Actuele vraag van 14 maart 1996

 

  Actuele vraag van de heer Patrick Lachaert tot de heer Eddy Baldewijns, Vlaams minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, over de afbraak van illegale bouwwerken

Actuele vraag van de heer Herman Suykerbuyk tot de heer Eddy Baldewijns, Vlaams minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, over het normaliseren van illegale toestanden op het gebied van stedebouw

 
     
 

De voorzitter : Dames en heren, aan de orde zijn de samengevoegde actuele vragen van de heer Lachaert tot de heer Baldewijns, Vlaams minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, over de afbraak van illegale bouwwerken en van de heer Suykerbuyk tot minister Baldewijns, over het normaliseren van illegale toestanden op het gebied van stedebouw.

De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert (Op de tribune) : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister,...

De voorzitter : Mijnheer Lachaert, mag ik u vragen geen papiertjes mee te brengen? Reglement is Reglement.

De heer Patrick Lachaert : Naar aanleiding van diverse spectaculaire mededelingen van de minister in de media, heb ik drie opmerkingen.

Ten eerste, verschillende leden van de commissie voor Ruimtelijke Ordening, Vervoer en Infrastructuur, voelen zich gepasseerd omdat u beloofd had de primeur voor de vele herschikkingen op het vlak van de ruimtelijke ordening die in de nabije toekomst op het getouw staan, voor de commissieleden te reserveren. We zijn ontgoocheld uw plannen via de media te vernemen. Dat neemt niet weg dat de VLD op een kritische maar ernstige en constructieve wijze verder zijn medewerking aan deze herschikkingen zal verlenen... voor zover u bereid bent op een even ernstige en constructieve wijze met de commissie samen te werken. Hierbij bevestigt de VLD tevens de afdwingbaarheid van de tussengekomen gerechtelijke uitspraken.

Tweede vaststelling, uw mededeling over een bouwmisdrijf in Aalst is niet correct. U bedoelt waarschijnlijk een woning in Meldert. Deze werd reeds twee jaar geleden afgebroken. De feiten hebben uw uitspraak voorbijgestoken.

Verder heb ik uw mededelingen op hun financiële en grondwettelijke relevantie onderzocht.

Grondwettelijk is het nog altijd aan de parketten en de parketten-generaal om de arresten en vonnissen van de hoven en rechtbanken uit te voeren.

De uitvoering van de uitspraken inzake bouwmisdrijven gebeurde niet in het verleden wegens een gebrek aan voldoende fondsen, die vroeger door de Belgische Staat, thans door het Vlaams Gewest ter beschikking dienden gesteld om de kosten van de uitvoering voor te schieten. Meer bepaald, de gerechtsdeurwaarder die met de uitvoering van gezegde uitspraken, namelijk de afbraak van wederrechterlijk opgerichte bouwwerken, wordt belast, dient voor deze kosten geprovisioneerd vooraleer hij tot uitvoering ervan overgaat.

In het verleden werd de afbraak van wederrechterlijk opgerichte bouwwerken door de rechtspraak bevolen, maar bij gebrek aan fondsen bleef het daar ook bij. Bij gebrek aan financiële middelen stokte de uitvoering van die vonnissen.

De voorzitter : Mag ik u vragen af te ronden. Het Reglement stelt dat de vraag en het antwoord samen slechts vijf minuten mogen duren.

De heer Patrick Lachaert : Ik heb twee vragen. Ten eerste, hoe denkt u - rekening houdend met het grondwettelijk principe dat ik aanhaalde - de diverse juridische uitspraken uit het verleden uit te voeren? Ten tweede, hoe gaat u in de financiële middelen voorzien om deze vonnissen en arresten uit te voeren? Ik stel vast dat u hiermee geen rekening hield bij het opmaken van uw begroting. Met andere woorden wat is uw intentie ter zake en waarom voorzag u geen financiële middelen?

