Vraag om uitleg

 

 

Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, en tot de heer Paul Van Grembergen, Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid, over de afbakening van de stedelijke gebieden


Nr. 834 (2001-2002) behandeld op 16-05-2002

 
 

 

De voorzitter : Aan de orde zijn de samengevoegde vragen om uitleg van de heer Lachaert tot de heer Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, en tot de heer Van Grembergen, Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid, over de afbakening van de stedelijke gebieden, en van de heer Decaluwe tot minister Van Mechelen, over de afbakening van de stedelijke gebieden.

De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, naar aanleiding van de afbakening van de grootstedelijke gebieden en van de regionaal-stedelijke gebieden, in uitvoering van het RSV (Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen) rijzen bij heel wat gemeentebesturen vragen, vooral bij gemeenten die grenzen aan deze groot- en regionaalstedelijke gebieden.

Deze vragen krijgen geen antwoord in de bepalingen van het richtinggevend gedeelte of in de bindende bepalingen van het RSV en evenmin in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. In het RSV vinden we algemene bepalingen. In hoofdstuk 3. Gewenste ruimtelijke structuur (deel 2 RSV) staan er wel algemene principes inzake stedelijke gebieden en bepalingen over selectie en afbakening van de stedelijke gebieden, maar niets over concrete aspecten die bij heel wat besturen leven.

Zo heeft het RSV het in punt 3.1.2. (deel 2, hoofdstuk 3 RSV)over een algemene benadering van de stedelijke gebieden. Deze benadering gebeurt voornamelijk vanuit een beleidsmatig oogpunt of vanuit de vaststelling dat er beleidsmatige motieven zijn om een gebied als stedelijk af te bakenen. Daar wordt een beleid van ontwikkeling, concentratie en verdichting, steeds met respect voor de draagkracht van het stedelijk gebied, gevoerd. Het beleid zal focussen op het aanbod van bijkomende woningen in een kwalitatieve woonomgeving. Het zal eveneens voorzien in ruimte voor economische activiteiten, het stedelijk functioneren versterken en andere vormen van mobiliteit stimuleren.

Dit beleid is essentieel om verdere uitzwerming, lintbebouwing en wildgroei van activiteiten in het buitengebied te vermijden. De grenzen van het stedelijk gebied worden onder meer bepaald door de reeds bestaande bebouwing, de visie op de ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken stedelijk gebied en door de bereikbaarheid.

Onder punt 3.1.2. wordt specifiek ingegaan op het afbakeningsproces. De afbakening laat toe om binnen de grens van het stedelijk gebied de kwalitatieve en kwantitatieve behoeften op te vangen. De grens van het stedelijk gebied heeft een beleidsmatige betekenis, namelijk een 'stedelijkgebiedbeleid' versus een 'buitengebiedbeleid'. Er wordt duidelijk gesteld dat de grens aan het stedelijk gebied niet zal overeenstemmen met de administratieve gemeentegrens.

Nochtans kan het afgebakend stedelijk gebied geen nieuwe bestuurlijke entiteit zijn die in de plaats treedt van de bestaande bestuursniveaus, maar biedt het een ruimtelijk referentiekader voor concrete acties inzake het ruimtelijk beleid voor stedelijk gebied. Dit zijn vrij algemene en vage elementen waarmee de gemeenten de afbakening van stedelijke gebieden moeten realiseren. De gemeentebesturen stellen daar veel vragen over. Zij vrezen dat de realisatie van een aantal stedelijke en grootstedelijke functies een negatieve impact zal hebben op de woon- en leefkwaliteit van de gemeenten die grenzen aan het betrokken stedelijk gebied. Verder rijst de vraag of de gemeentelijke autonomie volledig gerespecteerd zal blijven. De gemeenten vrezen ook dat bovengemeentelijke beleids- of adviesstructuren, waarin de randgemeenten numeriek zwakker zijn vertegenwoordigd, het beleid inzake ruimtelijke ordening in de betrokken randgemeenten zullen bepalen. Er wordt ook gewacht op een duidelijke en ondubbelzinnige inventaris van de voor- en nadelen van de toetreding tot het stedelijk gebied.

Vooral het ontbreken van vastliggende nadelen, bijvoorbeeld de verplichte woondichtheid, is een doorn in het oog van vele lokale besturen. Het bemoeilijkt zeer sterk het besluitvormingsproces. Het afbakeningsproces zou op termijn invloed hebben op andere beleidsdomeinen zoals leefmilieu, mobiliteit of huisvesting. Het is bovendien niet gebonden aan administratieve gemeentegrenzen en zou dan een beleid met twee snelheden tot gevolg kunnen hebben ten voordele van de stedelijke gebieden en ten nadele van het buitengebied.

