Vraag om uitleg

 

 

Vraag om uitleg van de heer Patrick Lachaert tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over de vestigingsproblemen van grootschalige kleinhandelszaken


Nr. 131
(2006-2007) behandeld op 14-12-2006

 
 

 

De voorzitter: De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de vraag is mij opgedragen door de bestendige deputatie. Daarom stel ik ze aan de minister. Ik heb de vraag trouwens een aantal maanden laten liggen. De bestendige deputatie wil hier enige verduidelijking over.

Zoals algemeen bekend, worden aan de inplanting van bedrijven binnen een industriezone of een ambachtelijke zone strenge stedenbouwkundige en milieunormen opgelegd. Deze normen bepalen welke bedrijven al dan niet toegelaten kunnen worden binnen een industrie- of ambachtelijke zone.

Volgens de omzendbrief van 8 juli 1997, gewijzigd door de omzendbrief van 25 januari en 25 oktober 2002, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, zijn industriegebiedenbestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. En voor zover dat in verband staat met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten.

Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten: bankagentschappen,benzinestations, en andere. Voor zones voor ambachtelijke bedrijven en kmo’s is de omschrijving van de toegelaten activiteiten in veel gevallen vaag. Daarom is veelal een verfijning via een RUP nodig. In verschillende gevallen zijn onder meer productie, logistiek en groothandel toegelaten. Kleinhandel is echter niet toegelaten in ambachtelijke zones.

Ondanks alle geldende bepalingen is er echter voor bepaalde bedrijfsactiviteiten nog steeds onduidelijkheid en dus ook rechtsonzekerheid waar zij zich kunnen of mogen vestigen. Zo rijst bijvoorbeeld de vraag waar een grote autohandelaar zich moet vestigen. Hij kan met zijn bedrijf immers niet terecht op een industriezone of ambachtelijke zone, omdat hij niets produceert. In theorie zou dat wel kunnen in een ambachtelijke zone, als hij herstellingen doet aan de voertuigen. Maar meestal is daar contact met publiek bij vereist en mag hij zijn activiteit niet uitoefenen in de ambachtelijke zone.

Wanneer deze autohandelaar een meerderheid aan personeel tewerkstelt dat handenarbeid vervult, rijst de vraag of deze in een ambachtelijke zone gevestigd kan worden. Het gewestplan stelt verder dat louter commerciële activiteiten niet thuishoren in het industriegebied.

Kan, op basis van wat zonet werd vermeld, een grootschalige autohandelaar zich vestigen in een industriezone of in een ambachtelijke zone? Merk op dat dit niet over één grootschalige autohandelaar gaat, maar dat het een algemeen probleem is van diverse autohandelaars. En indien niet, welke oplossing qua vestiging is er voor dergelijke bedrijven?

De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft het woord.

Minister Dirk Van Mechelen: Mijnheer de voorzitter, collega’s, inzake de vestigingsmogelijkheid van grootschalige kleinhandel en in het bijzonder de grootschalige autohandel, zijn twee aspecten relevant. Ten eerste is er de vraag wat vergunbaar is in de industriezones of de ambachtelijke zones, aangeduid op de nog steeds geldende gewestplannen. En ten tweede, welke mogelijkheden kunnen er inzake grootschalige kleinhandel planologisch worden gecreëerd?

Ten eerste: de gewestplanbestemmingen en de vergunbaarheid van grootschalige kleinhandel. Bij de opmaak van de gewestplannen is er uitdrukkelijk voor geopteerd om enerzijds afzonderlijke bedrijvenzones – met name industriegebieden met al dan niet milieubelastend karakter en gebieden voor ambachtelijke bedrijven en voor kmo’s – en anderzijds dienstverleningszones, voor onder meer grootschalige kleinhandel, te voorzien.

Kleinhandel, evenals bedrijvigheid die effectief verenigbaar blijft met de omgeving, kan bovendien ook voorzien worden binnen de klassieke woongebieden.

