Vraag om uitleg

 

 
Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, over het audit-rapport over de werking van de administratie ROHM

Nr. 364 (1999-2000) behandeld op 20-03-2000

 

 
 

 

De voorzitter : Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Lachaert tot de heer Van Mechelen, Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, over het audit-rapport over de werking van de administratie ROHM.

De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, geachte leden, de vorige Vlaams regering heeft een externe auditor aangesteld om één enkele structuur uit te werken en toe te lichten die in het kader van de eenheid van beleid een oplossing moet bieden voor de problemen waarvoor Arohm de voorbije jaren het mikpunt was in media en publieke opinie. Het gaat dan vooral over de ruimtelijke ordening. Deze opdracht werd in juni 1999 beëindigd met één enkel organisatorisch voorstel. De vorige Vlaamse regering heeft akte genomen van dit voorstel en concept. Thans zou dit audit-rapport zijn goedgekeurd door de huidige Vlaamse regering. Ik zou hier uren over kunnen uitweiden, maar ik zal me beperken tot mijn vragen.

Werd bij de opdrachtbeschrijving van dit audit-rapport rekening gehouden met de nieuwe taaktoewijzing zoals vooropgesteld in het decreet houdende de ruimtelijke ordening? Wat zijn de precieze conclusies van dit rapport? Werd het door de Vlaamse regering goedgekeurd? Daarover doen immers de wildste verhalen de ronde. Welke gevolgen zal de eventuele goedkeuring op het veld teweegbrengen?

De voorzitter : Minister Van Mechelen heeft het woord.

Minister Dirk Van Mechelen : Mijnheer de voorzitter, geachte leden, de werking van Arohm ligt zowat iedereen hier aanwezig na aan het hart. Vanzelfsprekend kan de toekomst ervan niet los worden bekeken van de initiatieven die de vorige Vlaamse regering reeds lanceerde en voorbereidde. Ik zal eerst antwoorden op de vragen van de heer Lachaert, waarna u het me wellicht toestaat om daar enkele persoonlijke bedenkingen aan toe te voegen en zo eventueel stof te leveren voor een bijkomende discussie.

Bij de opdrachtomschrijving werd uitgegaan van de vraag hoe een optimale organisatiestructuur voor Arohm zou kunnen bijdragen tot eenheid van beleid, rekening houdend met de wijzigende decretale context. Daarbij werd zowel uitgegaan van het nieuwe decretale kader voor het huisvestingsbeleid dat werd gevormd met de Vlaamse Wooncode, als met het nieuwe decretale kader van het ruimtelijkeordeningsbeleid dat werd gevormd met het planningsdecreet en het nieuwe decreet houdende de ruimtelijke ordening. Deze opdracht werd dus gegeven gelet op de driedubbele structuur van Arohm, namelijk Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, en Monumenten en Landschappen, die eertijds op het terrein werd vertaald op een mijns inziens vrij complexe wijze.

In zijn conclusies beveelt het rapport een nieuwe structuur aan die niet meer uitgaat van centrale beleidsafdelingen per beleidsdomein en decentrale uitvoeringsafdelingen over de beleidsdomeinen heen. Deze nieuwe structuur gaat enerzijds uit van de verschillende soorten processen die de administratie moet uitvoeren, en anderzijds van een intensieve projectwerking. Ondersteunende en beleidsprocessen worden in staf geplaatst. Beoordelings-en beheersprocessen worden samengevoegd en decentraal per beleidsdomein ingericht. Dat is heel belangrijk : de uitvoeringsprocessen worden beleidscentraal, de beoordelingsprocessen deels decentraal.

De controle- en consultingprocessen worden elk in een apart organisatieonderdeel over de beleidsdomeinen heen ondergebracht. Ook dat lijkt me erg belangrijk : enerzijds is er de inspectie, anderzijds consulting, waarbij dit begrip op een vrij ruime manier wordt bekeken. Het rapport denkt daarbij aan een cluster bestaande uit info, advies en training, aan communicatie met de drie doelgroepen - gemeenten, provincies en bedrijven -, en aan een cluster als een soort werkinstrument waarin call centra, face-to-facediensten en online-mogelijkheden thuishoren. Eindelijk moet men nu ook eens binnen de drie bevoegdheden belang gaan hechten aan de wijze waarop de communicatie in de toekomst gestructureerd en gedecentraliseerd op gang zal worden gebracht. In feite wordt er een soort.helpdesk gecreëerd die moet leiden tot een vlotte informatie- en communicatieuitwisseling.

In het nieuwe organigram, indien men zo ver komt, kent het aspect controle een decentraal deel. Maar die controle wordt wel gemeenschappelijk uitgevoerd inzake ruimtelijke ordening, huisvesting en monumenten en landschappen. Daar moet een centrale sturing mogelijk blijven.