Het geven van een rechtszeker antwoord op deze vragen zal bepalend zijn voor de houding en de medewerking van de lokale besturen bij het realiseren van de instelling van het RSV. Er zijn gemeenten, zoals Lochristi, die al hebben afgehaakt.

Indien zou blijken dat een bijsturing nodig is, dan kan de Vlaamse regering dit doen via een eerste evaluatie van het RSV, die in de loop van dit jaar moet gebeuren. Op die manier kan de Vlaamse regering kort op de bal spelen en de realisatie van het RSV verzekeren. Ik verwijs naar ongelukkige uitspraken van verschillende schepenen van alle partijen van grootsteden als Antwerpen en Gent, die aan die afbakening andere gevolgen geven dan wat in het RSV staat. Ik denk hierbij onder meer aan de fiscale aspecten.

Welke theoretische en praktische invulling wordt aan de begrippen grootstedelijk gebied en regionaal-stedelijk gebied in uitvoering van het RSV gegeven? Wat is de theoretische en de praktische invulling bij de daadwerkelijke afbakening ervan via de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen? Welke criteria zullen aangewend worden om grenzen aan te duiden? Daar kan blijkbaar niemand op antwoorden, ook de Afdeling Ruimtelijke Planning niet die anders alles weet. In hoeverre kunnen de grenzen van de ruimtelijke afbakeningen afwijken van de administratieve gemeentegrenzen? Wat zijn de implicaties van deze afbakening op het vlak van de ruimtelijke ordening voor de gemeenten, bijvoorbeeld via de toegestane quota inzake wonen en industrie? Welke gevolgen zullen deze afbakeningen hebben op de andere beleidsdomeinen zoals mobiliteit, milieu, fiscaliteit en huisvesting van de aangrenzende gemeenten?

De voorzitter : De heer Decaluwe heeft het woord.

De heer Carl Decaluwe : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de heer Lachaert klinkt niet bepaald enthousiast over de afbakening van de stedelijke gebieden. De gestelde vragen zijn pertinent, maar de antwoorden kunnen gedeeltelijk worden gegeven.

Dit is reeds mijn vierde vraag over stedelijke gebieden. Ik heb er ook schriftelijke vragen over gesteld. Veel gemeentebesturen vergelijken hun situatie met die van andere besturen. De timing van de afbakening is een cruciaal element voor de woon- en industrieterreinen. In Kortrijk bijvoorbeeld stijgen de grondprijzen spectaculair bij gebrek aan bouwgrond terwijl er voldoende woonuitbreidingsgebieden zijn. Deze woonuitbreidingsgebieden kunnen pas worden aangesneden op het ogenblik dat een woonbehoeftestudie is gemaakt. De hele administratieve procedure duurt lang. De cijfers zijn dan wel achterhaald, maar men zegt dan het opnieuw te proberen.

Eens de gebieden afgebakend zijn, kunnen de woonuitbreidingsgebieden niet worden aangesneden zonder woonbehoeftenstudie. Dat is het essentieel probleem. Ik dank de minister voor de tabellen over de eindafrekening die hij mij heeft gegeven. Vandaag is nog geen enkel stedelijk gebied definitief afgebakend, ook niet in Kortrijk. Kortrijk was, samen met Aalst en Mechelen, de eerste gemeente die de vraag heeft gesteld. Wij zijn vier jaar verder. Er is nog steeds geen afbakening gemaakt van het stedelijk gebied Kortrijk. Dit heeft uiteraard een heleboel negatieve effecten.

Intussen zegt de minister dat innovatieve processen impliceren dat de betrokken actoren soms pas in de loop van het proces de effectieve draagwijdte ervan kunnen inschatten. Ruimtelijke ordening is dynamisch en leidt tot veranderde inzichten. Dat is zeker juist. Dit betekent dat het proces wordt vertraagd. Ik neem dit wel aan, maar men kan na vier jaar blijven wijzigen. Op een bepaald ogenblik moeten we in het Staatsblad op het gewestplan kunnen zien hoe het stedelijk gebied is afgebakend. Dat is de essentie.

Bij de evaluatie van het RSV wordt gesteld dat 60 percent van de nieuwbouwwoningen in het stedelijk gebied moeten komen en 40 percent in het buitengebied. Hoe wordt dit geëvalueerd, als er geen stedelijke gebieden op de gewestplannen worden afgebakend?