Logischerwijze bevinden er zich momenteel heel wat kleinhandelsbedrijven – ook eerder grootschalige kleinhandel – in de gewestplanbestemming woongebied, zonder dat er zich een juridisch of feitelijk probleem stelt. De voorbeelden zijn legio, bijvoorbeeld de concentratie van warenhuizen en andere grootschalige winkels langs invalswegen of ringwegen van stadscentra.

Mijnheer Lachaert, u stelt terecht dat de concrete omschrijving van wat al dan niet toelaatbaar is in de geCommissievergadering bieden voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen, niet geheel eenduidig is. Op zich is dit logisch, omdat dergelijke voorschriften natuurlijk voldoende flexibel moeten zijn, onder meer rekening houdend met ontwikkelingen binnen het bedrijfsgebeuren. Ten aanzien van ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen bepaalt de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen: “Wat de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen betreft, wordt bij de beoordeling van de vraag of een bedrijf al dan niet als een ambachtelijk bedrijf of een kleine of middelgrote onderneming kan worden beschouwd, rekening gehouden met de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten. Evenwel kunnen bepaalde onderdelen van een bedrijf zoals de parkeerplaats, de burelen, het sociaal gebouw, de werkplaats en het benzine- en dieselpompstation evengoed deel uitmaken van een grootschalig industrieel bedrijf als van een ambachtelijk bedrijf of een middelgrote onderneming. Zij kunnen dus in een zone voor zulke bedrijven en ondernemingen worden toegelaten indien ze onderdeel uitmaken van het bedrijf.”

Ten aanzien van de industriegebieden in het algemeen, waar gebieden voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen een onderdeel van uitmaken, bepaalt diezelfde omzendbrief: “De louter commerciële activiteiten, zoals winkels en handelszaken, horen niet thuis in industriegebied.”

De omzendbrief sluit dus loutere kleinhandel op industriezones expliciet uit, wat logisch is, gelet op het bestemmingsvoorschrift voor industriezones vervat in het Koninklijk Besluit van 28 december 1972. Grootschalige winkels kunnen zich in ieder geval vestigen in de zogenaamde dienstverleningsgebieden die hoofdzakelijk bestemd zijn in functie van grootwinkelbedrijven. Het probleem is evenwel dat dergelijke specifieke zones niet zo frequent voorkomen in de diverse gewestplannen. U verwijst in uw vraag naar het voorbeeld van een grote autohandel en stelt mij de vraag waar een dergelijke activiteit zich dan wel kan vestigen, want betreffende handelsactiviteit is omwille van de intrinsieke hinder meestal niet verenigbaar met de woonfunctie, en wordt dus logischerwijze veelal niet compatibel geacht met de gewestplanbestemming ‘woongebied’. Vaak stellen we vast dat grote autohandelszaken, inzonderheid de merkenconcessionarissen, in eerste instantie garagebedrijven zijn waar de toonzaal, en dus de handelsactiviteiten, qua activiteit, tijds- en personeelsinzet, ondergeschikt is aan de werkplaats die dient als carrosserieafdeling, spuitplaats enzovoort. Hoewel bij een dergelijk garagebedrijf met toonzaal het toonzaalgedeelte vaak ruim is en soms zelfs even groot is als het garage- en stockgedeelte, wordt een dergelijke bedrijvigheid in zijn totaliteit veelal verenigbaar geacht met de voorschriften van een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen. Dergelijke bedrijven zijn in principe dan ook vergunbaar in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Enkel autohandel – dus louter commerciële activiteit – die niet gekoppeld is aan een garagebedrijf, is in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen, in principe niet toelaatbaar en bijgevolg niet vergunbaar. Dergelijke grootschalige commerciële bedrijven zijn bijgevolg noodzakelijkerwijze aangewezen op de gewestplanbestemming ‘dienstverleningsgebied’ of eventueel ‘woongebied’, in zoverre betreffend woongebied uiteraard geen uitgesproken residentieel karakter heeft. Evenwel, indien een dergelijk bedrijf zich wenst te vestigen in bestaande gebouwen, gesitueerd op gronden met een gewestplanbestemming ‘industriegebied’, biedt het uitvoeringsbesluit van 28 november 2003 tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone, soms soelaas. Artikel 6 van betreffend besluit van de Vlaamse Regering stelt immers, ik citeer: “Met toepassing van artikel 145bis, paragraaf 2, van het decreet kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, voor zover aan al de volgende voorwaarden voldaan is: het gebouw of gebouwencomplex is gelegen in een industriegebied in de ruime zin; in de ruimere omgeving van het gebouw of gebouwencomplex komen nog gebouwen voor met de vergunde functie ‘handel, horeca, kantoorfunctie of diensten’; indien op het industriegebied in kwestie meer dan drie bedrijven gevestigd zijn, dan heeft minstens 50 percent van de bedrijven van dat industriegebied reeds een vergunde hoofdfunctie ‘handel, horeca, kantoorfunctie of diensten’; de nieuwe functie behoort tot de functiecategorie ‘handel, horeca, kantoorfunctie of diensten’.” Dat laat toe om in bestaande gebouwen op de industriegebieden andere activiteiten te doen dan de klassieke industriële functies. Kortom, er zijn dus voor autohandelaars, waarbij de autohandel al dan niet gekoppeld is aan een garagebedrijf, wel degelijk vestigingsmogelijkheden voorhanden binnen gebieden die beheerst worden door gewestplanvoorschriften.