De audit op zich werd niet goedgekeurd door de Vlaamse regering. De opdrachtgevende minister van de vorige regering aanvaardde het verslag dat door de externe consultant werd ingediend, in die zin dat goedkeuring werd verleend aan de uitvoering van de opdracht. De eventuele implementatie van de aanbevelingen werd overgelaten aan de huidige Vlaamse regering. Het spreekt voor zich dat we daar in de loop van de voorbije maanden nogal wat tijd aan hebben besteed.

Zo heb ik zelf de opdrachthouder van de studie, PriceWaterhouseCoopers, uitgenodigd om dit rapport integraal te komen toelichten. Dat gaf aanleiding tot een aantal werkvergaderingen met PWC, de administratie en directeur-generaal Beersmans. Na inzage van het audit-rapport en de bijkomende toelichting door de opdrachthouder heb ik samen met ministers Sauwens en Anciaux toestemming gegeven aan de directeur-generaal van Arohm om een implementatieplan op te stellen. Dat plan zal worden voorgelegd aan de Vlaamse regering. De heer Beersmans heeft met andere woorden de opdracht gekregen om het audit-rapport in de praktijk om te zetten.

Op basis van de gevoerde gesprekken werden reeds een aantal bijsturingen doorgevoerd op het vlak van de visie. Met het decreet op de ruimtelijke ordening zullen nieuwe functies ontstaan : planologisch ambtenaar, stedenbouwkundig ambtenaar, gewestelijke inspecteur en stedenbouwkundig inspecteur.

Een van de bijsturingen heeft tot gevolg dat de opdracht van de stedenbouwkundig inspecteur zal worden gesplitst. De helft van die opdracht zal worden toegevoegd aan de taken van de stedenbouwkundig ambtenaar. Daardoor zal een veel normalere situatie ontstaan. De stedenbouwkundig inspecteur zal daardoor enkel nog bevoegd zijn voor controle en inspectie. Hij of zij zal op geen enkele manier interfereren in het vergunningenbeleid, wat initieel wel de bedoeling was.

Het is belangrijk dat op provinciaal niveau een ondersteuningscel blijft bestaan die rechtstreeks afhangt van de centrale cel. In die cel worden de diensten secretariaat, personeel, logistiek, informatica, communicatie en organisatieontwikkeling ondergebracht. Het spreekt voor zich dat de centrale cel in Brussel stuurt op het vlak van organisatie, en dat in elke provinciale cel iemand de beleidsverantwoordelijkheid op zich blijft nemen.

Het is vandaag nog te vroeg om ons uit te spreken over de gevolgen in de praktijk. De transitie zal inderdaad niet eenvoudig zijn. De nieuwe organisatieonderdelen kunnen moeilijk worden vergeleken met de bestaande afdelingen. De invulling van de verantwoordelijke functies zal in grote mate andere profielen vergen. Bovendien zal er nood zijn aan een belangrijke cultuurverandering, waarbij veel meer belang wordt gehecht aan projectwerking. Die werking is natuurlijk verbonden met de voorgestelde structuur. De directeur-generaal van Arohm is om die reden inmiddels ingegaan op een initiatief van het departement LIN om te fungeren als pilootproject voor de invulling van het competentiemanagement.

De overgangsfase zal cruciaal zijn. Er zal minstens nood zijn aan een managementteam dat de transitie begeleidt, los van de bestaande Commissie Van Afdelingshoofden, de COVA. Het is evident dat er gevolgen zullen zijn bij de toepassing van het personeelsstatuut. In de loop van de volgende maanden zullen heel wat knopen worden doorgehakt bij het opstellen van het implementatieplan.

We proberen eerst een zekere stabiliteit op het terrein te creëren. Het zou bijzonder onverstandig zijn om op het moment dat Arohm wordt geconfronteerd met gigantische achterstanden, de structuur reeds volledig te wijzigen. Daardoor zou de chaos compleet worden. We hebben daarom een aantal heel welomlijnde maatregelen genomen. U hebt er wellicht al over gehoord via de pers. Ik zet ze nog even op een rij.

Ten eerste wordt het informaticaprobleem op versneld tempo aangepakt. De algemene diensten geven prioriteit aan het informatiseringsproces voor ruimtelijke ordening. U zou er immers versteld van staan te zien met welke middelen de diensten soms moeten werken.

Ten tweede zoeken we ons heil in nieuwe, verkorte procedures. Ik ben er immers rotsvast van overtuigd dat we met de bestaande procedures nooit uit de problemen zullen geraken.

