Vraag om uitleg

 

 

Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, over de bevoegdheid van een gemeentelijk beslissingsorgaan om in rechte op te treden


Nr. 263 (2007-2008) - Behandeld op 13/11/2007

 
 
 
 
 
Sinds de inwerkingtreding van het nieuw gemeentedecreet op 1 januari 2007 bepaalt het artikel 193 van het gemeentedecreet dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om namens de gemeente te beslissen om in rechte op te treden (als eiser of verweerder).

Deze bepaling vervangt het vroegere artikel 270 van de nieuwe gemeentewet op grond waarvan voor de meeste vorderingen waarbij de gemeente als eiser optrad, de rechtsvordering werd ingesteld door het college na machtiging door de gemeenteraad.

Wanneer nu een meerderheid van de leden van een schepencollege in een rechtsgeding betrokkenen zijn, zullen deze zelden of nooit zelf beslissen om namens de gemeente in rechte op te treden. In dergelijk geval zullen betrokkenen zichzelf trachten buiten zake te houden en er niet voor opteren om de gemeentelijke belangen te verdedigen. M.a.w. er ontstaat een tegenstrijdigheid van belangen.

Enkel het artikel 194 van het gemeentedecreet geeft de mogelijkheid aan de inwoners om in rechte namens de gemeente op te treden, wanneer het college niet in rechte wenst op te treden. Een bijkomende voorwaarde is dat deze bewoner(s) een zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en voor de veroordeling tot de betaling van een schadevergoeding of boete wegens tergend of roekeloos geding of hoger beroep, in te staan. Deze zekerheidsstelling zal er in de praktijk toe leiden dat slechts weinig burgers van dit artikel 194 gebruik zullen maken.

Daarom volgende vragen :

1. Is de Minister zich bewust van deze mogelijk lacune in de decreetgeving? Een gemeenteraad kan het college niet meer opleggen om in rechte op te treden. Hierdoor kunnen leden van het College van Burgemeester en Schepenen zichzelf ‘buiten schot’ stellen.

2. Kan de Minister een andere mogelijkheid aanduiden om het college te verplichten in rechte op te treden?

3. Zo niet, is het niet aangewezen de decreetgeving aan te passen in het geval van een mogelijke tegenstrijdigheid tussen belangen van één of meerdere leden van het schepencollege en deze van de gemeente ?


Patrick Lachaert
Vlaams Volksvertegenwoordiger

_______________________________________________

Lees hier de bespreking na in de commissie Binnenlandse aangelegenheden van 13 november 2007

 

De voorzitter: De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, sinds de inwerkingtreding van het nieuwe gemeentedecreet op 1 januari 2007 bepaalt het artikel 193 van het Gemeentedecreet dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om namens de gemeente te beslissen om in rechte op te treden, hetzij als eiser of als verweerder.

Die bepaling vervangt het vroegere artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet op grond waarvan voor de meeste vorderingen waarbij de gemeente als eiser optrad, de rechtsvordering werd ingesteld door het college na machtiging door de gemeenteraad. Wanneer nu een meerderheid van de leden van een schepencollege in een rechtsgeding betrokkenen zijn, zullen deze zelden of nooit zelf beslissen om namens de gemeente in rechte op te treden. In dergelijk geval zullen betrokkenen zichzelf buiten de zaak trachten te houden en er niet voor opteren om de gemeentelijke belangen te verdedigen. Er ontstaat met andere woorden een tegenstrijdigheid van belangen tussen de gemeente als administratiefrechtelijk geheel en de individuele leden van het schepencollege.

Enkel het artikel 194 van het Gemeentedecreet geeft aan de inwoners de mogelijkheid om in rechte namens de gemeente op te treden, wanneer het college niet in rechte wenst op te treden. Een bijkomende voorwaarde is dat die bewoners een zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en voor de veroordeling tot de betaling van een schadevergoeding of boete wegens tergend of roekeloos geding of hoger beroep, in te staan.

Die zekerheidstelling zal er in de praktijk toe leiden dat slechts weinig burgers van dit artikel 194 gebruik zullen maken. En dan hebben we het nog niet over de kosten en de erelonen van de verdediging.