Een tweede vraag die zich stelt is welke mogelijkheden er inzake grootschalige kleinhandel planologisch kunnen worden gecreëerd? In de stedelijke gebieden en de economische knooppunten kan volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen een aanbodbeleid voor regionale bedrijventerreinen worden gevoerd. Het RSV beschouwt kleinhandelszones uitdrukkelijk als een specifiek soort regionale bedrijventerreinen, en geeft ter zake locatieprincipes. De kleinhandelszones moeten, volgens het RSV, in de eerste plaats in de stedelijke gebieden worden gerealiseerd en dit onder meer omwille van hun multifunctioneel karakter en de aanwezigheid van hoogwaardige verkeers- en vervoersinfrastructuur. Zoals u waarschijnlijk weet, hebben we op gewestelijk niveau, bij diverse afbakeningsprocessen inzake regionaalstedelijke en grootstedelijke gebieden, kleinhandelszones aangeduid. Dergelijke kleinhandelszones zijn specifiek bedoeld voor grootschalige detailhandelsbedrijven. Ik verwijs dienaangaande bijvoorbeeld naar de definitief goedgekeurde gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor Gent, Kortrijk,Turnhout enzovoort. De provincies zullen ongetwijfeld eveneens kleinhandelszones aanduiden inzake de door hen af te bakenen kleinstedelijke gebieden.

Concluderend meen ik dan ook te mogen stellen dat er enerzijds vestigingsmogelijkheden voorhanden zijn binnen gebieden die beheerst worden door de gewestplanvoorschriften en dat er anderzijds heden ook op planningsvlak wel degelijk rekening wordt gehouden met de naar mijn mening terechte ruimtevraag van de grootschalige kleinhandel. De gewestplannen waren weinig flexibel, maar laten toch wel een aantal mogelijkheden.

Ik denk dat het instrument van de ruimtelijke uitvoeringsplannen het meest geschikt is om op korte termijn tot meer resultaat te komen, zowel op gewestelijk als op provinciaal niveau. Bij mijn weten zijn de meeste bestendige deputaties zeer ernstig bezig met de afbakening van de kleinstedelijke gebieden. Die afbakeningsprocessen gaan gepaard met de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, zodat men ook tegemoet komt aan het fameuze arrest-Nonnenbos van de Raad van State.

De voorzitter: De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert: Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik wilde weten wat mag en wat niet mag in de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en of ze niet de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen mogen doorkruisen.

De voorzitter: Het incident is gesloten.