Ik hoor in Kortrijk dat er door de Kamer van Koophandel veel wordt gelobbyd om het stedelijk gebied niet te laten goedkeuren omdat in onvoldoende industrieterreinen is voorzien. Ik denk dat dit correct is, maar het is niet goed dat men dit tracht tegen te houden. Als men het laat doorgaan, kan men immers een nieuw proces opstarten. West-Vlaanderen is een efficiënte regio. Van zodra de gewestplannen zijn vastgelegd, wordt er al gebouwd. Door te blokkeren maakt men de situatie ingewikkelder. Veel gemeentebesturen stellen zich vragen of ze er al dan niet bij zullen zijn. Dit is belangrijk om weten om een degelijk gemeentelijk structuurplan te kunnen opmaken. Intussen hebben wij het Provinciaal Structuurplan West-Vlaanderen. De onzekerheid hypothekeert vele gemeentelijke structuurplannen.

Welke oorzaak heeft deze vertraging? Ik heb de indruk dat de administratie daarbij een rol speelt. Niettegenstaande de bestaande consensus in het projectteam en in de streek, blijft een en ander aanslepen. Welke timing wordt voor de afbakening van het stedelijk gebied Kortrijk vooropgesteld? Zal het juli of augustus zijn, of nog het einde van het jaar? De gemeenten die met de problematiek worden geconfronteerd willen een duidelijk antwoord in het kader van de opmaak van hun eigen gemeentelijke structuurplannen.

Wat is de invloed van deze ernstige vertraging? Vier jaar is bijzonder lang. Het was oorspronkelijk de bedoeling er een goeie twee jaar aan te besteden. We zitten nu aan meer dan het dubbele. Wat is de invloed daarvan op de overige planningsprocessen?

De voorzitter : De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik heb in het verleden, net zoals vele collega's, schriftelijke en andere vragen gesteld over deze materie. Ik stel mijn aanvullende vraag uit bezorgdheid om de wijze waarop de afbakening van de stedelijke gebieden in de praktijk verloopt en waarop de gemeentelijke structuurplanning wordt uitgewerkt.

Er worden bijzonder grote verwachtingen gekoesterd als gevolg van de geregelde verklaringen van de bevoegde minister en van andere ministers, bijvoorbeeld over zonevreemde bedrijven, zonevreemde woningen of zonevreemde recreatieterreinen. Heel wat burgers krijgen steeds meer de indruk dat een probleem mits wat goede wil van de stad of de gemeente overmorgen opgelost kan zijn.

Wie de realiteit ten velde kent, weet dat het proces uitermate complex is en allesbehalve gemakkelijk en snel verloopt. Dat ligt niet aan de steden en gemeenten, maar veelal aan hogere bestuursniveaus, zoals de provincies die een heel belangrijke rol spelen bij de gemeentelijke structuurplanning door de provinciale structuurplannen. Voor de afbakening van de stedelijke gebieden is het uiteraard de administratie Ruimtelijke Ordening die een cruciale rol speelt.

Enkele dagen geleden verraste de minister-president mij met de verklaring dat het RSV moet worden herzien en bijgestuurd. De vraag is dan immers welke consequenties dat heeft voor de processen die nu aan de gang zijn. Zullen die allemaal worden stopgezet? Als er moet worden bijgesteld, zal dat ook gevolgen hebben voor de provinciale en de gemeentelijke structuurplanning en voor de afbakening van de stedelijke gebieden.

Ik vraag dus dat er minder grote verklaringen worden afgelegd, en dat het proces wat sneller vooruitgaat. Er moet meer duidelijkheid komen en meer daadkracht.

De voorzitter : Minister Van Mechelen heeft het woord.

Minister Dirk Van Mechelen : Mijnheer de voorzitter, collega's, de vragen van de heer Lachaert zijn nogal punctueel en hebben een precedentswaarde. Ik zal er dan ook uitgebreid op antwoorden, zodat de neerslag van het antwoord kan worden gebruikt waar nodig.

De heer Lachaert vroeg naar de theoretische en praktische invulling van de begrippen grootstedelijk gebied en regionaalstedelijk gebied in uitvoering van het RSV en naar de theoretische en praktische invulling bij de daadwerkelijke afbakening ervan via de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Stedelijke gebieden worden in het RSV gedefinieerd als gebieden in het stedelijk conglomeraat waar een intense ruimtelijke, culturele en sociaal-economische samenhang en verweving bestaat tussen de verschillende menselijke activiteiten zoals wonen, werken, recreatie, enzovoort, waar de dichte bebouwing overheerst en waar het wenselijk is ontwikkelingen te stimuleren en vooral te concentreren.

Het stedelijk gebied is een beleidsmatig begrip geïntroduceerd via het RSV, te hanteren in de ruimtelijke ordening, zoals een vogelrichtlijngebied een begrip is dat moet worden gehanteerd in het milieubeleid en dat daarbuiten geen consequenties heeft. Het begrip is geïntroduceerd met als doel een specifiek aanbodbeleid te kunnen voeren in het bijzonder voor wonen en bedrijvigheid.

