Actuele vraag van 15 juni 2005

 

 
Actuele vraag van mevrouw Joke Schauvliege tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financin en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over een eventuele algemene amnestieregeling voor oude bouwmisdrijven


Actuele vraag van de heer Pieter Huybrechts tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financin, Begroting en Ruimtelijke Ordening, over de vervolging en verjaring van bouwmisdrijven


Actuele vraag van de heer Patrick Lachaert tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financin, Begroting en Ruimtelijke Ordening, over de vervolging van bouwmisdrijven

 
 

 

De voorzitter: Dames en heren, aan de orde zijn de samengevoegde actuele vragen van mevrouw Schauvliege tot de heer Van Mechelen, Vlaams minister van Financin en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over een eventuele algemene amnestieregeling voor oude bouwmisdrijven, van de heer Huybrechts tot minister Van Mechelen, over de vervolging en verjaring van bouwmisdrijven, en van de heer Lachaert tot minister Van Mechelen, over de vervolging van bouwmisdrijven.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Mevrouw Joke Schauvliege (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de bouwmisdrijven staan weer volop in de belangstelling. Twee weken geleden werd het probleem opnieuw heel actueel toen we via de media vernamen dat de inboedel van een gezin onterecht, zo bleek achteraf werd opgeladen. Na al die media-aandacht bleek dan toch een oplossing mogelijk te zijn.

Ik vind dat geen goede zaak. Op die manier ontstaat de indruk dat er bij voldoende media aandacht, wel een oplossing uit de bus kan komen. Daarnaast wekt dit ook de indruk van een ongelijke behandeling. Bij de ene wordt het vonnis uitgevoerd, bij de andere niet. Dit is een slechte zaak voor het imago van het gerecht, de politiek en de administratie.

Het gaat over bouwmisdrijven, met andere woorden over gebouwen die zijn opgetrokken zonder bouwvergunning. Dat kan bewust gebeurd zijn: er zijn mensen die bewust bouwen zonder vergunning of die de vergunning naast zich neerleggen. Het kan echter ook onbewust gebeurd zijn: er zijn onschuldige bezitters die een woning hebben verworven en pas achteraf vaststellen dat daar een bouwmisdrijf aan vasthangt.

Iedereen voelt aan dat het onrechtvaardig is als de overheid, na jarenlang niets te hebben gedaan, na 20 jaar plots een aantal maatregelen neemt zoals het opleggen van boetes en de afbraak van woningen. We moeten er voor de toekomst over waken dat er snel wordt gecontroleerd en opgetreden.

In 2003 werd een decreet goedgekeurd. Daarin staat dat de verjaring van een bouwmisdrijf na een strafrechtelijke vordering 5 jaar bedraagt. Ook werd erin opgenomen dat er een Hoge Raad voor het Herstelbeleid zou worden opgericht. Ze zou als filter moeten dienen als er een herstelmaatregel werd gevorderd.

Nu blijkt dat er op het terrein heel wat onduidelijkheid bestaat. Die is eerst en vooral ontstaan omdat het Arbitragehof in januari een arrest heeft geveld waarin een deel van het decreet werd vernietigd. Daarnaast is het ook zo dat als een zaak na 5 jaar strafrechtelijk is verjaard, de burgerrechtelijke vordering tot herstel nog gedurende 20 jaar kan worden gevorderd. Dat zorgt voor verwarring, want mensen denken dat een zaak verjaard is, terwijl dat niet het geval is. Er kan nog worden beslist tot afbraak of tot het betalen van een boete.

Mijnheer de minister, we hebben u in januari over deze zaak genterpelleerd. Daarop hebben we een voorstel van resolutie ingediend. We vroegen u daarin om na te gaan welke initiatieven er nodig zijn en om zo snel mogelijk een ontwerp van decreet in te dienen. Daarnaast hebben we u ook gevraagd om zo snel mogelijk de Hoge Raad voor Herstel op te richten.

5 maanden later verschijnt er in de krant een interview met de hoofdinspecteur van de Bouwinspectie. Hij zegt dat hem werd gevraagd een algemene amnestieregeling uit te werken met betrekking tot de oude bouwmisdrijven. Die opdracht werd nadien door u ontkend.

