezondheid rapporteert op haar beurt dat tijdens de hittegolf van augustus 2003, 99 meer doden vielen dan verwacht. Het effect van de hittegolf wordt samen met ozonpieken als voornaamste oorzaak naar voren geschoven. Opvallend is immers dat een ozonpiek tijdens deze periode telkens een dag later wordt gevolgd door een sterftepiek.

De voornaamste oorzaken van deze overlast zijn het verkeer en de industrie. Ozon ontstaat immers door de aanwezigheid van stikstofoxiden. De reductie ervan wordt vastgelegd in het protocol van Göteborg ter bestrijding van de verzuring, eutrofiëring en ozon op leefmilieu uit 1999 dat door België werd ondertekend. De Vlaams regering keurde trouwens onlangs een ontwerp van decreet goed tot instemming met dit protocol. Daarnaast is de zogenaamde NEC-richtlijn van 23 oktober 2001, die de nationale emissieplafonds vastlegt, van groter belang, aangezien de richtlijn ambitieuzere doelstellingen heeft dan het protocol. Deze richtlijn legt immers emissieplafonds vast tegen 2010 voor onder meer SO2 en NOx die voor België een respectieve reductie van min 73 percent en min 48 percent tegenover de uitstoot van 1990 betekenen.

In het kader van deze verplichtingen en gezien de blijkbaar hoogdringende gezondheidsproblemen, ligt het voor de hand dat dringend maatregelen noodzakelijk zijn. Mijnheer de minister, ik had daarom graag antwoord op volgende vragen. In welke maatregelen en binnen welke termijn voorziet u om een dergelijke reductie op korte termijn te realiseren en dan vooral ten aanzien van de industrie en het verkeer? Gaat het enkel om beperking van uitstoot of wordt ook in infrastructurele maatregelen voorzien? In welke maatregelen voorziet men op korte termijn om de gezondheidsrisico’s voor de bevolking te verminderen? Werd reeds een verdeling van de inspanning over de gewesten heen uitgewerkt? Zo ja, hoe ziet deze er dan uit? Zo neen, zal dit nog gebeuren? Wat zal de verdeling van de reductie-inspanning zijn over de diverse sectoren? Werden hierover al gesprekken gevoerd met de sectoren? In hoeverre passen deze inspanningen in het instrument van de MBO?

Het Franse parlement heeft een onderzoekscommissie ingesteld naar aanleiding van het feit dat er in Parijs zoveel meer overlijdens waren dan de voorgaande jaren. Het ging over ongeveer 15.000 tot 16.000 mensen. De onderzoekscommissie is tot conclusies gekomen. Het zou interessant kunnen zijn om de verslagen van deze onderzoekscommissie op te vragen. Dit zeg ik louter ter informatie.

De voorzitter : Minister Tavernier heeft het woord.

Minister Jef Tavernier : Mijnheer Lachaert, ik dank u voor uw interesse Vlaanderen heeft een emissiereductieprogramma voor SO2, NOx,VOS en ammoniak. Het werd op 12 december van vorig jaar door de Vlaamse regering goedgekeurd. Over dit programma heeft mijn administratie vorige week hier in het Vlaams Parlement een symposium georganiseerd.

In het emissiereductieprogramma dat werd opgesteld naar aanleiding van de NEC-richtlijn, worden zowel voor industrie, verkeer als de huishoudens en tertiaire sectoren maatregelen voorgesteld. Sommige hiervan zijn al zeer concreet uitgewerkt, terwijl andere op dit moment enkel in hoofdlijnen beschreven zijn. Voor de industrie gaat het voornamelijk om technische maatregelen die gericht zijn op het reduceren van de emissies. Voor verkeer, dat verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de NOx-emissies in Vlaanderen, worden in het reductieprogramma zowel technische als infrastructurele maatregelen weerhouden. Deze maatregelen sluiten aan bij het Mobiliteitsplan Vlaanderen, waarin maatregelen worden uitgewerkt die gericht zijn op wijzigingen in zowel het verplaatsings- als het rijgedrag. Als het volume van het verkeer blijft toenemen worden die maatregelen natuurlijk weer tenietgedaan.