In het bindend gedeelte van het RSV is een stedelijk gebied geselecteerd met de naam van de centrumgemeente. In het richtinggevend gedeelte heeft de Vlaamse regering ook andere gemeenten opgesomd die morfologisch en functioneel aansluiten bij de centrumgemeente. Ten aanzien van de groot- en de regionaalstedelijke gebieden is het ruimtelijk beleid erop gericht de bestaande en toekomstige stedelijke potenties optimaal te benutten. Deze potenties situeren zich voor de grootstedelijke gebieden op het internationaal en het Vlaams niveau. Door hun ligging in het stedelijk netwerk van internationaal niveau, de uitstekende ontsluiting door hoofdinfrastructuren via de weg, het spoor en het water, de aanwezigheid van belangrijke economische activiteiten, het hoogwaardige voorzieningenapparaat en het optimale verzorgingsniveau is het aangewezen dat de grootstedelijke gebieden een belangrijk aandeel kunnen opvangen van de groei van de woongelegenheid, de stedelijke voorzieningen en de ruimte voor economische activiteiten.

De regionaalstedelijke gebieden nemen omwille van hun verzorgingsniveau, hun stedelijke voorzieningen en hun economische structuur een belangrijke plaats in de ruimtelijke structuur van Vlaanderen in. Net zoals de grootstedelijke gebieden is het aangewezen dat de regionaalstedelijke gebieden, weliswaar op een lager niveau, een belangrijk aandeel opvangen van de groei van de woongelegenheid, de stedelijke voorzieningen en de ruimte voor economische activiteiten.

Daarnaast vormen de structuurbepalende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau elk op hun niveau een belangrijk onderdeel van de stedelijke structuur in Vlaanderen. Ook zij moeten een taak op het vlak van wonen en economische activiteiten vervullen.

Volgende ontwikkelingsperspectieven voor stedelijke gebieden staan voorop en moeten concreet worden ingevuld voor ieder stedelijk gebied : het realiseren van een groter aandeel van bijkomende woongelegenheden ; het streven naar minimale woningdichtheid ; het differentiëren en verbeteren van de woningvoorraad ; het versterken van de multifunctionaliteit ; het concentreren van kantoren aan knooppunten van het openbaar vervoer ; het inplanten van voorzieningen die zijn afgestemd op het belang van het regionaalstedelijk gebied ; het bundelen van kleinhandel op binnenstedelijke locaties en op kleinhandelszones ; het optimaliseren van de aanwezige recreatieve en toeristische voorzieningen ; het verzorgen van collectieve en openbare ruimten ; het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden ; het bieden van waarborgen voor stedelijke landbouw en het behoud en de uitbouw van cultureel-maatschappelijke en historisch waardevolle elementen. Uit deze opsomming blijkt dat de opdracht die wordt gegeven bij de afbakening van stedelijke gebieden, een niet te onderschatten oefening is.

De elementen van Vlaams niveau worden in ogenschouw genomen in het afbakeningsproces van het grootstedelijk of regionaalstedelijk gebied en het daaruit voortvloeiend ruimtelijk uitvoeringsplan dat ingevolge die afbakening wordt opgemaakt. Anders heeft het geen enkele zin. Als een stedelijke afbakening niet wordt gevolgd door een uitvoeringsplan, dan kunnen we ons evengoed het werk besparen. In die fase wordt de kat de bel aangebonden en barst de discussie in volle hevigheid los. Ik geef daar straks nog voorbeelden van.

Voor de kleinstedelijke gebieden zal de provincie een gelijkaardige benadering volgen in de afbakeningsprocessen. De twee provincies die klaar zijn met hun provinciaal structuurplan, zijn hier nu ook mee begonnen. Het is een echte cascade die we op gang hebben gebracht. Ik neem aan dat iedereen die in 1997 op de groene stemknop heeft gedrukt, toen besefte welk proces hij of zij daarmee op gang bracht. In elk geval zie ik wat er de consequenties van zijn.

Het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Aalst -de pionier ter zake -is het verst gevorderd.

Het voorschrift dat momenteel gehanteerd wordt voor de grenslijn, is vrij eenvoudig. Ik citeer: 'De gebieden binnen de grenslijn behoren tot het regionaalstedelijk gebied Aalst. Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgesteld, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing.' De wereld staat immers niet stil terwijl die oefening wordt gemaakt. Ik citeer verder : 'De bestaande voorschriften kunnen door voorschriften in nieuwe gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of BPA's worden vervangen. Bij de vaststelling van die plannen en bij overheidsprojecten binnen de grenslijn gelden de relevante bepalingen van de ruimtelijke structuurplannen, conform de decretale bepalingen in verband met de verbindende waarde van deze ruimtelijke structuurplannen.'

