VAST

Haike
vom Banholz
Pakwerk vraagt
overleg
geschreven
door Galant Jan
INLEIDING
Met
dit werkje heb ik zeker niet de pretentie te beweren dat
dit de methode is om een jonge hond het pakwerk bij te
brengen, het is veleer een verzameling van wat ik van
ervaren geleiders en pakwerkers gezien en geleerd heb, en
dit gecombineerd met mijn persoonlijke ervaringen. De
uiteindelijke bedoeling is de beginnende pakwerker en
geleiders een idee te geven hoe complex en tezelfdertijd
intrigerend het pakwerk is.
Dat
hondenafrichting constant evolueert is een vast staand
iets, en in die evolutie zijn er verschillende richtingen,
denk maar aan bijvoorbeeld clickermethode en
teletact(stroom).
Het
is juist die verscheidenheid, die het ons vaak moeilijk
maakt te kiezen welke methode de goede is voor hond en
geleider.
Ik
ben van mening dat iedere methode zijn positieve alsook
zijn negatieve kanten heeft, het is aan de geleider om de
geschikte methode te vinden die past bij het karakter van
zijn hond en zichzelf.
En
hier loopt het vaak fout!
Het
juist inschatten van de hond zijn karakter is de sleutel
van het gehele africhtingproces!
Als pakwerker of instructeur heeft men een idee over het
karakter van de hond waar mee gewerkt wordt, maar het is
de geleider die in werkelijkheid het totale karakterpakket
van de hond zou moeten kennen, en als je een hond op een
eerlijke en correcte mannier wil evalueren, dan is men
verplicht alle emotionele gevoelens opzij te zetten, dit
is vaak voor vele een probleem, het gezegde “mijn kind,
schoon kind”, komt hier vaak voor.
Het
dagdagelijkse contact, en het gedrag dat men waarneemt van
de hond tijdens huiselijke activiteiten, wandelingen,
trainingsessies in gehoorzaamheid en speuren vertellen
vaak meer over het karakter van onze viervoeter, dan de
reacties die je waarneemt tijdens hevig onder drift
staande activiteit zoals pakwerk.
Het
is mijn inziens van cruciaal belang dat de kennis die de
geleider bezit, over de karaktereigenschappen, alsook de
manier en gebruikte methodes bij het aanleren van speuren
en gehoorzaamheid doorgegeven worden aan zijn pakwerker.
Enkel
een goed voorbereide en geïnformeerde pakwerker kan de
juiste methode en manier vinden om de hond het bijtwerk
aan te leren.
Een
tweede maar even belangrijke voorwaarde tot welslagen is
de kennis die de pakwerker heeft in verband met de
verschillende driftvormen waarin een hond kan verkeren,
alsook hoe hij ze kan opwekken en laten wegvloeien.
Rekeninghoudend
met het voorgaande kan men direct concluderen, dat het
vanzelfsprekend zou moeten zijn, dat iedere pakwerker de
theorie over de verschillende driftvormen kent en
beheerst.
.........................................................................................................................................................................................................................................
THEORIE
Een
pakwerker moet voor alle handelingen die hij doet weten
welke aanleg van de hond hij kan benutten, en hoe hij zich
moet opstellen om van een hond een goede verdedigingshond
te maken.
Daarom
zal ik eerst beginnen de theorie van de verschillende
driftvormen te behandelen, zodat we meer begrip hebben
voor het praktisch deel.
Eén
van de grondleggers die ons huidig pakwerk enorm heeft beïnvloedt
is Dr. Helmut Raiser, hij was als eerste die de
verschillende driften definieerde en gepaste manieren
ontwikkelde om deze te
bespelen. Het boek “Der Schutzhund” die hij schreef is
nog steeds een belangrijk naslagwerk voor iedere
pakwerker, en die in verloop der tijd nog niets van zijn
waarde heeft verloren.
Dr.
Raiser bespreekt in dit boek de belangrijkste driften, die
ons bij de opleiding van een verdedigingshond ter
beschikking staan, en deze zijn:
*
De buitdrift
*
De verdedigings(verweer)drift
*
Agressiedrift
*
Vermijdings(vlucht)gedrag
Laten
we deze driftvormen even beter verduidelijken.
A.