Mijnheer de minister, hebt u de administratie de opdracht gegeven een algemene amnestieregeling uit te werken? Indien neen, hoe komt het dan dat de hoofdinspecteur daarover een verklaring heeft afgelegd in de pers? Hoe kunnen we de verkeerde schijn die werd gewekt dat er een ongelijke behandeling is tussen burgers, zo snel mogelijk wegwerken? Moet er een decreetgevend initiatief worden genomen, of volstaat het via bijvoorbeeld een omzendbrief richtlijnen te geven, zodat de administratie op een uniforme manier optreedt en er ook een afstemming is tussen de administratie en de beleidslijn die door u wordt uitgetekend? (Applaus bij CD&V)

De voorzitter: De heer Huybrechts heeft het woord.

De heer Pieter Huybrechts (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, geachte collegas, enkele dagen geleden verklaarde het afdelingshoofd van de Bouwinspectie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat hij, nota bene in opdracht van de Vlaamse overheid, een algemene amnestieregel moest uitvoeren voor oude bouwmisdrijven voor gebouwen die niet waren gelegen in kwetsbare gebieden of waar al een gerechtelijke uitspraak op rustte.

Deze topambtenaar verklaarde dat hij een groot voorstander was van een dergelijke amnestiemaatregel. Hij had kritiek op het huidige verjaringsdecreet en op het feit dat bepaalde personen de dans ontspringen, terwijl anderen, die in hetzelfde geval verkeren, wel veroordeeld worden. Zo stelt hij: We kunnen nu beter de spons halen over al die oude illegale constructies, zodat de inspecteurs van Stedenbouw zich kunnen richten op de gebieden in plaats van op individuen.

Mijnheer de minister, eigenaars van oude, illegale bouwsels hebben recht op duidelijkheid en rechtszekerheid. Een aantal schrijnende gevallen die in de pers zijn verschenen, tonen duidelijk aan dat dit niet het geval is. Het betreffende afdelingshoofd zegt nog meer: Gaat het om de strafvervolging die verjaart en blijft het misdrijf bestaan? Of verdwijnt het misdrijf na 5 jaar? Strafrechtelijk maakt het wel een groot verschil. Maar zelfs als de overtreder na 5 jaar geen boete of celstraf meer riskeert, kunnen er nog steeds via een burgerlijke procedure maatregelen tegen het illegale bouwsel worden genomen.

Dit is dus een zeer belangrijke boodschap aan de bevolking: Het is nt gedaan na vijf jaar! Mijnheer de minister, wat is het nu? Is het nu wel of niet afgelopen na vijf jaar? De kakofonie van tegenstrijdige berichten komt bij de talrijke betrokkenen erg negatief over.

Wat is uw reactie op de interpretatie en de kritiek van het afdelingshoofd van de bouwinspectie? Wat gaat u doen om eindelijk een definitief einde te maken aan alle misverstanden en misvattingen omtrent de uitvoering van het verjaringsdecreet? (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter: De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, leden van de regering, dames en heren, ik vraag me af hoe de burger hieraan uitgeraakt als we er zelf al niet aan uitgeraken, en als juristen zoals mevrouw Schauvliege alles dooreen halen.

In het eerste jaar Rechten leert men wat een misdrijf is waar u het over hebt. Dit is een Vlaamse materie en wordt geregeld in het decreet van 18 mei 1999. Daarnaast is er de uitvoering van een definitieve gerechtelijke uitspraak, wat is opgenomen in het wetboek van strafvordering. Dat is dan weer een federale materie. Dat wordt in het eerste jaar rechten geleerd.

Waar het in de kranten over gaat, is de uitvoering van definitieve gerechtelijke uitspraken. Dat is dus een federale materie. Het wetboek op de strafvordering moet eventueel worden veranderd in de zin dat een definitieve gerechtelijke uitspraak maar tot vijf jaar mag worden uitgevoerd, zoals dat in Nederland het geval is. In Belgi mag de uitspraak over een heel lange termijn worden uitgevoerd. Het moet voor de wetgever duidelijk zijn waarover het gaat. Dat is een essentieel uitgangspunt.