De voorzitter : De heer Suykerbuyk heeft het woord.

De heer Herman Suykerbuyk (Op de tribune) : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u deed een uitspraak over het uitvoeren van vonnissen inzake de afbraak van bouwwerken. Deze gewone uitspraak kreeg nogal wat aandacht.

Ik heb een specifieke vraag over het probleem van de weekendverblijven. Ik heb het niet over illegaal gebouwde weekendverblijven, maar wel over de problemen die zich stellen naar aanleiding van het decreet van 1984 waarbij men niet alleen stedebouwkundige voorschriften maar ook het gebruik - een niet permanente bewoning namelijk - heeft willen opleggen. Dit botst met de federale wet inzake de inschrijving in de bevolkingsregisters. Dit stelt heel wat bezitters van weekendverblijven voor prangende problemen. Deze zaak zou ook legistiek moeten worden opgeklaard.

Er is dus een tegenstrijdigheid tussen het decreet van 1984 en de wet op de inschrijving in de bevolkingsregisters van 1991. In het kader van de bestrijding van de illegaliteit moet men, om tot een billijke regeling te komen, het onderscheid tussen het decreet en de federale wetgeving wegwerken.

De voorzitter : Minister Baldewijns heeft het woord.

Minister Eddy Baldewijns (Op de tribune) : Ik wil mijnheer Lachaert erop wijzen dat ik de beleidsbrief inzake ruimtelijke ordening zeer uitvoerig besproken heb in de commissie. Vorige week heb ik ook de pers daaromtrent ontmoet. De pers heeft in alle vrijheid enkele thema´s geaccentueerd, zoals het uitvoeren van vonnissen, het bekijken van bouwmisdrijven,... Dit behoort volgens mij tot de persvrijheid.

Ik wou stellen dat de pleger van een inbreuk op een normale manier tot afbraak kan overgaan. Ik wens daar niet verder op in te gaan, noch wat de regio, noch wat de identificatie van het dossier betreft. Ik wou alleen aantonen dat men, met wat goede wil, inderdaad tot uitvoering kan overgaan.

Wat de aanpak betreft, wil ik eerst en vooral stellen dat de grondwet niets oplegt inzake de uitvoering van de vonnissen. Het artikel 65 van het wetboek van strafvordering bepaalt wel dat enerzijds het openbaar ministerie en anderzijds de burgerlijke partij voor de vervolging van het dossier instaan. Bij bouwmisdrijven is er een dubbele aanpak. Enerzijds de strafrechtelijke aanpak waarbij men, uitgaande van de wet van 1962 op de stedebouw en ruimtelijke ordening, een straf of een boete kan bepalen.

Anderzijds is er het burgerrechtelijk luik waar men, vertrekkend van het vonnis zelf en de schuldbepaling, een vordering kan instellen. De rechtbank bepaalt daarbij meestal - als het gaat over afbraak - de termijn waarbinnen dit moet worden gerealiseerd. Bij het bepalen van die termijn wordt al of niet een dwangsom opgelegd. We stellen vandaag vast dat de dwangsom het beste middel is om tot daadwerkelijke uitvoering van het vonnis over te gaan. Dit zijn dus ook vaststellingen die we in de praktijk kunnen maken.

Wat nu de kosten zelf betreft, moet ik eerst en vooral zeggen - aangezien we hier niet echt op een grondwettelijk principe zitten - dat we inderdaad een voorziening hebben in de begroting. Deze post is weliswaar relatief klein, in het Fonds voor de Planschade. Dit is een klein gegeven. We zouden zelfs op de begrotingspost voor de lasten van het verleden een stuk kunnen verhalen, maar het gegeven is zeer klein.