DE BUITDRIFT
De
buitdrift behoort tot het functiegebied van de
voedselopname. Tot buitgedrag behoren gedragingen zoals
opjagen, najagen of apporteren,het op zicht of reuk
achtervolgen, het karakteristieke
"buit-doodschudden" datgene wat de hond tijdens
zijn spel met een lap toont zoals ook het bespringen,
toebijten en neerdrukken. De sleutelprikkel (de benodigde
prikkel) om een bepaald gedrag op te wekken die een hond
tot buitdrift aanzet, leidt men het best van het gedrag
van een echte buit af. Een buit beweegt zich van de hond
af, paniekerig en in constant beweging. De
instincthandelingen van het buitgedrag die door deze
buitprikkels worden losgemaakt zijn de volgende; de hond
achtervolgt de buit, bespringt deze, bijt toe, en drukt
neer. Bijt de hond zwak toe dan zal de buit proberen te
ontkomen. Bijt hij dan hard toe dan volgt er een zgn.
"doodhoudenreflex" bij het buitdier, het geeft
zich over. Zodra de beet verzwakt probeert de buit te
vluchten, de hond verstevigt hierop opnieuw zijn beet en
"schud-dood". De buit wordt gedragen. De
buitdrift is nu bevredigd, de eindhandeling (het doel) is
bereikt. De buitdrift is onderhevig aan zowel
prikkelspecifieke als actiespecifieke vermoeidheid.
De
buitdrift is al bij de pups aanwezig en breidt zich
naarmate de hond rijpt uit. Deze buitdrift zal door
training/leerprocessen sterker ontwikkeld of geremd
worden. Hier doen de eerste voor de opleiding van een
verdedigingshond nuttige gedragingen voor.
Het
opjagen, najagen, drijven van de in het verstek staande
helper, het vervolgen, bespringen en vasthouden van de
vluchtende man en het krachtige schudden aan de arm van de
helper zijn de gedragskenmerken die iedere
hondenbegeleider bij zijn hond waardeert.
B.
HET VERMIJDINGSGEDRAG - DE VERWEERDIFT
(verdedigingsdrift)
l.
De Verweerdrift
Het
verweer(verdedigingsdrift) ligt in het functiegebied
behorende tot het agressiegedrag en kan vele
functiegebieden overlappen. Tot het verweergedrag behoren
de gedragingen zoals het dreigen, fixeren, de agressieve
afweer en het toebijten. De sleutelprikkel van het
verweergedrag is in het algemeen gelegen in het dreigen
van geestelijke of lichamelijke aard op openlijke
agressie.
Het
driftdoel, die de hond met verweergedrag wil bereiken is
steeds vermijdingsgedrag (vlucht enz...) bij de bedreiger
te bereiken.
Verweergedrag
kan verschillend gemotiveerd zijn; afhankelijk in welke
functie-gebied deze optreedt. In het functiegebied van de
voedselopname kan deze als het buitbewaken of verdedigen
op treden. Het driftdoel is bereikt als bij de rivalen
vermijdingsgedrag veroorzaakt wordt. In het functiegebied
van het seksuele gedrag kan het als kinder-, huisdier op
pupbewaking fungeren. Het driftdoel is bereikt als de
bedreiger vermijdingsgedrag vertoont. Tenslotte kan het
ook in het sociale functiegebied optreden. Hier dient het
tot de vaststelling van de rangpositie, de bewaring van
privileges zoals bijv. van territoriale aard, de
verdediging tegen vreemden of als noodweer (angstbijten).
De verweerdrift is niet onderhevig aan prikkel- of
actiespecifieke vermoeidheid. Deze is dus altijd
activeerbaar en moet dus een bestanddeel van het
strijd/vechtgedrag van een verdedigingshond zijn. Uit dit
verweergedrag komen ook voor de
verdedigingshondafrichting
nuttige gedragingen voort zoals bijvoorbeeld zijn
tegenmaatregelen (verweer) bij bedreigingen of belastingen
van geestelijke of lichamelijke aard. In de praktijd kan
de provocatie van het verweergedrag er bijvoorbeeld als
volgt uitzien; de helper gaat op de hond toe en bedreigt
hem, de hond laat van zijn kant agressieve dreiggebaren
zien (grommen, blaffen, bijten), de helper vlucht en de
hond heeft zijn driftdoel bereikt. Jammer genoeg ziet het
er zelden zo uit. Meestal vlucht de hond als niet sterkere
interessen hem tot verweergedrag dwingen, zoals een buit,
een territorium of de uitwegloosheid of als hij
vastgebonden is (angstbijten). Hier toont zich de
tegenhanger in het gedrag tussen verweerdrift en
vermijdingsgedrag. De sleutelprikkel van de verweerdrift
is namelijk dezelfde als die voor vermijdingsgedrag. Juist
hierin ligt het grote gevaar van de
verweerdriftbevordering.
2.