Het gaat niet over de verjaring van stedenbouwkundige misdrijven, maar wel over de definitieve gerechtelijke uitspraak. Mijnheer de minister, er zijn door het decreet van 18 mei 1999 drie ambtenaren aangesteld: een planologisch ambtenaar, een stedenbouwkundig inspecteur en een gewestelijk ambtenaar. Haalt de bewuste stedenbouwkundige inspecteur vonnissen uit de doos en voert hij ze versneld uit? De stedenbouwkundig inspecteur komt op twee momenten tussen: op het ogenblik dat hij zijn vordering doorschuift naar het parket en op het ogenblik dat er een definitieve gerechtelijke uitspaak is die moet worden uitgevoerd.

In het decreet van 28 mei 2004 staat dat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid wordt genstaureerd en een dwingend bindend advies geeft op die twee momenten in de procedure. Mijnheer de minister, klopt het dat de inspecteur een onafhankelijk statuut heeft en naar niemand moet luisteren? Kan het dat een stedenbouwkundig inspecteur die ook maar een ambtenaar is, zijn beleidsvisie weergeeft in de kranten over het handhavingsbeleid?

De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft het woord.

Minister Dirk Van Mechelen (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, het is niet de eerste maal en, naar ik vrees, ook niet de laatste maal dat we ons in het Vlaams Parlement over de problematiek van de handhaving van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen moeten buigen. Ik ben evenwel van mening dat we door middel van het verjaringsdecreet van 4 juni 2003 een belangrijke stap in de goede richting hebben gezet. We hebben onze verantwoordelijkheid opgenomen. We hebben duidelijk gemaakt in welke richting we willen gaan en hoe ver we willen gaan. Het lijkt me vrij belangrijk dit hier nogmaals te benadrukken.

We hebben in het reeds vermelde decreet bepaald dat een bouwmisdrijf na vijf jaar strafrechtelijk kan verjaren. Zoals de heer Lachaert daarnet in vrij juridische termen heeft verklaard, hebben we het bouwmisdrijf hiertoe als een permanent misdrijf moeten schrappen.

We hebben in hetzelfde decreet tevens bepaald wie uiteindelijk moet optreden en de strafrechtelijke en burgerrechtelijke herstelmaatregelen moet aanvragen. Op dat ogenblik heeft het Vlaams Parlement besloten zich hiervoor niet langer op artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 te baseren.

Sindsdien treedt de stedenbouwkundig inspecteur niet langer ad personam op. Hij kan zijn aanvraag tot strafrechtelijke en burgerrechtelijke herstelmaatregelen enkel na een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid indienen. Dit college van zeven specialisten wordt voorgezeten door een jurist en bestaat voor het overige uit drie magistraten en drie deskundigen op het vlak van de ruimtelijke ordening.

Het Vlaams Parlement heeft tevens beslist om met betrekking tot de herstelmaatregelen steeds om de meerwaarde te vragen. Er zijn slechts drie uitzonderingen op dit principe. De eerste uitzondering betreft het manifest negeren van een stakingsbevel. De tweede uitzondering betreft flagrante hinder voor de buren. De derde uitzondering betreft het schenden van essentile bestemmingsvoorschriften met zwaarwichtige en onherstelbare schade tot gevolg.

Verder is toen besloten dat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid eveneens een eensluidend advies over vonnissen en arresten in kracht van gewijsde moet geven. Dit is fundamenteel voor de gebeurtenissen van de voorbije veertien dagen. Een stedenbouwkundig inspecteur mag enkel met een machtiging door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid tot een boedelbeslag overgaan.

Mevrouw Schauvliege, ik wil hier nog even terugkomen op de interpellatie die u in de loop van het voorjaar over dit onderwerp hebt gehouden. De Hoge Raad voor het Herstelbeleid heeft decretaal de mogelijkheid gekregen om beleidsadviezen over de handhaving te formuleren.

Zoals de heer Lachaert daarnet uitstekend heeft verwoord, moeten we goed weten waarvoor we wel en niet bevoegd zijn. Er is een verschil tussen het indienen van herstelmaatregelen en het uitvoeren en verjaren van vonnissen en arresten. Dit laatste punt valt onder artikel 2.262 bis, paragraaf 1, van het Burgerlijk Wetboek. Tenzij hij door andere maatregelen wordt gestuit, bedraagt de verjaringstermijn tien jaar.