De heer Lachaert vroeg ook welke criteria in concreto zullen worden aangewend om de grenzen aan te duiden, en in hoeverre de grenzen kunnen afwijken van de administratieve gemeentegrenzen. De hoogst ongelukkige uitspraken van de burgemeester en een aantal schepenen van Gent hebben tot wat commotie hierover geleid. Het is dan ook nodig het antwoord erop zo scherp mogelijk te formuleren.

De afbakening van het stedelijk gebied op basis van uiteraard niet-limitatieve morfologisch-functionele criteria leidt tot het bepalen van de delen die effectief tot het stedelijk gebied behoren en logischerwijze dus ook tot het vaststellen van de delen die tot het buitengebied behoren. De stedelijke gebieden worden in overleg -dat wil ik benadrukken -met de betrokken gemeenten ruimtelijk afgebakend, geenszins op basis van hun administratieve grenzen. Op die manier kan het stedelijk beleid ook ruimtelijk worden gesitueerd. De afbakening moet toelaten binnen de grens van het stedelijk gebied een aanbodbeleid te voeren en de taakstellingen inzake woningbouw en bedrijventerreinen op te vangen.

De hele oefening van het RSV bestond erin in Vlaanderen de behoeften op het vlak van wonen, werken, recreatie, landbouw, natuur en bosstructuren te bepalen. Daarna moet dat allemaal concreet worden ingevuld. Een van de essentiële elementen daarvan is de afbakening waarbinnen de taakstelling en het aanbodbeleid ten aanzien van de respectieve functies moet worden ingevuld.

Deze taakstellingen kunnen vanuit het betreffende stedelijk gebied aangevuld worden met bijkomende taakstellingen inzake bijvoorbeeld stedelijk en randstedelijk groen en voorzieningen op Vlaams niveau, bijvoorbeeld grote sportinfrastructuur, grootschalige medische voorzieningen, hogescholen en universitaire campussen, enzovoort. In het stedelijk beleid mag echter niet uitsluitend aandacht zijn voor de taakstellingen, maar er moet ook aandacht zijn voor kwaliteit, bijvoorbeeld door groot- en kleinschalig stedelijk groen.

Ook in het Kortrijkse groeit het besef dat dit alleen maar verrijkend kan zijn voor de aantrekkingskracht van het centrum. Als minister van Economie heb ik de voorbije tweeënhalf jaar heel wat tijd doorgebracht in Zuid-West-Vlaanderen. Een van de grote problemen daar is de vlucht van de jeugd, vooral van goed opgeleide jongeren, omdat het centrum niet aantrekkelijk genoeg is gemaakt met groen of met een cultureel aanbod. Het feit dat de stad dit jaar met enkele mooie initiatieven inspeelt op Brugge 2002, bewijst dat ze aanvoelt dat er niet alleen fabrieken moeten worden gebouwd, maar dat er ook voor moet worden gezorgd dat de mensen bereid zijn in de regio te wonen, te werken en er te blijven. We moeten in de ruimtelijke ordening het debat durven voeren over de kwaliteit van de leefomgeving.

Deze taakstellingen gelden voor het gehele stedelijk gebied en door middel van een ruimtelijke afweging worden zij toegewezen aan ruimten, niet aan gemeenten. We bepalen het gebied waarin er groen moet komen, woningen moeten kunnen worden gebouwd, bedrijven kunnen worden opgericht en bedrijventerreinen kunnen worden ontwikkeld die op een duurzame manier aan de noden beantwoorden. In het kader van die afbakening ben ik trouwens met de minister van Leefmilieu een zeer dynamisch aankoopbeleid aan het voeren om een en ander waar te maken op het terrein. Dat kan een minister van Ruimtelijke Ordening niet alleen, maar ook de ministers van Leefmilieu, van Mobiliteit en van Huisvesting moeten hun rol spelen om dit tot een succes te brengen.

U vroeg naar de implicaties op het vlak van de ruimtelijke ordening voor de gemeenten, bijvoorbeeld via de toegestane quota inzake wonen, industrie en dergelijke. De implicaties van de afbakening op het vlak van ruimtelijke ordening worden in samenspraak met de gemeenten en de provincie bepaald. Bij het woord samenspraak denk ik aan de commotie die is ontstaan over het stedelijk afbakeningsproces van Gent. Er is tien jaar geleden een dialoog en een nieuwe manier van denken geïntroduceerd in het milieubeleid, zoals het totstandkomen van containerparken, het bundelen van de huisvuilophaling, het beslissen waar ovens en verwerkingsinstallaties kunnen komen. De ruimtelijke ordening bestond uit eilanden die nu vanuit een helikopter worden bekeken als grotere gehelen. Hierbij moeten we een dialoog totstandbrengen tussen de betrokken steden en gemeenten, waarbij de steden moet leren afdalen uit hun ivoren toren. Ik heb in het Antwerpse meermaals aangevoeld dat als de stad iets beslist, het zo zal zijn. Dit beantwoordt niet aan het proces van stedelijke afbakening. Een en ander moet gebeuren op basis van gelijkwaardigheid, complementariteit en bereidheid om een gezamenlijk denkpatroon te ontwikkelen.