Het vermijdingsgedrag
Voordat
ik verder op de tegenhanger in het gedrag van deze beiden
zo belangrijke en voorzichtig bij het pakwerk te
behandelen driftmatigheden inga wil ik nog kort het
vermijdingsgedrag karakteriseren. De sleutelprikkel is
zoals gezegd dezelfde als voor het verweergedrag, een
bedreiging van lichamelijke of geestelijke aard op
openlijke agressie. Het driftdoel die de hond met zijn
vermijdingsgedrag wil bereiken is het behouden van de
persoonlijke en lichamelijke ongedeerdheid, de vijand en
schadelijkheids vermijding, het zich in veiligheid brengen
voor bedreigende gebeurtenissen en vijanden. De
gedraging(= die een hond daarbij laat zien zijn: vlucht,
een uit de weg gaan, dekking zoeken of nemen, het nalaten
van begonnen voornemens, evenals deemoed en
onderwerpings/ondergeschiktheidsgedragingen tegenover een
sterkere soortgenoot. Vermijdingsgedrag is altijd
activeerbaar en wordt niet als laatste, maar zelfs vaak
als veel gebruikt driftmatigheid bij de appeltraining
aangewend. (dwangafrichting). Uit voorgaande blijkt dat
men met de bedreigingen en openlijke agressie gedoseerd om
moet gaan als men bij de hond- verweergedrag in plaats van
vermijdingsgedrag naar boven wilt halen. Daarom is het
nodig te weten welke gedragingen de hond als dreiging op
openlijke agressie opvat, en welke invloedgrootte zijn
gedrag sturen.
3.
Dreigen en andere sleutelprikkels voor verweergedrag
Een
andere mogelijkheid om bij een hond verweer-, of
vermijdingsgedrag op te wekken is het dreigen. De
biologische functie van het dreigen ligt in de intimidatie
of bangmakerij van de concurrenten die tot
vermijdingsgedrag aanleiding geven moet voordat het tot
een daadwerkelijk gevecht zou komen. Twee onderscheidende
vormen van het dreiggedrag treden bijzonder vaak op. Of de
dreiger maakt zich bijzonder groot (strekken van de poten,
borstelen) of hij toont demonstratie zijn wapens (tanden).
Zelfbewuste honden die een hoge prikkeldrempel voor het
losmaken van vermijdingsgedrag hebben (moed) reageren hier
vaker met verweergedrag dan met ver- mijdingsgedrag op.
Maar dreigen kan ook op een hele andere manier geschieden.
Zo is bijvoorbeeld het aanstaren zgn. fixeren (alle wezens
die met twee ogen recht vooruit kijken) een andere vorm
van dreigen. Lorenz zegt daarop; de meeste dieren die met
beide ogen kunnen fixeren doen dit steeds maar voor een
korte tijd en hoogstens een ogenblik. Of zij vrezen het
gefixeerde object, of zij hebben iets met hun voor en dan
meestal niet veel goeds. Daarmee overeenkomend ondervinden
dieren het fixeren als uitgesproken vijandig, ja
bedreigend. Ook hier toont zich het tegenhangend gedrag
van verweer of vermijdingsgedrag. Markeren is ook een vorm
van dreigen, alleen is dit een ongericht dreigen. Een
andere mogelijkheid om verweergedrag te provoceren is de
opzettelijke onderdrukking van de normale begroeting en is
gelijkwaardig aan openlijke agressie. Deze reactie kunnen
wij ook bij onszelf vaststellen. Wanneer een vreemde zich
binnen onze groep dringt zonder te groeten wordt hij toch
snel met verweer of vermijdingsgedrag belaagt. En zo moet
ook een vreemde hond, als hij überhaupt geduld wordt,
eerst een heel gedragsrepertoire afwerken voordat hij door
de roedel geaccepteerd zal worden. Daarom is onze hond ook
thuis zo slecht gehumeurd als er een vreemde aan de
voordeur belt. Een ander middel om verweergedrag naar
boven te halen is zoals gezegd de openlijke agressie, die
alleen oudere en zelfbewuste dieren met verweergedrag
beantwoorden, die echter vaak als verweergedrag in de vorm
van noodweer vervalt als een vlucht- mogelijkheid niet
mogelijk is. Wij spreken dan over angstbijten. In het
gedrags- onderzoek wordt dit gedrag als kritische reactie
aangeduid. Verweergedrag kan ook naar boven gehaald worden
als men maar door blijft dreigen, de hond een buit of iets
gelijksoortig afneemt. Interessant genoeg hebben
motiverings-analisten laten zien dat het dreiggedrag een
gemengde motivatie ten grondslag kan hebben en de aanval
en vluchttendensen hier beiden aan deel kunnen nemen. Zij
laat zich in veel gevallen alleen herkennen als
dubbelwaardige vorm van gedragsmanieren als deze uit
onvolledige vlucht- of aanval- -elementen zijn
samengesteld. Lorenz neemt hierbij in acht; "Deze
mimiek die men in het algemeen als dreigen pleegt te zien
komt alleen dan tot stand als de tendens om aan te vallen
door angst op zijn minst door een klein beetje angst of
vrees geremd wordt. Helemaal zonder deze bijt een dier
namelijk zonder te dreigen met een rustige uitdrukking die
slecht weinig spanning verraadt. Als ik daarbij aan het
geraas van een paniekbijter denk moet ik in deze opvatting
toestemmen. Voor wat betreft het werk van de helper is het
hier dus nodig nooit zelfbewust de hond te dreigen zonder
ooit een gemende motivatie bestaande uit angst, vrees en
aanval te spelen. Des te onzekerder een helper bij het
dreigen werkt des te zelfverzekerder zal de hond
verweergedrag laten zien.