Mevrouw Schauvliege, u bent van mening dat we het decreet snel moeten bijsturen. Mijns inziens hebben de meerderheids- en oppositiefracties in de Commissie voor Leefmilieu en Natuur, Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid en Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed afgesproken in de loop van het komend najaar een grote decreetswijziging voor te bereiden. Deze ene wijziging zou alle benodigde aanpassingen moeten omvatten. Op die manier kunnen we vermijden dat we gedurende een lange tijd wijziging na wijziging moeten afkondigen. Ik veronderstel dat iedereen het erover eens is dat niemand op een dergelijke rechtsonzekerheid aandringt.

U pleit in uw persbericht voor spoed. Wel, ik heb u een mail gestuurd met de vraag om uw voorstellen in te dienen. Op vrijdag 18 maart om 13.37 uur hebt u mij een antwoord gestuurd. Daarin staat het volgende: 20 april is voor ons qua timing echt niet haalbaar. Het verleden heeft uitgewezen dat spoed niet altijd garant staat voor kwaliteit. Bovendien meen ik dat voor de verjaring van bouwmisdrijven de minister toch een evaluatie plant na een aantal maanden, wat aldus nog een bijkomende wijziging zou kunnen opleveren. U stelde in dat antwoord ook voor dat op een interkabinettenwerkgroep een haalbare datum zou worden afgesproken, bijvoorbeeld september.

Ik heb tegen de oppositie in de commissie gezegd dat voorstellen van decreet kunnen worden gekoppeld aan een ontwerp van decreet en dat we in het najaar een grote discussie zullen voeren in de Commissie voor Ruimtelijke Ordening. De bedoeling daarvan is dat er wijzigingen worden doorgevoerd. Een andere optie is natuurlijk dat er opnieuw een opbod van voorstellen van decreet komt en dat iedereen zijn gelijk probeert te halen. Volgens mij zou dat laatste het complexe decreet op de ruimtelijke ordening geen goed doen.

Mijnheer Lachaert, zoals u zelf hebt gezegd, heeft het decreet van 18 mei 1999 in artikel 149 een tamelijk grote autonomie gegeven aan de stedenbouwkundig inspecteur. Uit rechtspraak blijkt echter dat er in dit verband twee stellingen zijn. De eerste is die van de heer Detaye, terug te vinden in het boek Handhaving ruimtelijke ordening, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de bevoegdheid van de stedenbouwkundig inspecteur is gedelegeerd vanuit het Vlaamse Gewest en dat hij dus hirarchisch onder toezicht daarvan valt.

De andere stelling is die van de heer Debersaques van de Raad van State: hij stelt dat de stedenbouwkundig inspecteur een zelfstandige beoordelingsbevoegdheid heeft.

Ik denk het weinig zin heeft om uit te maken welke stelling de meest waardevolle is. De oprichting van de Hoge Raad is gepland op 22 juli. De dag waarop de Hoge Raad begint met functioneren, is dit debat voorbij.

Mijnheer Huybrechts, ik zal heel duidelijk zijn. In de context van de afspraken in de commissie heb ik niet alleen aan de fracties gevraagd om voorstellen in te dienen in verband met de herziening van het decreet, ik heb dat ook gevraagd aan de afdeling Ruimtelijke Planning en de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en Handhaving van mijn administratie.

Op 6 juni kreeg ik een nota van de secretaris-generaal met een opsomming van mogelijke bepalingen in verband met de aspecten planning en vergunning. Er zit in die nota ook een bladzijde over aspecten inzake handhaving. Een onderdeel daarvan zijn de eenmalige amnestiemaatregelen. Ik wil duidelijk zijn: ik heb de opdracht gegeven aan de administratie om voorstellen in te dienen ter versterking van het decreet, ik heb nooit gevraagd een eenmalige amnestiemaatregel te verkondigen.

