Visietekst

 

POLITIEK OPBOD KOMT EEN RATIONEEL KLIMAATBELEID NIET TEN GOEDE

Het klimaat is de laatste weken en maanden weer een ‘hot’ thema. Al Gore bracht met zijn film “An inconvenient Truth” het thema in de wereldactualiteit. De Kapelse huisvrouw Margaretha Guidone schudde eerst Vlaanderen wakker door de problematiek aan te kaarten bij ons, politici, én nadien door haar getuigenis op de klimaattop in Naïrobi. De EU-commissie stelde een duurzaam energiebeleid voor. En ga zo maar door…

De Europese Raad heeft in juni 1998 in Luxemburg de globale inspanning van de Europese Unie, nl. een reductie van 8% t.o.v. 1990, verdeeld over de lidstaten. Als gevolg van deze verdeling zal België tegen 2012 de uitstoot van Kyoto broeikasgassen met 7,5 % t.o.v. het niveau van 1990 dienen terug te dringen. De inventaris van de broeikasgas-emissies in ons land leert echter dat deze t.o.v. 1990 gestegen zijn en pas voor het eerst in 2006 met 1,1% gedaald. Het is dus duidelijk dat ons land en ook Vlaanderen voor een ernstige trendbreuk staan. Enige omzichtigheid met eenzijdige acties door de EU is geboden met het oog op de vrijwaring van de concurrentiepositie en het mogelijk maken van verdere groei. Berekend werd dat de uitvoering van Kyoto 1,5% van het Belgisch BNP zou kosten, m.a.w. 3,3 miljard Euro.

Indien Vlaanderen de 7,5% doelstelling wil halen, dient deze een reductie van 20% t.o.v. 1990 te realiseren, wat een zeer dure opgave wordt (geschat wordt tussen de 3,5 tot 8,4 miljard Euro).

Bepaalde sectoren hebben al heel wat inspanningen geleverd. Zo daalde de uitstoot van broeikasgassen door de industrie tussen 1990 en 2004 met 9,5%. De betrokken bedrijven moeten dus op de ingeslagen weg verder gaan. Tegelijkertijd kunnen ze echter ook hun concurrentiepositie verbeteren, nu tijdig en zonder grote schokken kan worden ingespeeld op de huidige en komende (vooral Europese) regelgeving terzake.

We moeten in Vlaanderen promoten waar we sterk in zijn. En dat is het ontwikkelen van nieuwe technologieën. We moeten vanuit de (Vlaamse) overheid bedrijven blijven stimuleren om nieuwe technologieën te ontwikkelen. En wanneer we dit linken aan de klimaatproblematiek, moet het al snel duidelijk worden dat ondernemingen, die werk maken van milieuvriendelijke en uitstootverminderende technieken, een extra stimulans verdienen. Een mooi voorbeeld hiervan is het bedrijf VOLVO-TRUCKS te Gent, dat een investering van 10 miljoen EURO plant en in 2006-2007 uitvoert om eind 2007 een volledig CO2-uitstoot vrij bedrijf te worden. Hiermee wordt de CO2 uitstoot gelijk aan deze van 7500 gezinnen vermeden.

Door deze nieuwe technieken creëren we immers een WIN-WIN situatie. Vooreerst kunnen we door de nieuw ontwikkelde technieken de uitstoot van CO2 verminderen. Vervolgens kunnen de betrokken ondernemingen de nieuw ontwikkelde technieken in Vlaanderen en het buitenland verkopen, wat onze bedrijven een stuk concurrentiëler maakt.

Ook premier Verhofstadt stelt in zijn vierde Burgermanifest dat een antwoord op de nucleaire vraag er enkel kan komen indien er vooruitgang kan geboekt worden op vlak van de technologie, en dus ook voor milieutechnologie.

De industrie is niet de enige sector die meespeelt in de reductie van CO2. Naast de industriesector is ook de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw sinds 1990 gedaald. Dit is o.a. te wijten aan een daling van de veestapel.

Als we nu vaststellen dat de Industrie en de Landbouw op de goede weg zijn, dan dienen ook de andere bronnen van vervuiling aangepakt. Alleen de transportsector aanduiden als de grote schuldige is al te gemakkelijk. De problemen situeren zich ook op andere vlakken, m.n. in de energiesector en de verwarming van gebouwen.

Het is inderdaad zo dat de transportsector in stijgende mate tot de Vlaamse emissierekening bijdraagt. In 2004 nam die 17% van de CO2-emissies voor zijn rekening. De problematiek in deze sector moeten we in 2 verschillende luiken aanpakken.