4.
De beïnvloeding van verweer- en vermijdingsgedrag
Het
zelfbewustzijn en de heftigheid van de dreiger als van de
bedreigde is bij de bepaling, welk in bovengenoemd gedrag
gaat domineren, van doorslaggevende betekenis. Bij beiden
spelen een veelheid aan factoren mee. Vooral de ouderdom
van het dier. Vele instincten namelijk rijpen pas tussen
het eerste en tweede vaak zelfs pas tegen het derde
levensjaar. Zoals bijvoorbeeld: de roofdierscherpte, het
voorstaan van de jachthond, ook bij veel honden het
territoriumblaffen en de verdedigingsdrift. Zo heeft het
gedragsonderzoek aangetoond, dat de verdedigingsbereidheid
van een gebiedsbezitter (erf) van het middelpunt van het
gebied naar buiten toe afneemt, waarbij de vluchtdrift in
gelijke mate stijgt. In het centrum van het gebied is de
verweerdrift het grootst, zo groot dat de hond zeer
intensief aanvallend standhoudt. Van daaruit is het ook
niet verwonderlijk dat juist de zenuwzwakkere bond, die
zich in huis door iedere kleinigheid bedreigt voelt en
agressief verweergedrag laat zien (de goede waakhond) in
een vreemde omgeving vaak schuchter en angstig
vermijdingsgedrag toont. Als hij dan werkelijk bedreigt
wordt, of beter gezegd, bedreigd voelt en niet kan
vluchten, reageert hij met een vlucht naar voren, zoals
een typische angstbijter doet. Ook andere
omgevingsprikkels zoals een buit, een geslachtspartner,
kunnen de hond tot sterk verweer i.p.v. vermijdingsgedrag
motiveren. Ik verklaarde eerder al dat verweerdrift in
verschillende functiegebieden op kan treden. De
zenuwsterke hond is altijd de zelfverzekerde en in
verweergedrag belastbare hond. Al jonge pups testen elkaar
uit wie van hen de bedreigingen van wezenlijke psychische
aard het best verdragen. Ze maken er veel werk van om
elkaar het voedsel te bestrijden en wee de hond die zich
laat verjagen i.p.v. met verweergedrag zijn voer te
verdedigen die wordt al snel de Underdog.
5.
Kritische afstand, vluchtafstand, de individuele afstand
In
samenhang met verweerdrift en het vermijdingsgedrag moeten
de begrippen als bovenstaande verklaard worden. Ieder
dier, vooral de grotere zoogdieren, vlucht voor een
sterkere tegenstander zodra deze zich over een zekere
afstandsgrens hem nadert. De vluchtafstand, die prof.
Hediger de onderzoeker, die deze afstandgrens noemt, neemt
toe naderhand de graad het dier de betreffende
tegenstander vreest. De vluchtafstand is ook die
minimumafstand die een bepaald aangeleverd dier de
biologische vijand tot zich laat naderen zonder te
vluchten. Met dezelfde voorspelbaarheid dat een dier na
overschrijding van een zekere afstandsgrens zal vluchten,
zal dit dier zich voor gevecht opstellen als de vijand ver
binnen deze afstandsgrens hem nadert. In de natuur komt
dit slecht in drie gevallen voor:
l.
als de vijand het verrast
2.
als het dier zich in het nauw bevindt en niet kan vluchten
of,
3.
ter verdediging van de jongen.