De stedenbouwkundig inspecteur stelt in de nota dat het toepassingsgebied het misdrijf van de instandhouding en oprichting in niet-kwetsbare gebieden betreft. Hij stelt ook dat dit wordt gekoppeld aan de uiterste termijn voor herstelvordering wegens oprichting. Dat is 20 jaar na de volledige voltooiing van de constructie. Het zou hier dus gaan over gebouwen van voor 1985, waarvan de eigenaar binnen een nog te bepalen periode een aangifte doet bij het bestuur. De eigenaar moet bij die aangifte het bewijs voegen dat de toestand zoals weergegeven met betrekking tot de situatie van 20 jaar geleden niet is gewijzigd. Dan zou de mogelijkheid bestaan om een attest te bekomen waardoor de strafvordering en de herstelvordering vervallen en de constructie wordt gedoogd. Het gaat dan dus niet over een vergunde constructie. In heel die situatie zal echter niet worden geraakt aan vonnissen en arresten in kracht van gewijsde. Ik denk niet dat dit amnestie is zoals de meesten het hadden begrepen uit het artikel in de Gazet van Antwerpen.

Een ambtenaar heeft spreekrecht in Vlaanderen. Dat blijft best zo. We leven niet meer in de jaren dertig, toen dat verboden was. Ik vind dat iedere ambtenaar spreekrecht heeft en ook moet spreken als het nodig is. Er is echter een groot verschil tussen spreken en als ambtenaar de indruk wekken dat hij beleidsvoorstellen aan het toelichten is, terwijl die nog niet doorgenomen zijn of gesteund worden door de uitvoerende macht of de wetgevende macht. Neem me niet kwalijk, maar dit lijkt me toch een brug te ver. Ik heb hierover dan ook een gesprek gehad met de secretaris-generaal en met de directeur generaal, om melding te maken van het feit dat dit volgens mij niet door de beugel kan.

Tot slot zou ik willen zeggen dat stedenbouwkundige ambtenaren en stedenbouwkundige inspecteurs ook ten dienste van de Vlaamse burger staan. Ik vind dat ze de plicht hebben om daadkrachtig op te treden waar nodig, in positieve zin wanneer het het vergunningenbeleid betreft en door handhaving wanneer het nodig is, en dat doet men door stilleggingen. Ik zeg u echter dat Vlaanderen niet zit te wachten op een pestbeleid op het vlak van handhaving. Ik zal er dan ook over waken dat deze Hoge Raad zo snel mogelijk kan beginnen te functioneren en dat de zweem van willekeur definitief verdwijnt.

Mijnheer Huybrechts en mevrouw Schauvliege, ik denk dat u intelligent genoeg bent om te weten dat u de dingen niet door elkaar mag mixen en zo voorstellen. De zaak-Melle is in de verste verte niet te vergelijken met de zaak-Zutendaal. In de zaak-Melle gaat het over een zonevreemde woning waarvan de verbouwing werd vergund, maar waarbij de verbouwing heeft geleid tot een herbouwen, waarvoor uiteindelijk een correctioneel vonnis werd geveld, bekrachtigd door het hof van beroep met het arrest en nog eens bekrachtigd in cassatie, met dwangsommen. Ondertussen hebben we als decreetgevers de spelregels gewijzigd: artikel 145 bis bepaalt nu dat men niet alleen mag verbouwen maar ook herbouwen, waardoor de zaak-Melle vandaag perfect vergunbaar is, op voorwaarde dat de woning op het moment van de eerste bouwaanvraag niet verkrot was. Door het feit dat de gemachtigde ambtenaar van Oost-Vlaanderen een bouwvergunning heeft uitgereikt voor het verbouwen van deze zonevreemde woning, mag men redelijkerwijze concluderen dat die woning op dat moment niet verkrot was. Daarom heb ik mijn verantwoordelijkheid opgenomen en gehandeld volgens het ministerile besluit, dat ik zelf had ondertekend. Het dossier werd me voorgelegd met de argumentatie de woning was onbetwistbaar verkrot, maar na het bestuderen van het dossier heb ik gezegd dat die woning niet onbetwistbaar verkrot was en dat ik de woning dus vergun. Dit ontslaat de eigenaars natuurlijk niet van de correctionele veroordeling opgelopen met betrekking tot het bouwmisdrijf of van de dwangsom.

