Nieuwjaarstoespraak MINA-Raad 25 januari 2007

 

  BEDENKINGEN VAN EEN COMMISSIEVOORZITTER LEEFMILIEU

 

 
 

Voor alles, mijn beste wensen voor een gezond en spoedig 2007.

Sinds jaren lid van de commissie leefmilieu stelde ik vast dat de behandeling van ieder milieubeleidspunt al te dikwijls leidde tot een discussie over de keuze vòòr economie of vòòr ecologie. Soms zelfs kreeg ik de indruk dat deze discussie vanuit bepaalde hoeken werd gestimuleerd, minstens met genoegen werd waargenomen dat het discussievuur bleef branden. De eigen vereniging of standengroep van beider kunne kon dan verder zijn nut en eventueel efficiëntie op het veld bewijzen. Tijdens talloze hoorzittingen in het Vlaams Parlement stelde ik met verbazing vast dat die verenigingen en standen niet eens naar mekaar wilden luisteren of naar een punt van overeenstemming zoeken. Een efficiënte, coherente en rationele advisering en medegaande besluitvorming was daar zelden het resultaat van. De voorbeelden hiervan zijn legio. Verwijzen we maar naar de diverse tot stand gekomen mestdecreten…..

Bij het aantreden van deze legislatuur nam ik me dan ook als eerste doelstelling voor om op de plaats, die ik bekleed, minstens geheel de problematiek van het leefmilieu zo wetenschappelijk en objectief mogelijk door deskundigen te laten uitleggen en door vaklui grondig te laten uitspitten. Vooreerst tot onderricht van de parlementsleden, waarvan vele voor het eerst verkozen werden, en vervolgens ook met het oog op een zo doeltreffend mogelijke beleidsmatige aanpak. Inderdaad hoe meer een problematiek door de beleidsmakers is gekend, hoe meer hij geobjectiveerd en genuanceerd wordt en hoe meer het meestal blijkt dat de oplossingen binnen enge grenzen liggen. Mij is dit o.m. opgevallen in de hoorzitting over het recente mestdecreet. De meeste tussenkomsten waren genuanceerd en van een zeer behoorlijk niveau, hetgeen slechts het debat ten goede kwam. We moeten inderdaad af van de discussies betreffende de symbolen. Deze werden al te dikwijls door onwetendheid gevoed en uit dezelfde onwetendheid gevoerd.

Als tweede doelstelling trachtte ik de tegenstelling tussen economie en ecologie te ontmijnen en in de plaats van er een voortdurend strijdtoneel van te maken, een win-win situatie te creëren. In dit laatste geval wordt het draagvlak voor de oplossing veel groter. Meerdere actoren vanuit de economische en ecologische sector komen in eenzelfde stroomrichting samen. Ook de politieke discussie en de soms verregaande profileringsdrang verstomt. Een frappant voorbeeld hiervan is het investeringsprogramma van Volvo-trucs uit Gent-Oostakker dat tegen eind 2007 een CO2-uitstootvrij bedrijf zal vormen. De CO2-vrije uitstoot is gelijk aan deze van een gemeente van 23.000 inwoners. De realisatie betekent een investering van 10 miljoen Euro. Na een lang en interessant colloquium in het bedrijf en hoorzitting in de commissie zaten alle politieke partijen op het einde van de rit op dezelfde golflengte, nl. van dit pionierswerk dient gebruik gemaakt om een spin-off op te richten, die de kennis en de ervaring van het eerste belangrijke initiatief op dit vlak structureert en vermenigvuldigt. Op dat ogenblik springen alle actoren, ook de overheid, op de rijdende trein.

Als derde doelstelling trachtte ik het Vlaams Parlement in het algemeen en de commissie leefmilieu in het bijzonder een voortrekkersrol te laten vervullen. Hierbij is het van belang dat zowel de wetgevende als de uitvoerende macht haar rol speelt met de geëigende instrumenten en dit in goed overleg met elkaar geschied. De Minister van Leefmilieu en het Vlaams Parlement moeten elkaar geen vliegen afvangen. Het is de taak van het Parlement om eigen initiatieven te nemen, verder de uitvoerende macht te controleren en soms bij te sturen, doch niet in een opbodsituate maar met het bereiken van het beleidsdoel voor ogen. Een voorbeeld hiervan is de benadering van de asbestproblematiek : diverse hoorzittingen met allerlei befaamde deskundigen kaderden deze problematiek in zijn juiste proporties, zonder dat het Parlement hierbij de taak van onderzoeksrechter diende over te nemen. Bovendien vond het parlementaire debat een ruime weerklank, niet alleen in de pers doch vooral op het veld. Een goed onderbouwde resolutie geeft duidelijk weer wat iedere maatschappelijke actor kan bijbrengen.