Ten derde is uit de voorlopige resultaten van de PIP- en PEP-procedures duidelijk gebleken dat er een enorm probleem bestaat op het vlak van het personeel van de afdeling Ruimtelijke Ordening.

De Vlaamse regering heeft beslist twee belangrijke maatregelen te nemen inzake de achterstand in de vergunningendossiers. In de eerste plaats zullen 15 contractuele voltijdse personeelsleden worden aangeworven voor een periode van twee jaar. We hebben voor die periode gekozen omdat de contractuelen op basis van de PIP- en PEP-procedures de kans kunnen krijgen om effectief in dienst te treden. Het gaat om zeven ambtenaren van niveau A, drie van niveau B1, en vijf van niveau C1.

Heel wat buitendiensten worden geconfronteerd met moeilijke en complexe bouwaanvragen. Op het moment dat het einde van de tunnel in zicht is voor het wegwerken van de achterstand, worden de diensten geconfronteerd met een dergelijk complexe aanvraag waarvoor alle beschikbare personeelsleden worden ingezet. Het normale werk valt hierdoor volledig stil. De bouwaanvragen voor het Deurganckdok en die voor de HSL naar Nederland zijn hiervan goede voorbeelden. Elke maal opnieuw merken we dat bij zo een bouwaanvraag alle personeelsleden van niveau A van een buitendienst enkel nog bezig zijn met het beantwoorden van duizenden bezwaarschriften. Op de administratie is men trouwens een beetje bang van grondige antwoorden op die bezwaarschriften. Klachten bij de Raad van State zijn immers schering en inslag geworden.

Om iets aan dit probleem te doen, heeft de Vlaamse regering het licht op groen gezet voor de werving van vijf statutaire ambtenaren. Zij zullen een soort taskforce vormen. Een van die ambtenaren zal van niveau A2, of met andere woorden een burgerlijk ingenieur zijn. De vier anderen zullen niveau A1 hebben. Het team zal multidisciplinair zijn. Het is de bedoeling dat er minstens een jurist, een planoloog en een burgerlijk ingenieur-architect tot de groep behoren. De vijf mensen zullen als een taskforce naar de buitendiensten worden gestuurd. Ze moeten ervoor zorgen dat complexe bouwaanvragen centraal worden behandeld. De groep zal jurisprudentie opbouwen waardoor kan worden vermeden dat op elke buitendienst opnieuw het warm water wordt uitgevonden voor een complexe bouwaanvraag. Om de taskforce bij te staan zullen ook drie personen worden aangeworven van niveau D, of eventueel van niveau E. Via de vrijwillige interdepartementale mobiliteit zullen ze de taskforce bijstaan. Bijgevolg zal een cel van acht mensen ter beschikking staan voor de bijstand aan buitendiensten.

Bovendien kan het personeel van de administratie Ruimtelijke Ordening zich vrijwillig opgeven om op zaterdag te werken aan de achterstand in de provincie Antwerpen. Daardoor zal deze buitendienst op korte termijn op hetzelfde niveau zitten als de rest van het Vlaams Gewest. Hopelijk zal de achterstand volledig zijn weggewerkt tegen het eind van het jaar.

De voorzitter : De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : Mijnheer de minister, ik dank u voor dit uitgebreide antwoord. U stelt dat het niet de bedoeling is om alles op zijn kop te zetten. Rekening houdend met wat op het getouw staat, wilt u de bestaande personeelsleden zo goed mogelijk laten functioneren.

De directeur-generaal heeft bijgevolg een heel ongelukkig initiatief genomen. Eerst ontvingen de ambtenaren een brief waarin hen werd gevraagd of ze bereid waren zich op een lijst te plaatsen van kandidaten voor functies als stedenbouwkundig inspecteur of planologisch ambtenaar. Een paar dagen later ontvingen ze van dezelfde directeur-generaal een andere brief waaruit ik een stukje citeer : 'Naar aanleiding van het SERV-advies over het wijzigend decreet RO worden de functies van de gewestelijk ambtenaren herschikt. Mijn brief van 8/2/2000 is dan ook niet meer geldig.' Informeel werden reeds schema's rondgedeeld van een indeling in acht afdelingen. Op het schema waren bovendien reeds namen van personeelsleden ingevuld. Dit ongelukkige initiatief van de administratieve top vormde de aanleiding voor mijn vraag om uitleg. Door dergelijke zaken groeit de verwarring onder het personeel. De betrokken besteden meer tijd aan bezorgde telefoontjes naar elkaar en aan het zoeken van de eigen plaats in het schema, dan aan het echte werk. Ik wou dergelijke initiatieven eventjes aanklagen.

De voorzitter : Het incident is gesloten.