Bij de zaak-Zutendaal gaat het niet over het verbouwen van een zonevreemde woning maar over een illegale constructie. Die woning werd in 1974 bij ministerieel besluit geweigerd, er werden strafsancties tegen uitgesproken, er waren veroordelingen en hernieuwde klachten van burgers bij parketten in 1998. In dit geval wordt de stedenbouwkundige inspecteur geacht om op te treden.

Ik rond af: laat ons er dus geen zootje van maken. Het is een complex dossier, zoals de heer Lachaert terecht heeft gesteld. Er zijn verschillende wetgevingen, er zijn verschillende regelgevingen. Ik ben en ik blijf bereid om samen met u de regelgeving te blijven verfijnen, soepel als het kan, maar streng als het moet. Laat ons de juiste mensen in bescherming nemen en niet de verkeerde. (Applaus bij de VLD)

De voorzitter: Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Mevrouw Joke Schauvliege: Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik zou eerst en vooral willen antwoorden aan de minister en aan onze eminente jurist, de heer Lachaert, dat ik alleen maar kan vaststellen dat er een handhavingsdecreet werd goedgekeurd, dat ondertussen door het Arbitragehof werd vernietigd omdat twee bepalingen, namelijk onaanvaardbare hinder en ernstige inbreuk, door het Arbitragehof als juridisch niet correct geformuleerd werden beschouwd. Ik kan alleen maar vaststellen dat dit is gebeurd en dat daardoor heel wat onduidelijkheid op het terrein is ontstaan.

Mijnheer de minister, ik heb in mijn vraag verwezen naar een resolutie die hier in het Vlaams Parlement werd goedgekeurd op 7 februari 2005 en die ook door de heer Lachaert werd goedgekeurd. In die resolutie wordt duidelijk gevraagd aan de Vlaamse Regering om zo snel mogelijk een evaluatie te maken naar aanleiding van die vernietiging door het Arbitragehof en om dan ook zeer snel met een ontwerp van decreet naar het Parlement te komen.

In die resolutie hebben we er ook op aangedrongen dat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid zo snel mogelijk zou worden opgericht. Ik stel vast dat dit nog niet is gebeurd en dat ook de Hoge Raad voor Herstelbeleid momenteel nog niet is genstalleerd. Om die reden heb ik aangedrongen op een spoedige aanpak van de problematiek. U verwijst naar een e-mail die ik u in april naar zou hebben toegestuurd met de vraag om uitstel. Ik denk dat u de zaken in een totaal verkeerde context plaatst.

Het is inderdaad zo dat u ons in maart hebt samengeroepen en gevraagd om binnen de 3 weken alle artikelen van het decreet die nog tijdens deze legislatuur moeten worden gewijzigd, te benoemen. Ik heb toen geantwoord dat het onmogelijk was om op 3 weken alle artikelen aan te duiden die op 5 jaar moeten worden gewijzigd. Dat staat volledig los van het handhavingsbeleid, er is immers een vernietiging van het Arbitragehof. Het hof stelt duidelijk dat het decreet juridisch niet in orde is. Ik ben blij dat u in de toekomst zo snel mogelijk werk wenst te maken van een aanpassing van het handhavingsdecreet. Dat is trouwens voor iedereen beter. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft het woord.

Minister Dirk Van Mechelen: Ik ben geen jurist, u wel. Tenzij ik me volledig vergis, heeft de uitspraak van het Arbitragehof van 19 januari 2004 het decreet van dit parlement niet vernietigd, maar wel twee zinsneden eruit. De eerste heeft betrekking op de datum van 1 mei 2000, de tweede op de uitzondering van de verjaring. Van de drie criteria is er een weerhouden. De verjaring van een bouwmisdrijf in een kwetsbaar gebied kan niet worden toegepast omdat het bouwmisdrijf onomstootbaar bewijsbaar is, in tegenstelling tot de verjaring van het bouwmisdrijf omwille van ernstige burenhinder. Het Arbitragehof stelde in dit verband dat het begrip burenhinder zeer moeilijk te omschrijven is.

Het handhavingsdecreet is voor 95 percent overeind gebleven. Buiten de twee punten die zijn geschrapt, draagt dit decreet op bijzondere wijze bij tot het decreetgevende werk van dit parlement.

