Vraag om uitleg

 

 

Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Eddy Baldewijns, Vlaams minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, over de stede- bouwkundige behandeling van gerealiseerde sportterreinen en hun bijhorende accommodatie


Nr. 126
(1995-1996) behandeld op 08-07-1996


 
 
1. Uiteenzetting door de vraagsteller

De spreker vestigt er om te beginnen de aandacht op dat in Vlaanderen talloze aangelegde sportterreinen en hun bijhorende infrastructuur, zoals kantines, kleedkamers en sanitair gedeelte, bouwovertredingen vormen. Hij stelt vast dat het middel van het bijzonder plan van aanleg soms wordt aangewend om deze bouwovertredingen te regulariseren. Dit middel hangt echter af van de goodwill van de gemeentelijke overheid, die naargelang van de belangrijkheid van de sportvereniging en/of haar politieke kleur al dan niet bereid is om de nodige administratieve stappen op haar kosten te ondernemen. De spreker is van mening dat het, rekening houdende met de omvang en de frequentie van deze bouwovertredingen, past om dit probleem op een structurele wijze op te lossen. Dit is des te meer aangewezen nu er op het gebied van de ruimtelijke ordening heel wat regelgeving en planning op stapel staat en de kans zich bijgevolg aandient om het ruimtelijke beleid ter zake te verbeteren.

Van de minister had de vraagsteller graag vernomen hoe hij deze problematiek van de niet-vergunde sportterreinen en hun bijhorende accommodatie denkt aan te pakken en hoe hij de mogelijkheid tot uitbreiding denkt te voorzien.

2. Antwoord van de minister

De minister antwoordt dat de Vlaamse Executieve reeds op 5 juli 1979 een beslissing nam betreffende het probleem van de bestaande voetbalvelden die niet opgenomen zijn in een zone voor recreatie of in een woongebied van de gewestplannen. Die beslissing hield in dat deze voetbalvelden binnen bepaalde voorwaarden konden geregulariseerd worden, via een gemeentelijk bijzonder plan van aanleg.

Volgens de minister is een belangrijke complicatie daarbij dat het dikwijls om terreinen gaat waarvan de bijkomende accommodatie zonder vergunning werd aangelegd. Daarenboven zijn deze terreinen meestal gesitueerd in een bestemmingsgebied, waarmee ze in principe onverenigbaar zijn. Verschillende arresten van de Raad van State geven immers aan dat een bijzonder plan van aanleg dat is opgemaakt met de enige bedoeling een in overtreding opgericht bouwwerk te regulariseren, onwettig is.

Gelet op het feit dat het hier in de eerste plaats om een gemeentelijke materie gaat, zo vervolgt de minister, is het aangewezen om te verwijzen naar omzendbrief 93/1 van 10 november 1993 (BS 16 december 1993) betreffende de bijzondere plannen van aanleg die afwijkingen inhouden ten opzichte van de gewestplannen. De toepassing van deze omzendbrief maakt een structurele aanpak op gemeentelijk niveau mogelijk van de problematiek van de bestaande en nieuwe sportterreinen, voor zover deze niet gesitueerd zijn of kunnen gesitueerd worden, binnen een overeenstemmend bestemmingsgebied van het gewestplan. In die zin geeft de minister de vraagsteller gelijk waar die stelt dat in eerste orde de gemeente haar verantwoordelijkheid moet nemen.

3. Replieken

De vraagsteller repliceert dat het voor de gemeenten soms wettelijk onmogelijk is om tot regularisatie over te gaan. De minister antwoordt dat het moeilijk is om in deze een lineaire maatregel te nemen en dat de dossiers geval per geval moeten bekeken worden. Dit geldt trouwens voor de problematiek van de zonevreemde vestigingen in het algemeen, zo besluit hij.

- Het incident is gesloten.