Mijnheer de minister, bent u zich bewust van deze mogelijke lacune in de decreetgeving? Een gemeenteraad kan het college niet meer opleggen om in rechte op te treden. Hierdoor kunnen leden van het college van burgemeester en schepenen zichzelf buiten schot stellen.
Kunt u een andere mogelijkheid aanduiden om het college te verplichten in rechte op te treden voor de gemeente? Zo niet, is het niet aangewezen de decreetgeving aan te passen in het geval van een mogelijke tegenstrijdigheid tussen belangen van een of meerdere leden van het schepencollege en die van de gemeente?

De voorzitter: Minister Keulen heeft het woord.

Minister Marino Keulen: Mijnheer Lachaert, dit is een zeer interessante vraag, onder meer omdat ze volledig losstaat van de partijpolitiek. Een dergelijk incident kan zich in verschillende gemeenten voordoen. Voor mij is dit geen punt van mijn geloof. We hebben er gewoon voor gekozen om meteen naar het schepencollege te gaan om korter op de bal te kunnen spelen en om snel te kunnen reageren wanneer men met gedingen wordt geconfronteerd.

In dit specifieke geval zijn zes schepenen – het hele schepencollege – in een gerechtsgeding betrokken en maken zij geen aanstalten om namens de gemeente in rechte op te treden. Dat is natuurlijk tegen de geest van het Gemeentedecreet. Het was de bedoeling om kort op de bal te kunnen spelen en niet om bij wijze van spreken een muur voor de goal op te trekken waar
niemand door kan.

In het Gemeentedecreet is voorzien dat elke burger kan optreden, en elk raadslid is per definitie ook een burger. In principe kan elk raadslid toch een geding aanspannen en zorgen dat er aan een aanklacht gevolg kan worden gegeven. De bestaande regeling dient om kort op de bal te kunnen spelen, niet om bepaalde mensen onschendbaar te maken. Als u vindt dat we enkele aanpassingen moeten doen en dit beter opnieuw bij de gemeenteraad kunnen leggen, heb ik daar geen enkel probleem mee. Voor mij is dat geen partijpolitieke aangelegenheid, maar gewoon een kwestie van goed bestuur. Ik wil dat graag als aanpassing meenemen.

De heer Patrick Lachaert: Ik dank u voor uw antwoord. We kunnen misschien met de meerderheidspartijen eens bekijken hoe we dit kunnen verhelpen. Toch is het een probleem voor een gemeente. Als een burger zich burgerlijke partij wil stellen voor de correctionele rechtbank en een schadevergoeding vraagt die zijn aandeel als burger van een bepaalde gemeente moet compenseren in de meeruitgave die de gemeente moet doen ten gevolge van een milieudelict, dan weet ik dat dat onmogelijk is omdat de rechtbank een bewijs van schade zal vragen. En die schade is niet te bewijzen. Het enige wat de burger kan doen, is een symbolische euro vragen. De facto eindigt dit op het onontvankelijk verklaren van de burgerlijke partijstelling op de correctionele zitting. Het is hoe dan ook een juridisch probleem.

De voorzitter: De heer Maes heeft het woord.

De heer Jacky Maes: De vraag van de heer Lachaert is heel interessant. Maar dat neemt niet weg dat men het nog altijd bij het college kan leggen en dan kan uitbreiden naar de gemeenteraad. Zo kan men korter op de bal spelen.

Minister Marino Keulen: Men kan heel veel situaties voorzien, maar men kan van de decreetgever niet verwachten dat die alles ziet. Je voelt dat hier een oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van iets dat positief bedoeld was. Voor mij is het gelijk hoe je het regelt. Als het voor jullie goed is, is het zeker voor mij goed, want jullie zijn ook allemaal lokaal actief. Maar het moet geregeld worden, want nu zijn er oneigenlijke effecten, en het laatste wat we willen, zijn ‘onschendbaarheden’, want dat staat haaks op goed bestuur.

De voorzitter: Het incident is gesloten.