Ik heb niet de gewoonte om een politieke discussie over de waarheid of eventuele onwaarheden aan te gaan. Wij hebben een politieke afspraak om het decreet na te kijken en in het najaar bij te sturen op basis van voorstellen. Als ik u nu goed begrijp, zegt u daarop neen en wenst u het decreet tussentijds te herzien. Het initiatief zal echter niet van mij komen. Ik leg een ontwerp van decreet voor aan de Vlaamse Regering in de loop van de maand september, conform de afspraak die in de commissie is gemaakt.

Met betrekking tot de oprichting van de Hoge Raad, weet u dat wij de raad hebben opgericht. Er is echter een probleem gerezen, namelijk de genderproblematiek. Op basis van de eerste oproep heeft zich slechts n dame kandidaat gesteld voor de Hoge Raad en kon ik er dus slechts n opnemen in de Hoge Raad. Mij is echter onmiddellijk de wacht aangezegd vanuit het terrein ik zal beleefd blijven. Iedere beslissing van de Hoge Raad kan op zijn rechtsgeldigheid worden aangevochten. Ik heb de politieke verantwoordelijkheid opgenomen om de Vlaamse Regering van dit probleem op de hoogte te stellen. Het voorstel is de aanstelling te vernietigen en een nieuwe procedure op te starten met de bede dat genoeg dames zich kandidaat zouden stellen. Op die manier kan ik tenminste aan de genderproblematiek tegemoet komen en de Hoge Raad rechtmatig oprichten zodat niemand nog de uitspraken en adviezen kan betwisten.

Tot slot lanceer ik nogmaals een oproep om dit debat op een serene manier binnen een redelijke tijd te voeren. Ik zal in september een grondige wijziging van het decreet van 18 mei 1999 aan de Vlaamse Regering en nadien aan het Vlaams Parlement voorleggen.

De voorzitter: Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Mevrouw Joke Schauvliege: Ik stel alleen maar vast dat u naar een politieke afspraak verwijst. Dit weekend lees ik echter in de krant dat u de administratie de opdracht hebt gegeven om een amnestieregeling uit te werken. Ik kon niet anders dan daarop reageren. Dat is toch normaal.

De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft het woord.

Minister Dirk Van Mechelen: Het feit dat een minister tijdens de voorbereiding van de wijziging van het decreet zijn administratie vraagt om voorstellen in te dienen, lijkt mij logisch.

Mevrouw Schauvliege, als u mijn antwoord niet hebt begrepen, wil ik het nog eens herhalen. Ik heb geen opdracht gegeven om een amnestiemaatregel uit te werken. Ik heb hier formeel gezegd dat de stedenbouwkundig inspecteur zijn boekje te buiten is gegaan.

De voorzitter: De heer Huybrechts heeft het woord.

De heer Pieter Huybrechts: Mijnheer de minister, het voorstel van amnestie, zoals het door u werd geformuleerd en werd geuit door het hoofd van de inspectie, is voor ons geen aanvaardbare oplossing.

U weet dat het Vlaams Blok of het Vlaams Belang, vroeger het Vlaams Blok steeds consequent heeft geijverd voor een algemene amnestiemaatregel voor oude bouwmisdrijven. Ik verwijs hiervoor naar de talrijke initiatieven die we in het Vlaams Parlement hebben ingediend.

Op 3 februari 2005 hebben we een met redenen omklede motie ingediend. Op 23 februari werd over deze motie gestemd, maar ze werd door alle andere partijen jammer genoeg ook door CD&V verworpen.

Mijnheer de minister, het Vlaams Belang blijft aan de andere partijen consequent vragen om een streep te halen door het verleden en de spons te halen over alle oude illegale constructies. Voor onze partij is dat de enige aanvaardbare oplossing.

De voorzitter: De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Patrick Lachaert: Mijnheer de minister, zoals u terecht zegt, blijft voor een jurist het decreet van 28 mei 2004 overeind, behoudens de korte vernietigingen die erop volgden. Misschien tot onvrede van de stedenbouwkundig inspecteur, maar dat laat ik in het midden.

Voor de politici: we moeten niet alles geloven wat in de kranten staat. We moeten zelf een evaluatie maken.

De voorzitter: Het incident is gesloten.