Het is dus daarom dat ik nog eens bevestig dat, wanneer we daadwerkelijk een uitvoering willen krijgen, het van het allergrootste belang is dat er een dwangsom mee in aanmerking wordt genomen. In het overleg dat ter zake wordt gepleegd met de parketten-generaal wordt dus ook aangedrongen dat dit zou gebeuren. Ik moet u zeggen dat dit overleg, dat tijdens de vorige legislatuur is gestart, nu wordt verdergezet, en dat het moet kunnen worden verfijnd, zodanig dat we tot resultaten kunnen komen. Men heeft prioriteiten vastgelegd, men moet hier nu ook uitvoering aan geven.

De problematiek die de heer Suykerbuyk aanhaalt, is uiteraard één van de knelpunten. Ik zou bijna durven zeggen dat het permanent wonen op een weekendverblijf en anderzijds de bestemmingswijziging van een legale constructie soms op hetzelfde kan neerkomen. Het komt erop neer dat er een vergunning is gegeven voor het bouwsel, maar dat er anderzijds een permanente bewoning is. Daar zouden we kunnen teruggrijpen - om dit te benaderen - naar het koninklijk besluit van 28 december 1972, geloof ik, dat de bepalingen omvat voor de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat weekendverblijven thuishoren in recreatiezones, waarin dan weer uitdrukkelijk wordt gesteld wat binnen een recreatiezone kan worden verwacht. Hieruit kunnen we afleiden dat een recreatiezone in feite in de eerste orde dient voor recreatie, toeristische doeleinden, voor dagverblijven, enzovoort, maar niet direct voor permanente bewoning. Het spreekt voor zich dat een tweede luik van deze problematiek uiteraard die weekendverblijven betreft die géén vergunning hebben. Daar is gewoon de wet op de stedebouw van toepassing.

Mijnheer Suykerbuyk, ik heb ook opgemerkt dat de omzendbrief van de vorige minister van Binnenlandse Zaken in verband met de uitzonderlijke voorschriften om te worden ingeschreven in deze lokalisaties die niet gepast zijn voor permanent wonen, zegt : kijk, dit kan niet omwille van redenen van veiligheid, van gezondheid, van urbanisatie en van ruimtelijke ordening. In feite is daar een link ingebouwd naar de ruimtelijke ordening en zullen we daar zeker deze problematiek, ook rekening houdend met de opmerkingen die u hier vandaag hebt geformuleerd, verder moeten onderzoeken.

Het is geen gemakkelijke materie. Ik verwijs hier ter zake ook naar het rapport van de Koning Boudewijnstichting dat, in verband met weekendverblijven en campingbewoning, toch wel enkele belangrijke hints heeft aangegeven. Ik wil graag in deze richting mee zoeken naar afdoende oplossingen, maar ik wil wel duidelijk stellen dat we in ons Vlaanderen de grootste zorg moeten blijven besteden aan de vrijwaring van de open ruimte en dat voor mij het groenste groen zeker moet kunnen worden gevrijwaard.

De voorzitter : De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert : Ik zou mijn betoog van zonet, nog even willen aanvullen. Zoals de minister terecht opmerkte, is er in de laatste drie jaar een beleidslijn uitgewerkt met de parketten-generaal. Daardoor wordt automatisch een dwangsom opgelegd en door de rechtbank toegekend. Laten we dus geen problemen stellen met betrekking tot de uitvoering van die vonnissen en arresten. Wel had ik het over de problematiek van het verleden, waarover de minister spectaculaire maar vrijblijvende mededelingen aan de pers heeft gedaan. Zo worden verwachtingen gecreëerd bij de mensen, die in realiteit moeilijk te verwezenlijken zijn, al was het maar op financieel vlak.

De voorzitter : Minister Baldewijns heeft het woord.

Minister Eddy Baldewijns : Ik heb aan mijn administratie gevraagd een inventaris op te maken van de niet uitgevoerde vonnissen. Als die klaar is, kunnen we de eventuele prioriteiten bepalen. Ik ben er me van bewust dat niet alles op één dag kan worden uitgevoerd.

De voorzitter : Het incident is gesloten.