In dit reductieprogramma worden zowel maatregelen op korte als op middellange termijn beschreven. Maatregelen op korte termijn zijn bijvoorbeeld een verstrenging van de emissiegrenswaarden voor stookinstallaties en raffinaderijen. We hebben daartoe vorige week in de ministerraad de omzetting van een Europese richtlijn goedgekeurd. Het afsluiten van een MBO met de elektriciteitssector werd als tweede maatregel principieel goedgekeurd. Een toegankelijke brochure met een overzicht van alle geplande maatregelen is te verkrijgen bij Aminal, sectie Lucht of via www.vlaanderen.be/lucht.

De gezondheidsrisico’s worden in de eerste plaats verminderd door het milieuprobleem aan te pakken en dus door de uitstoot van luchtverontreinigende polluenten te verminderen. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk een gezond leefmilieu is voor onze eigen gezondheid.

Ten tweede is het belangrijk om de mensen tijdig en correct te informeren over de risico’s. Hiervoor beschikt de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu, de Ircel, over modellen die toelaten de ozonconcentraties in de lucht te voorspellen. De oorzaken gaan lang vooraf aan die concentraties : dat maakt de bestrijding moeilijk. Het ligt in de menselijke aard om te reageren op een onmiddellijke dreiging, maar niet op iets wat verderaf ligt.

De opvolging van de vervuiling van de omgevingslucht door ozon gebeurt op 3 niveaus : informatie die het hele jaar door wordt verstrekt, extra informatie die tijdens de zomer van 1 april tot 30 september ter beschikking wordt gesteld en supplementaire informatie en communicatie tijdens periodes van verhoogde luchtverontreiniging door ozon. Deze informatie – evenals historische gegevens – is beschikbaar op de Ircel website : http://www.irceline.be. De gemeten ozonwaarden worden eveneens via de massamedia verspreid, zeker op alarmmomenten.

Als ozonmaatregelen overwogen worden, is het belangrijk om te weten dat zomerozon slechts kan worden bestreden met behulp van structurele en langdurige maatregelen, die tevens op een grote ruimtelijke schaal worden doorgevoerd.

Op de interministeriële conferentie Leefmilieu van 16 juni 2000 werden de Belgische emissieplafonds opgesplitst in 4 subplafonds : één Belgisch cijfer voor de emissies van de transportsector en drie plafonds voor de overige stationaire bronnen van elk van de gewesten. Daar bestaat een tabel van die ik ter beschikking zal stellen.

De plafonds voor stationaire bronnen werden indicatief verdeeld onder de verschillende industriële sectoren en de huishoudelijke en tertiaire sector. Deze indicatieve verdeling, welke is opgenomen in het reductieprogramma, gebeurde op basis van gesprekken met vertegenwoordigers van de verschillende sectoren. Sinds het vaststellen van deze indicatieve plafonds kwam reeds heel wat nieuwe informatie beschikbaar, onder meer door verschillende sectorstudies. We hebben blijkbaar een proces op gang gebracht. Niet alles gebeurt van bovenaf. Bij de besprekingen met de sectoren over nieuwe maatregelen zijn deze sectorstudies het basisdocument en de indicatieve sectorale plafonds het kader. De verdeling over de sectoren en alle onderbouwende gegevens vindt u eveneens terug in de bovenvermelde brochure.

Om de doelstellingen te bereiken wordt een mix van beleidsinstrumenten ingezet. Eén maatregel is onvoldoende. Er zijn zowel wijzigingen aan de Vlarem-wetgeving gepland, als milieubeleidsovereenkomsten, als sensibiliseringsacties en de inzet van economisch instrumentarium. Dat is een mooie term voor heffingen en belastingen en subsidies en stimuli.

De voorzitter : De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik heb begrepen dat het ozonprobleem niet stopt bij de landsgrenzen. Het is een Europese kwestie. We krijgen zelfs ozon van ver buiten de landsgrenzen. Ik heb daar niet echt zicht op. Bestaan daar cijfers over? Kunt u mij die bij gelegenheid eens bezorgen?

Minister Jef Tavernier : Ik kan u die informatie bezorgen. Het Europees Parlement neemt de zaak zeker ter harte, vandaar de Europese NEC-richtlijnen en het protocol van Göteborg. We leveren heel wat inspanningen. Er wordt zelfs gezegd dat we te veel vooruitlopen. Ik denk van niet. De vervuiling is erg genoeg. Bovendien leven we in een dichtbevolkt gebied met een industriële concentratie en zeer veel verkeer. Voor onze eigen gezondheid zou het misdadig zijn als we niet ten minste realiseren wat Europa voorstelt en zelfs nog een stapje verder gaan.

De voorzitter : Het incident is gesloten.