Er wordt in ieder afbakeningsproces vertrokken van een kwantitatieve optie. Dat is een van de discussiepunten waarover ongetwijfeld moet worden beslist tijdens de evaluatie van het RSV in de loop van dit jaar, waarbij we vertrekken vanuit de ervaringen die we hebben opgedaan met de provinciale ruimtelijke structuurplannen. West-Vlaanderen is een mooi voorbeeld van de discussie daarover. Gisteren had ik een vergadering met de minister-president en de deputatie van Limburg over hoe men erdoor geraakt. Er moet natuurlijk een vertrekpunt zijn. Men kan er kritiek op hebben, maar we moeten toch weten wat de uitgangspunten zijn om een en ander te kunnen indelen en toekennen en het proces verder zijn weg te laten gaan.

De resultaten van het afbakeningsproces worden in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opgenomen voor de elementen die behoren tot het Vlaams niveau. Een bedrijventerrein aanduiden van 60 hectare is een taak van het Vlaams niveau, en dat moet worden opgenomen in een gewestelijk RUP. Hetzelfde geldt voor grote eenheden groen of woongebieden. In een RUP moet dan worden vastgelegd wat het afbakeningsproces is en wat kwantitatieve en inhoudelijke beslissingen zijn die worden genomen op basis van kwalitatieve debatten. Dit moeten we vertalen in een RUP, dat gedeeltelijk thematisch kan zijn, maar dat ook gebiedsdekkend is. Dit is een heel ander proces dan dat van waaruit de ruimtelijke structuurplannen totstandkwamen, namelijk meestal vanuit zeer concrete noden van een of andere sector. Deze aanpak probeert een integrale benadering te zijn om te komen tot een kwalitatieve ruimtelijke ordening. Hoe hoger de ambitie, hoe moeilijker om dit proces snel tot een goed einde te brengen.

De grenslijn, de gebieden waarbinnen de lijn later kan worden vastgelegd, het zogenaamde grensgebied en de gebieden waarvoor bestemmingswijzigingen nodig zijn, in functie van het programma, worden in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opgenomen. Verder kunnen andere engagementen het resultaat zijn van het afbakeningsproces dat afhankelijk is van de dynamiek ter plaatse, zoals uitvoeringsgericht engagement op basis van infrastructuur, stadsbossen, projectontwikkeling, enzovoort. Zij kunnen worden beschouwd als actieprogramma's die ontstaan door dialoog tussen de verschillende partners : provincies, steden en gemeenten die bij zo'n proces zijn betrokken en waarbij men in vele gevallen op een vrij positieve manier een speerpuntrol vervullen.

In het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst, worden diverse plannen opgenomen, als zijnde grenslijn regionaalstedelijk gebied Aalst en grensgebied N9. Ik meen dat het niet nodig is de hele opsomming te geven van dat proces. In Aalst werd voor de eerste keer een instrumentarium ontwikkeld, en daarom heeft het ook zo ontiegelijk lang geduurd. Het zou interessant zijn om naar aanleiding van de vraag van de heer Decaluwe het schema te geven dat de administratie vandaag hanteert. Bij mijn weten zit de administratie perfect op schema. Men kan zeggen dat het te traag gaat, maar dan moeten we daar iets aan doen.

Er werd ook gevraagd welke gevolgen de afbakeningen zullen hebben op de andere beleidsdomeinen zoals mobiliteit, milieu, huisvesting, enzovoort van de aangrenzende gemeenten. Daar zit eigenlijk de gevoeligheid van het debat. Ik heb toevallig vanmorgen een delegatie van Lochristi ontvangen. Ik had in de krant gelezen dat het daar serieus rammelt. Ik wilde horen hoe de rand van Gent tegenover een en ander staat. Zoals reeds gemeld, betreft de afbakening van de stedelijke gebieden een louter ruimtelijk geïnspireerde afbakening, en dat kan ik niet genoeg benadrukken, want hier zit precies de gevoeligheid. Die moet toelaten om binnen de grens van het stedelijk gebied een aanbodbeleid te voeren en de taakstellingen inzake woningbouw en bedrijventerreinen op te vangen. Het afbakenen van stedelijk gebied is een ruimtelijk proces, zoals men bijvoorbeeld ook vogelrichtlijngebieden of habitatgebieden aanduidt. Dit gebeurt op basis van een speciaal beleidsveld en heeft wat mij betreft geen enkele andere implicatie.