Daarop namen zowel de federale als de Vlaamse regering en de bedrijven reeds een aantal maatregelen, o.m. het asbestplan van de Vlaamse Minister van Leefmilieu, de oprichting van een federaal asbestfonds, de toekenning van een schadevergoeding aan de inwoners van de gemeenten Kapellen-op-den-Bos en Tistelt, die door een asbestaantasting overlijden. Het geeft een zekere voldoening vast te stellen dat een goed parlementair debat een belangrijke maatschappelijke relevantie heeft en ook tot concrete maatregelen leidt. Daarvoor hoefde zelfs geen decreet gemaakt.

Als vierde doelstelling is het noodzakelijk het Vlaams Parlement dichter bij het Europees Parlement te betrekken. Vóór deze legislatuur was Europa een ver-van-mijn-bed-show, terwijl de Europese regelgeving op het vlak van het leefmilieu van bepalend belang is voor de diverse staten en regio’s. Een zesmaandelijks overleg met de Minister en de vertegenwoordigers van beide parlementen werd ingericht en laat toe, op tijd, een bespreking over de Vlaamse en Belgische standpuntname te hebben. Dit is niet zonder belang nu de Vlaamse standpuntname veelal de kar dient te trekken op Belgisch vlak.

Bij herhaling stel ik vast dat er 2 grote uitdagingen in de benadering van de leefmilieuproblematiek zijn, waaraan al te dikwijls wordt voorbijgegaan:

  • Enerzijds de mens die door zijn massale aanwezigheid een enorme impact heeft op het leefmilieu. Dikwijls wordt beleidsmatig geadviseerd en geregeld alsof deze niet bestaat, minstens deze geen belangrijke component van de milieuproblematiek vormt. Meestal gaat onze aandacht ten onrechte alleen naar bedrijven, landbouw, transport.

    Naast de regelgevende ingrepen is een voortdurende sensibilisering van het gedrag en het gebruikspatroon van deze burger evenzo belangrijk, zoniet belangrijker.

  • Anderzijds geldt eenzelfde bemerking voor wat betreft de internationalisering van de leefmilieuproblematiek. Al te dikwijls wordt er van uit gegaan alsof Vlaanderen de enige bepalende regio is. Naast Europa en de Verenigde Staten zijn landen, zoals China en India, toekomstgericht crucialer voor het creëren en het oplossen van het leefmilieu op planetair niveau. Al te veel wordt de Verenigde Staten als de enige grote boeman afgeschilderd. Er zijn 17 staten met een strengere reglementering dan de onze. Zelfs de regering Bush blijkt stilaan van de ommekeer in de leefmilieubenadering overtuigd.

    Het is de uitdaging voor de landen, die de Europese Gemeenschap vormen, in het bijzonder voor Vlaanderen als laboratorium om samen voortrekker op milieuvlak te zijn.

Uit deze korte schets betreffende de diverse doelstellingen van de werking van de commissie Leefmilieu kunnen enkele conclusies getrokken:

  • De win-win situatie tussen economie en ecologie is één van de grote troeven voor onze Vlaamse economie ten dienste van de ecologie, nl. het exporteren van de in Vlaanderen ontwikkelde milieutechnologie Op milieuvlak zijn wij een laboratorium: veel mensen, veel auto’s, veel industrie, dicht wegennet. M.a.w. alle milieuziekten, die een industriële en meer nog post-industriële maatschappij ontmoet, situeren zich in onze regio.

    Het economisch-ecologisch antwoord hierop, dat via doorgedreven wetenschappelijke onderzoek en proefondervindelijke studie tot stand komt, kan over de hele wereld worden geëxporteerd en ten gelde gemaakt.

  • In de advisering is het noodzakelijk alle componenten samen te brengen.

    Zo lijkt het mij evident dat de SERV en de MINA-RAAD samen over dezelfde aangelegenheden adviseren. Nu is dit niet zo en is de advisering soms te veel een weergave van ver van elkaar liggende standpunten.

    Beleidsmatig is dit niet altijd zeer relevant.

    Niet alleen zal deze confrontatie van ideeën bevruchtend werken, doch bovendien zal het beleid hierin een rijke en meer richtinggevende voedingsbodem vinden om de problematiek te ontmoeten en te situeren.

De film van All Gore bracht de milieuproblematiek in het algemeen en de klimaatverandering in het bijzonder in een mediatieke stroomversnelling. Het maatschappelijk geweten werd aangesproken. De geesten evolueren en zijn rijp voor verandering. Vele actoren zijn bereid de nodige inspanningen te leveren. Het politiek draagvlak vergroot.

Laat ons dan ook van deze gunstige tijdsgeest op een verstandige manier gebruik maken om met in achtname van ieders taak en opdracht de maatschappij in de juiste richting te duwen. Dit is het ook wat ik u, Minaraad, voor 2007 van harte toewens.

 

Patrick Lachaert
25 januari 2007