De
afstand die wordt overschreden waaruit deze opstelling tot
gevecht ontstaat, noemen wij de kritische afstand. De
reactie hierop is de heftigste vorm van de
gevechtsgedragingen en zij is sterk gemotiveerd met vrees.
Het is een vlucht naar voren, een aanval met de moed der
vertwijfeling. Volledigheidshalve hebben wij ook nog de
individuele afstand genoemd. Dit is de afstand die een
soortgenoot een andere soortgenoot laat naderen. Zij is
vaak de maat voor persoonlijke bekendheid of de
instinctstemming en afhankelijk van deze laatste.
Deze
is bijvoorbeeld voor gelijke geslachten groter als voor
verschillende geslachten binnen dezelfde soort. Gedurende
de pup op fok, laat menig hond haar meester niet tot zich
naderen, in het bijzonder als de pups worden gezoogd. Ook
bij zeer dominante en zelfbewuste honden is waar te nemen
dat zij bruuske toenadering van vreemden met
verweerreacties, meestal door grommen verhinderd.
C.
DE AGRESSIEDRIFT
Het
begrip agressiedrift is in zoverre omvattender dat zij de
reacties (verweerdrift) en de acties (sociale agressie)
van de agressieve gedragingen omvat. Ik zal mij hier niet
met de agressietheorieën bezighouden omdat de meningen
daarover, of het een op zichzelf staande agressiedrift is
of niet, gedeeltelijk uiteen gaan. De vraag over de
mogelijke spontaniteit van agressie laat nog geen
eenduidige conclusie toe. De genetische grondslag voor
agressieve gedragingen wordt op drie verschillende manier,
gegeven.
Willen
wij de agressiedrift bij de verdedigingshond tot ons nut
maken dan interesseert ons veel meer, de sleutelprikkels
om agressiegedrag te reactiveren (verweergedrag). Actieve
agressiegedragingen zijn altijd intra-specifieke
agressiegedragingen, dat wil zeggen, sociale agressiviteit
en uiteindelijk een gevolg van concurrentie. Deze agressie
wordt geactiveerd door rivalen en concurrenten of door
asociaal gedrag. Het driftdoel van de sociale agressie is
het vluchten, uitwijken, lichamelijk beschadigen of doden
van de concurrenten. Nu is het niet zo dat de agressie tot
een onderlinge uitroeiing van de soort voert. Zijn
biologische oogmerk kan niet goed genoeg onderkend worden.
In de eerste plaats wordt door haar gegarandeerd dat de
soortgenoten ongeveer gelijkmatig over de ter beschikking
staande levensruimte worden verdeeld en deze optimaal
wordt benut. Zij kan er tevens voor zorgen dat de
aanspraak op deze levensruimte het oogsttoelaatbare
bereikt, de overtallige individuen gedwongen worden weg te
trekken voordat voedselgebrek de hele populatie verzwakt.
Zij
kan daarmee gelijktijdig de bewoning van betere
onbewoonbare gebieden bevorderen. Met dit gedwongen
uiteengaan van concurrerende soortgenoten verzekert de
agressie de ruimtelijke benodigdheden voor de
voortplanting en bemoeilijkt door die uitdunning de
mogelijkheden voor besmettelijke ziekten. Charles Darwin
wist al dat de seksuele selectie diende om de sterkste en
gezondste dieren uit te selecteren en zij kan bij sociaal
levende soort door de ontwikkeling van een rangorde en een
leidersrol de ervarendste individuen zekerstellen. Daarmee
de voordelen van agressie borggesteld hebbende hebben zich
bij veel diersoorten gedragingen ontwikkelt die zijn
nadelen verregaand voorkomen. Hiertoe behoren het dreig-
en imponeergedrag, deemoed- en onderwerpingsgebaren,
territorialiteit, de individuele afstand en tenslotte de
uitvinding van vergaande ongevaarlijke vechtvormen. Tot
hier over de vrijkoming, het driftdoel en de biologische
bedoeling, nu iets over de trainbaarheid en de
invloedgrootte. Een goede hulp voor de rijping van
aangeboren vaardigheden is de eventuele oefenmogelijkheid.