Ter zake wordt mij door minister Van Grembergen het volgende gemeld : 'Er is op dit ogenblik geen sprake van dat de afbakening van groot- en regionaalstedelijke gebieden in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen een invloed zal hebben op de huidige stads- en gemeentegrenzen. Zeker op Vlaams niveau wordt niet gedacht aan het hertekenen van de grenzen van deze bestuurlijke entiteiten, noch aan een nieuwe fusieoperatie. Ook aan het invoeren van een bijkomend bestuursniveau, bijvoorbeeld een stadsgewest, wordt niet gedacht. Wat wel kan, is dat steden en gemeenten onderling tot nauwere samenwerking komen. Het decreet op intergemeentelijke samenwerking biedt hen daarvoor trouwens bijkomende mogelijkheden. Niets sluit ook uit dat gemeenten zelf een voorstel tot fusie formuleren. Zelf zullen we daar evenwel niet op aandringen.' Ik denk dat ik niet duidelijker kan zijn dan de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, en ik kan mij als minister van Ruimtelijke Ordening voor 200 percent bij zijn woorden aansluiten. Voor mij is de stedelijke afbakening in het kader van het RSV een ruimtelijk beleidsmatig instrument, niets meer en niets minder.

Mijnheer Decaluwé , ik deel uw mening dat we schriftelijke vragen kunnen blijven stellen en antwoorden over en weer sturen. Maar hoever staat het nu? Ik heb deze morgen aan de heer Liekens van de Afdeling Ruimtelijke Planning gevraagd om me ter zake in te lichten over de stand van zaken en de moeilijkheden die men ondervindt bij het proces. We hebben het planningsschema besproken.

Het schema is opgedeeld in vier fasen. Fase één is de voorbereidingsfase, met bestek, offerte en overleg. Fase twee is de startfase. Fase drie is de fase van overleg en onderzoek. In fase vier worden de contracten en de adviezen afgesloten. Dan volgen concrete stappen zoals het voorbereiden van het gewestelijk RUP, de plenaire vergadering, de ondersteuning van het voorbereiden van de dossiers voor de regering en het openbaar onderzoek.

Ik geef nu een overzicht van de totstandgekomen fases. Voor de eerste helft van 2002 in fase één : het grootstedelijk gebied Antwerpen. Fase twee vanaf de eerste helft van 2000 : de regionaalstedelijke gebieden Sint-Niklaas, Hasselt, Genk, Oostende en Leuven. Voor fase twee van de eerste helft 2002 : de regionaalstedelijke gebieden Brugge en Roeselare. Fase drie is klaar voor de regionaalstedelijke gebieden Mechelen, Turnhout en Hasselt-Genk. Fase drie voor de eerste helft van 2002 : het grootstedelijk gebied Gent, de regionaal-stedelijke gebieden Sint-Niklaas, Hasselt-Genk, Oostende en Leuven. Fase vier voor de eerste helft van 2002 : de regionaalstedelijke gebieden Kortrijk, Turnhout en Mechelen.

Inzake het voorbereiden van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen werd het regionaalstedelijk gebied Aalst eind vorig jaar afgewerkt en is nu het voorwerp van bespreking. Er is een discussie bezig over een aantal voorschriften omdat dit de eerste zullen zijn die van kracht worden. Als de regering dit goedkeurt, dan worden dit de voorschriften die we in al die andere afbakeningsprocessen en RUP's zullen gebruiken. In de eerste helft van 2002 is de voorbereiding opgestart voor het regionaalstedelijk gebied Kortrijk en het regionaalstedelijk gebied Turnhout. Als we erin slagen om Aalst af te werken vóór de zomer, dan kan men onmiddellijk Kortrijk en Turnhout afwerken en kunnen we na het reces de uitvoeringsplannen via de plenaire vergadering en het definitief aannemen in de regering in het najaar afronden.

De volgende stap, namelijk ondersteuning ten aanzien van IKW's, de aanpassing van de bundels en de indiening bij de regering, is voor Aalst voor de eerste helft van 2002 voorzien. We hebben daarover volgende dinsdag een afsluitende vergadering. Er is nog discussie over de voorschriften. We zouden dit in juni in de regering kunnen bespreken. Dan schuift heel de tabel door. Om u een idee te geven : de tweede helft van 2004 zitten we in fase drie voor Antwerpen en het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel. In de tweede helft van 2005 moeten we in de eindfase komen van die twee grote uitvoeringsplannen.