Vooreerst dienen maatregelen genomen in het beroepstransport. Bij het gebruik van een snelweg rijdt meestal een muur van vrachtwagens op de uiterste rechterrijstrook. In heel wat gevallen zijn dit zelfs buitenlandse transportfirma’s. We kunnen hun aandeel laten dalen enerzijds door de binnenvaart en het transport per spoor te promoten en voor de noodzakelijke infrastructuur te zorgen anderzijds door een wegenvignet voor vrachtwagens via een stelsel van nummerplaatherkenning in te voeren (gepland om begin 2008 in voege te treden). Belgische vrachtwagenondernemingen kunnen dit via de fiscaliteit recupereren, het aantal buitenlandse vrachtwagens zal wellicht verminderen, minstens worden deze gesensibiliseerd. En dragen een deel van de kosten voor het gebruik van de wegeninfrastructuur van een transitregio.

Maar enkel het beroepstransport aanpakken is niet dé oplossing. Ook de burger moet zijn steentje bijdragen in het privé-vervoer. De geldende normen voor de CO2 uitstoot, die voor het wagenpark opgelegd worden, moeten streng blijven zodat iedereen binnen een aantal jaren wellicht met een milieuvriendelijke wagen rijdt.

Dit is evenwel onvoldoende om het probleem van het particuliere autopark aan te pakken.

Enkel een verschuiving naar meer energie-efficiënte transportmiddelen en het verbeteren van de energie-efficiëntie van wegvoertuigen kan het energiegebruik van transport verminderen. Waarschijnlijk kan de doelstelling van het convenant met de automobielindustrie voor de reductie van C02 uitstoot voor 2008 niet gehaald worden. In 2004 bedroeg de CO2-reductie 12,4% tov 1995, terwijl de doelstelling een reductie van 25% tegen 2008/2009 beoogt. Ook hier zijn verdere technologische verbeteringen noodzakelijk. Het koopgedrag naar meer energiezuinige wagens moet tevens gestuurd worden. Deze wagens zijn nu reeds beschikbaar, de marktintroductie blijft daarentegen beperkt.

Uit onderzoek blijkt dat milieuperformantie van de wagen weinig tot zeer weinig belang heeft als criterium bij de aankoop van een nieuwe wagen. De prijs is het belangrijkste criterium in de aankoopbeslissing.

Fiscale voordelen in functie van de milieuprestaties van de voertuigen kunnen het aankoopgedrag van de consumenten bijsturen. De VLD is reeds lang voorstander om de belasting, die nu op het bezit van een wagen geheven wordt, af te schaffen en die belasting naar het gebruik van de wagen te verplaatsen. Door de accijns te verhogen op de brandstof worden enkel die mensen belast, die effectief van de wagen meer gebruik maken. Dit is een stimulans om de wagen minder te gebruiken én een stimulans om meer zuinige, milieuvriendelijke en emissie-arme wagens te produceren. Door de accijnzen voor de milieuvriendelijke brandstoffen te beperken wordt bovendien het gebruik van biobrandstoffen aangemoedigd. Deze piste van het verschuiven van de belasting kan evenwel slechts worden bewandeld voor zover er voldoende alternatieve verkeersmodi voorhanden zijn. Deze laatsten dienen te beantwoorden aan de eisen van comfort, snelheid, flexibiliteit, stiptheid en prijs.

Wanneer de registratiebelasting van wagens wordt geschrapt en de CO2-component verplicht zou worden opgenomen in de berekening van de verkeersbelasting, zou dat leiden tot een bijkomende verlaging tot 132g CO2/km t.o.v. gemiddeld 140g CO2/km. De Vlaamse regering keurde in juli 2006 het principe goed om de BIV en de Verkeersbelasting op de Ecoscore te baseren.

Naast de transportsector zijn de grootste CO2 vervuilers de energiesector en de particuliere huisverwarming, m.a.w. de gezinnen.

In Vlaanderen is meer dan 83% van de broeikasgasuitstoot een direct gevolg van energiegebruik. We realiseren ons misschien te weinig dat de omstandigheden rond energie de afgelopen jaren fundamenteel veranderd zijn. De olieprijs is uit de pan gerezen. Daarnaast spelen ook de onstabiele politieke situatie in het Midden-Oosten en de politiek van Rusland een rol. Rusland heeft in januari 2006 bewezen dat het wel degelijk de gaskraan toedraait wanneer het wil, nl. in Oekraïne, in Wit-Rusland. België is een klein land en heeft zelf amper natuurlijke rijkdommen. We moeten op verschillende paarden wedden zodat we niet alleen van één energiebron afhangen. We zijn op een cruciaal punt gekomen. We moeten nu goed uitkijken waar we heen willen.