Maar ook alleen door rijping, de leeftijd en hoe langer de
hoogste rang wordt bezeten, groeit het zelfbewustzijn, dat
betekent het overwinningsgevoel en met deze de
intensiviteit der agressie van een hond. Men kan door
tijdgerichte training een stijging of verzwakking binnen
bepaalde grenzen bereiken. In het algemeen voert het
uitleven van agressie tot een trainings agressief gedrag,
waarbij bijzondere vechtsuccessen later agressie doet
stijgen. Ook door pijn (prikband en elektroshock) kan
agressiviteit verhoogd worden. De uitwerking hiervan is
naargelang de aangewende dosis verschillend. De agressieve
handelingsbereidheid is aan verzwakkingen onderworpen die
onder andere hormonale achtergronden kent. Het mannelijk
geslachtshormoon verhoogt tijdens de voortplantingstijd de
agressiviteit van vele zoogdieren. De drempelwaarde van de
agressievrijmakende prikkel is daar het laagst waar het
dier zich het zekerst voelt, daar waar zijn agressie het
minst door vermijdingsgedrag wordt geremd. Hoe meer de
afstand van dit "Hoofdkwartier" toeneemt, neemt
zijn strijdbereidwilligheid in gelijke mate af wanneer de
omgeving voor het dier vreemder en beangstigd wordt. Dit
feit geldt niet alleen voor de verweerdrift maar ook voor
de sociale agressiviteit.
In
samenhang met agressie moet ik nog een paar woorden over
de verminderde leermogelijk heden van de agressieve hond
kwijt. We weten dat de verdedigingshond over driftsterkte
en opleidingssterkte tot zijn beschikking moet hebben. Om
de hond tot een gevorderd opleidingsniveau te brengen moet
hij vele leerprocessen verwerken. Overmatige stress, te
sterke geestelijke belasting, is in iedere leerafrichting
hinderlijk. Zeer hoge geestelijke belasting ervaart de
hond vooral bij conflictsituaties die bij de africhting
vaak niet te vermijden zijn. Nu gaan agressie en angst
beiden met hoge geestelijke belasting gepaard. Men
provoceert deze beiden (angst en agressie) als
bijvoorbeeld de agressieve hond bij het blaffen door
hardheid in vermijdingsgedrag gedwongen wordt. De
driftsterkte en zekere hond wordt door deze hardheid
alleen maar agressiever en breekt steeds weer door. Vele
honden raken hierdoor onder invloed van hormonen in een
soort trancetoestand die de pijn niet door laat dringen.
Dit feit kan men ook vaak bij het bijten, vooral bij twee
teven onderling, vaststellen. Slaag zweept ze alleen maar
sterker op, de hardheid werkt, zoals ik al zei, alleen
maar agressiebevorderend. Moet de hond leerprocessen
verwerken waarbij vermijdingsgedrag een zekere rol speelt,
dan is de agressiedrift een slecht motivatie ten eerste is
de leermogelijkheid van de hond verminderd of
uitgeschakeld en ten tweede wordt de hond gegarandeerd in
zijn zelfbewustzijn aangetast.
D.
DE VECHTLUST (KAMPFTRIEB)
De
vraag of er een op zich zelfstaande vechtdrift is is nog
lang niet beantwoord. Veel hondenvakmensen menen dat als
een bijzondere vechtdrift bestaat deze aan de zgn.
speeldrift verwant moet zijn. Ik denk dat het woord
vechtdrift een bastaardvorm is. Het woord trieb (drift)
beschrijft een erf coördinaat die de instandhouding van
het leven en van de soort dient. Een drift om te vechten
zou een streven betekenen om de tegenstander te
beschadigen of te vernietigen en het gevaar zichzelf te
beschadigen. Zelfs bij de agressiedrift ligt de
soortbehoudende functie voor de hand,
beschadiginggevechten zijn door rituelen belemmerd. Toch
geloof ik wel dat de term gevechtdrift een bruikbare
beschrijving voor het gewenste gedrag bij een hond voor
ons is. Wij zoeken de hond die er plezier aan heeft om met
de helper te vechten. Plezier in het vechten met de helper
kan de hond alleen hebben als hij niet met de helper om
zijn leven hoeft te vechten, maar relatief onbelast zich
met de helper bezig kan houden. In 'zoverre ben ik ook van
mening dat wat wij met vechtdrift bedoelen ook uit de
speeldrift voorvloeit. Willen wij de vechtdrift bij een
hond bevorderen, de hond daarin beïnvloeden zodat hij het
gevecht met de helper zoekt, dan moeten we weten welke
kwaliteiten het zijn die de goede vechtdrift bepalen. Uit
de praktijk weet ik dat honden die hoofdzakelijk over de
verweerdrift zijn opgebouwd, nog lang geen goede
vechtdrift hebben. Ik heb zelf vele malen bij examens van
vele honden een rol gespeeld (manwerk) die tijdens het
manwerk gezakt zijn omdat ze tijdens het verbellen en de
aansluitende vlucht geen noodzaak zagen om het gevecht met
de helper aan te gaan maar bij bedreigingen zelfverzekerd
verweerdrift lieten zien en hard beten. De hondengeleiders
waren dan meestal radeloos, bovenal omdat de honden
herhaaldelijk wel uitgesproken vechtdrift hadden laten
zien. Op grond van het feit dat ik bewust verweerprikkels
(=hulp) naliet, lieten deze honden zien dat zij de
spontaniteit om het gevecht met de helper te zoeken
mistte. Hetgeen naar mijn mening een wezenlijk bestanddeel
van de vechtdrift is. Waarom ontwikkelen vele honden deze
spontaniteit? Bij alle honden bij welke ik een
uitgesproken vechtdrift veronderstel heb ik ook een
uitgesproken buitdrift vast kunnen stellen. Ik geloof dat
dit ook een wezenlijk bestanddeel van de vechtdrift is.