U mag niet vergeten dat we naast de afbakeningsprocessen van groot- en regionaalstedelijke gebieden met een immens aantal andere planningsprocessen bezig zijn. We zijn op dit ogenblik bezig met de uitvoering van de gewenste ruimtelijke uitvoeringsplannen, VEN (Vlaams Ecologisch Netwerk) eerste fase. Daarvoor hebben we 106 RUP's nodig.

Mijnheer Decaluwe, u zegt dat de stedelijke afbakening snel moet gebeuren, de minister van Economie zegt dat de afbakening van het Albertkanaal moet gebeuren, de minister van Milieu vraagt hoe het zit met de groene RUP's. Mijn administratie wordt opgejaagd. We hebben een gedetailleerd stappenplan gemaakt. We moeten de spelregels volgen die we zelf hebben vastgelegd.

In Zuid-West-Vlaanderen en het Limburgse Maasland hebben we de laatste twee grote gewestplanwijzigingen op gang gebracht, omdat we wisten dat dit een heel moeilijk proces was. Voor een aantal dringende noden, zoals de nood aan bedrijventerreinen, hebben we honderden hectare ingekleurd. We doen dat omdat we een aanbodbeleid willen voeren.

Voor het stedelijk gebied Aalst is de initiële taakstelling tot 2007 136 hectare bedrijventerreinen. 133 hectare zullen we bestemmen als oppervlakte voor gemengde en specifieke regionale bedrijventerreinen, en 23 hectare als oppervlakte voor lokale en zonevreemde bedrijvigheid. Voor Kortrijk is de taakstelling 259 tot 293 hectare. Daar bestemmen we 182 hectare als oppervlakte voor het actieprogramma afbakeningsproces, en 72 hectare daarbovenop voor specifieke regionale bedrijventerreinen. Voor Aalst, Genk, Hasselt, Gent, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Sint-Niklaas en Turnhout zijn die cijfers al berekend. Daarvan willen we tegen eind 2002 heel veel afwerken. Het is als een domino, als het eerste blokje valt, komt alles in beweging.

We hebben ook al berekeningen gemaakt voor de woningbouw. Zo zullen woonuitbreidingsgebieden kunnen worden ingekleurd als woonzone, waardoor die kunnen worden gebruikt voor sociale -en voor privé-woningbouw. Op die manier kunnen we de druk van de ketel houden. Mijn administratie werkt daar hard aan. Eens de kogel door de kerk is in Aalst, zullen Kortrijk en Turnhout in september volgen, en kan het proces in het najaar worden voltooid.

Ik vraag begrip voor de mensen van mijn administratie, die heel hard werken. We mogen hen niet opjagen.

De voorzitter : De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, volgens de heer De Meyer weten de steden niet waar de afbakening gebeurt en wat de onderbouw is. Mijn ervaring is dat als een randgemeente een onderbouwde visie door een studiebureau laat uitvoeren, dat er wel iets uit de bus komt. Er kan wel een kortsluiting ontstaan zoals in Lochristi.

De afbakening van de gebieden heeft te maken met wonen en werken. Er is wel een spanningsveld tussen de quota over wonen en werken, en de steden zelf.

Op andere beleidsdomeinen hebben de afbakeningen geen implicaties, zoals op mobiliteit of fiscaliteit. Voor die beleidsdomeinen is het misschien nodig dat er een intergemeentelijke samenwerking tot stand komt.

De voorzitter : De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer : Mijnheer Lachaert, in Sint-Niklaas weet men zeer goed wat er in het structuurplan staat.

Mijnheer de minister, u hebt gezegd dat de structuurplanning zeer complex is en dat het moet gebeuren in nauwe samenwerking met de steden en de gemeenten. Bepaalde ministers zouden beter wat meer bescheidenheid aan de dag leggen, want anders wordt er bij de bevolking een verkeerd verwachtingspatroon gecreëerd.

Recente uitlatingen van de minister-president over de herziening van het RSV komen over alsof hij met de grove borstel door de delicaat opgestelde dominosteentjes gaat.

Minister Dirk Van Mechelen : Om spanningen zoals die tussen Gent en de buitengemeenten te vermijden, moeten we ervoor zorgen dat een stedelijk afbakeningsproces geen dwingende bepalingen voor mobiliteitskeuzes inhoudt. De oorzaak van de frictie is de planning van een tramverbinding tussen Gent en Lochristi in het afbakeningsproces. Er worden zelfs al profielen van de spoorbedding opgesteld. Dat kan niet de bedoeling zijn. Een goed openbaar vervoer op die as is een mogelijke optie in zo'n proces, het mag niet dwingend zijn. Anders schieten we aan ons doel voorbij.

De voorzitter : Het incident is gesloten.