Groen ! heeft als dé oplossing voor de vermindering van de CO2 uitstoot door energieproductie het sluiten van alle kern- en andere centrales voorgesteld. Dit ongenuanceerd sluiten vergroot alleen het probleem. Immers 60% van de Belgische elektriciteitsproductie wordt nucleair opgewekt, wat sinds begin de tachtiger jaren heeft bijgedragen tot een vermindering van de CO2 uitstoot van de elektriciteitssector met 35%. Als opnieuw naar energieopwekking via fossiele brandstoffen wordt overgeschakeld, zal dit tot gevolg hebben dat de CO2-bijdrage opnieuw zal verdubbelen. De twee doelstellingen samen, nl. het implementeren van de Kyoto-normen en het totaal schrappen van kernenergie, zijn in ons land zeer moeilijk met elkaar te verzoenen. Alles met alternatieve energie realiseren lijkt al even onrealistisch. De bijdrage van hernieuwbare energiebronnen blijft, ondanks een sterke groei de laatste jaren, beperkt tot 1%.

Al Gore, die de hype rond de klimaatproblematiek ook in de Belgische politiek op gang trok, is geen totale tegenstander van kernenergie. Hij gelooft zelfs dat de bouw van nieuwe kerncentrales een gedeeltelijke oplossing kan bieden voor de hoge CO2 uitstoot van centrales, die op fossiele brandstoffen draaien.

Daarnaast stelt ook de Commissie Energie 2030, geïnstalleerd door Minister Verwilghen, in haar voorlopig verslag het uitdoofbeleid van de kerncentrales ter discussie. De nucleaire optie wordt in het rapport nog open gelaten.

De milieubeweging beschuldigt ondertussen de commissie Energie 2030 vooral de kernenergie te promoten. De commissievoorzitter, professor D’haeseleer, bevestigt echter dat in het rapport alle facetten van de energieopwekking uitvoerig behandeld werden. Er is heel wat aandacht besteed aan zowel energiebesparingen als aan hernieuwbare energie. Het staat evenwel in de sterren geschreven dat, in het geval het energieaanbod tegen een aanvaardbare prijs in het gedrang komt, de phase-out opnieuw bekeken wordt. De conclusie van de commissie is dat in een post-Kyoto scenario het moeilijk zal zijn om voldoende energie te produceren en zonder de nucleaire optie betaalbaar te houden.

Om hernieuwbare energie te creëren zullen we windmolens plaatsen op bv. de Wenduine-zandbank of de Vlakte van Raan. En er is ondertussen de optie om molens zeer diep in zee te plaatsen (dieper dan wat tot nog toe in het buitenland is gedaan). Het is een uitdaging, doch ongetwijfeld het overwegen waard. Natuurlijk moet dit zorgvuldig en stapsgewijs worden uitgevoerd.

Biomethanisatie is een andere techniek om hernieuwbare energie op te wekken. Op lange termijn kunnen ook de fotovoltaïsche cellen een oplossing bieden, doch momenteel zijn de opbrengsten daar nog niet hoog genoeg en bovendien in belangrijke mate gesubsidieerd. De huidige toestand is geen haalbare kaart op termijn. Het blijft dus voorlopig wachten op een nieuwe, goedkopere en meer efficiënte technologie. Vandaar opnieuw mijn aanbeveling om vanuit de overheid bedrijven verder te stimuleren om nieuwe technologieën te ontwikkelen. Doch al deze alternatieve energievormen samen zijn waarschijnlijk onvoldoende om de huidige nucleaire energieproductie te vervangen.

Een belangrijke oplossing voor de reductie van de CO2-uitstoot ligt ook bij de adequate verwarming van onze gebouwen.

Dit heeft echter bij uitstek betrekking op de activiteiten van burgers en gezinnen. De burger individueel bij dit probleem betrekken moet dus de grootste betrachting zijn.

Bij nieuwbouwwoningen worden nu reeds premies toegekend om milieuvriendelijke verbrandingsketels te installeren en dubbele beglazing en voldoende isolatie te plaatsen. Rekening houdende met het lage vernieuwingspercentage van gebouwen is het duidelijk dat het grootste potentieel voor het verbeteren van energieprestaties op korte en middellange termijn bij de renovatie van het bestaande gebouwenbestand ligt. Laten we ook hier via premies en fiscale maatregelen dezelfde weg inslaan als bij de nieuwbouwwoningen.

Ook een bewustmakingscampagne van de professionelen in de bouwsector is dringend noodzakelijk: zowel ingenieurs, architecten als aannemers verkiezen nog altijd gemakkelijkheidhalve de traditionele wijze van bouwen i.p.v. de toepassing van de nieuwste technieken. Hier is nog een hele weg af te leggen.

Zowel burger als bedrijf dienen positief gestimuleerd.

De campagne van de Vlaamse Regering om elk huishouden één ton CO2 uitstoot te laten besparen is dan ook niet alleen een broodnodig, doch een terecht streefdoel. Op zichzelf kunnen vrijwillige maatregelen van verantwoordelijke burgers om energie te besparen, die zichzelf ook onmiddellijk laten terugverdienen door mindere uitgaven, een enorme bijdrage leveren.