Buitmaken is een lustgerichte instincthandeling die de
hond niet in zijn bestaan bedreigt en tot zover geen
belasting veroorzaakt die hem tot vermijdingsgedrag kan
aanzetten. Buitdrift alleen is zeker ook nog geen
vechtdrift. Het succesvol inzetten van verweerdrift van de
hond uit is het tweede belangrijke bestanddeel van
vechtdrift. Het wezenlijke echter wat vechtdrift uitmaakt
is het actieve bestanddeel van de agressiviteit. De hond
moet in de helper ook zijn concurrent agressiedrift en de
sociale agressie zien. Het concurrent-object kan
verschillend zijn. Het kan de buit zijn, zeer zeker is ook
bij alle vechtdrift sterke honden een uitgesproken
buitdrift aanwezig, of het kan in de sociale motivatie
liggen, dat wil zeggen de hond moet dominant zijn en de
helper willen overheersen terwijl deze steeds weer als
bedreigen optreedt. Om dusdanig de vechtdrift bij een hond
te bevorderen moet de hond als eerste in de buitdrift
vorderen en dan in, de verweerdrift vorderen, dat wil
zeggen hij moet aan de ene kant leren hoe hij de buit
bevechten en verdedigen kan en anderzijds hoe hij zich
tegen de helper verdedigen kan. Ten derde moet hij ervaren
dat hij de helper onderschikt kan maken, dat wil zeggen
dat hij hem bang kan maken. Op grond van bovengenoemde
criteria is ook duidelijk geworden waarom een éénjarige
hond nog geen volledig ontwikkelde vechtdrift kan hebben,
omdat ik al aanhaalde dat zowel de verweerdrift als het
actieve bestanddeel van de agressiedrift pas later
uitrijpt, het zelfbewustzijn ontwikkel zich pas in de loop
van het volwassen worden, hetgeen ook een voorwaarde voor
de vechtdrift is.
.........................................................................................................................................................................................................................................
VAN
THEORIE NAAR PRAKTIJK
Als
we het pakwerk tijdens een training ontleden, dan stellen
we vast dat er vier belangrijke
componenten zijn die invloed hebben op het
aanleerproces van de hond.
*
De pakwerker
*
De geleider
*
De hond
*
De methode
Elk
heeft zijn functie, en zijn van gelijkwaardig belang tot
het succesvol africhten van een hond.
1.De
pakwerker(helper)
Als
africhters het pakwerk theoretisch bespreken is er zelden
een groot meningsverschil, maar gek genoeg ziet men vaak
dat tijdens het effectieve pakwerk, ieder een andere
trainingsmethode heeft, vaak zijn deze heel doordacht,
maar jammer genoeg zijn er naar mijn mening nog
verschillende onder ons, die africhtingmethoden toepassen
die niet stroken met de ethologische grondbeginselen, en
bijgevolg ook niet de driften van de hond bevorderen.
Een
verklaring hiervoor kan zijn dat de helper(pakwerker) het
theoretische deel van het pakwerk niet beheerst, maar
onmiddellijk aansluitend moet hier worden gesteld dat niet
alleen een theoretische achtergrond voldoende is om op een
goede manier pakwerker te doen. De ervaring in de praktijk
is de tweede voorwaarde, anderzijds geloof ik dat een
goede theoretische achtergrond vele fouten in de praktijk
helpt te vermijden en dat men sneller enig
africhtingniveau bereikt.
De
derde onmiskenbare peiler is dat, zoals de nestor van de
Duitse Herderfok v. Stefanitz het misschien ietwat
verwijtend stelde “niet iedereen is geschikt als
opvoeder en nog minder zijn er geschikt als africhter”,
en aan voorgaande uitspraak kan men toevoegen dat nog er
nog véél minder mensen geschikt zijn om als
pakwerker/helper te fungeren.