De overheid als eigenaar van talloze, meestal grote gebouwen heeft hier een voorbeeldfunctie. Ongetwijfeld worden reeds inspanningen geleverd, doch sommige beleidsdomeinen moeten een tandje bijsteken.

Tenslotte dient ook de optie om emissie-uitstootrechten in het buitenland aan te kopen aangewend, zeker wanneer de marginale kost om de uitstoot te reduceren een stuk hoger ligt dan de aankoop van buitenlandse rechten.

Het is duidelijk dat verhandelbare emissierechten of Joint implementation voor industrie- en elektriciteitssector bij uitstek geschikt zijn. Hierbij is het echter wenselijk het aantal sectoren, die bij dit instrument betrokken kunnen worden, uit te breiden of puntlozingen vanaf een bepaalde hoeveelheid, onafhankelijk van de sector, eveneens in aanmerking te nemen. Zelfs binnen de industrie is, afhankelijk van de betrokken sector, een differentiatie van instrumenten noodzakelijk. De nadruk dient bij de emissiehandel te liggen op de koppeling van deze handel aan een maximumemissiequotum per bedrijf.

Globaliserend geredeneerd, laat de aankoop van emissierechten de ontwikkelingslanden toe om zo de nodige investeringen i.v.m. de beperking van de broeikasgassen te financieren.

Laat er geen twijfel over bestaan : de VLD wil de doelstellingen, die Kyoto aan onze regio stelt, halen. Het is daarom duidelijk dat de discussie rond de reductie van de broeikasgassen bij hoogdringendheid opnieuw moet worden aangetrokken nu het halen van deze doelstelling anders in gevaar komt.

Alle betrokken sectoren benadrukken met de meeste klem de noodzaak van de continuïteit van het overheidsbeleid in deze materie, nu zowel het onderzoek als de uitvoering van een energievriendelijk gedrag belangrijke investeringen vergt, die slechts op lange termijn kunnen worden afgeschreven en een return genereren.

Vlaanderen kan hierin een voortrekkersrol spelen, rekening houdende met het feit dat het zowel op mondiaal als op Europees vlak in een zeer ongunstige positie verkeert: wegens het zeer energie-intensief karakter van zijn industrie, de exportgerichtheid, de mogelijke afbouw van de kerncentrales en de zware opgelegde reductielast t.o.v. 1990. Vlaanderen moet dus ten allen prijze vermijden dat de opgelegde Europese verplichtingen haar concurrentiepositie in gevaar brengen.

Daarom kan een Belgisch initiatief gericht zijn op het invoeren van een Europese CO-2 taks met compensatie door de verlaging van de belasting op arbeid, het maximaal implementeren op Europees vlak van verhandelbare emissierechten en het rekening houden bij het verdelen van de lasten tussen de operatoren met de inspanningen uit het verleden, waarbij een differentiatie tussen de sectoren mogelijk wordt. Uitgangspunt dient steeds de kostenefficiëntie te zijn.

De uitstoot door verkeer en verwarming kan enkel worden aangepakt met een energietaks of met een aantal stimulerende maatregelen met het oog op het verminderen van het verbruik of het overschakelen op andere brandstoffen. Investeringsondersteuning en fiscaliteit zijn hierbij te hanteren instrumenten evenals het verleggen van het accent van de verkeersbelasting naar het autogebruik ipv. autobezit voor zover alternatieve vervoersmodi, beantwoordend aan de aangegeven voorwaarden, voorhanden zijn.

Het is evident dat de gevolgen en de wenselijkheid van een geleidelijke sluiting van de kerncentrales vanaf 2015 mee in de discussie worden opgenomen nu deze sluiting een belangrijke stijging van de CO2-emissie tot gevolg zal hebben. Zowel het onderzoek als de modernisering naar schone kerncentrales als de grootschalige uitbouw van de elektriciteitsproductie via alternatieve energiebronnen is noodzakelijk.

De oplossing voor de gestelde problematiek mag zich niet in symbolendiscussies verliezen…of zijn we nu voor- of tegenstander van het gebruik van kernenergie? Een doorgedreven wetenschappelijk onderzoek naar alternatieve energiebronnen en naar het in 2010 voorhanden zijnde arsenaal van energiebronnen zal geheel deze discussie reeds in grote mate objectiveren. Pas dan zal blijken of een mix van maatregelen, al dan niet door de overheid ondersteund, zich zal opdringen. Laat ons ondertussen de discussie op een serene manier voeren en niet demagogisch polemiseren met één doel voor ogen: de wereld voor de volgende generaties leefbaar houden, dé boodschap van Al Gore.


MERELBEKE, 17 januari 2007


Patrick LACHAERT
Voorzitter van de Commissie Leefmilieu en Natuur, Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid en Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed
VLD-Vlaams Volksvertegenwoordiger