We
kunnen stellen dat onze pakwerker voldoende inzicht moet
hebben om de drift van onze hond te actieveren en te
stimuleren, alsook voldoende fysieke paraatheid moet
bezitten om dezelfde hond enige techniek van het bijtwerk
bij te brengen.
2.De
geleider
Het
staat als een paal boven water dat als hond en geleider
elkander niet aanvoelen, en er geen perfect evenwicht is
in rangorde, men nimmer tot goede resultaten komt.
Dit
is een gegeven die vaak over het hoofd wordt gezien door
vele africhters, vaak begint men reeds pakwerk te doen als
de hond nog in een levenfase verkeert waar de
samenhorigheid en rangorde tussen hond en geleider nog
niet volledig vastgelegd zijn.
Hierdoor
creëert men het gevaar dat de hond het pakwerk niet als
een gezamenlijke activiteit aanziet(hond, pakwerker en
geleider), en dit kan tweeërlei problemen meebrengen.
Bij
driftvolle en karaktersterke honden wordt het pakwerk een
one man schow, waar de geleider alles in het werk mag
stellen om enige controle op de hond te krijgen, en bij
minder driftvolle of karaktersterke honden bestaat het
gevaar, doordat samenhorigheid met hun geleider nog niet
optimaal is, zij een tekort aan steun en vertrouwen hebben
tijdens het pakwerk, beiden vertonen dan ook een
verminderde leercapaciteit.
Het
is volgens mij dan ook logischer het pakwerk pas aan te
vangen als de hond reeds enkele basiscommando’s kent en
beheerst(bv.hier, voet, los).
Als
ertussen hond en geleider geen onderlinge rust en
samenhorigheid heerst, kan men
nooit tot een optimaal resultaat komen.
3.De
hond
Het
is onmiskenbaar dat als we enig welslagen in onze sporttak
willen hebben, we over een stabiele en
driftvolle(buitdrift) hond moeten beschikken.
We
kunnen praktisch alle honden het bijtwerk bijbrengen, maar
vaak moeten we bij minder driftvolle honden, driften
aanspreken die in onze sport minder gewaardeerd worden en
ook minder controleerbaar zijn(verweerdrift, angstbijten),
en als men enig niveau in onze sporttak wenst te bereiken,
dan is het van groot belang dat de hond ten alle tijde
onder controle staat.
Vaak
zijn het dezelfde honden die bij het pakwerk zulke hoge
agressie en scherpte(mangericht) vertonen, tijdens de
gehoorzaamheid(afd.B) een weinig driftvolle en vlotte
gehoorzaamheid hebben.
We
kunnen dus stellen dat buitdrift een driftvorm is die
voldoende moet aanwezig zijn bij de hond om tot goede
resultaten te komen, en dit niet alleen tijdens het
pakwerk maar ook bij het speuren en gehoorzaamheid is deze
eigenschap gewenst.
Het
is dan ook van cruciaal belang dat de aanwezige aangeboren
buitdrift bij de hond reeds op jonge leeftijd geactiveerd
wordt, en we op een positieve manier deze drift naar een
hoger niveau stimuleren.
4.De
methode
Er
zijn waarschijnlijk honderd manieren om een hond iets aan
te leren, maar er is één vast gegeven die in iedere
methode past, dat
is iedere oefening die de hond moet kennen, op een
zodanige manier aanleren dat een minimum van ongewenste
nevengedragingen bijgeleerd worden. Kort gezegd probeer te
vermijden in plaats van te corrigeren!
Ik
ben ervan bewust dat vaak met driftvolle jonge honden het
soms nodig is een correctie toe te dienen, maar dit kan
enkel en alleen als de hond ook begrijpt wat van hem
verlangt wordt.
Het
is dan ook logisch dat tijdens het leerproces de hond in
een zo laag mogelijke drift situatie
gehouden wordt, zodoende kan de hond sneller en
beter het gevraagde aanleren die hem zijn einddoel
oplevert(buit).
Het
tempo van driftverhogen is iets wat de hond zelf bepaalt,
we kunnen dit vergelijken met een kansspel(jackpot),
sporadisch wordt er gewonnen en
het spel wordt steeds moeilijker, hierdoor wordt de
hond positief gefrustreerd en dit leidt automatisch tot
een driftverhoging.
Pas
als de hond volledig het aangeleerde onder de knie heeft,
kan men bijkomende driften aanspreken zoals
verdedigingsdrift, daar de hond intussen een rijpere
leeftijd bereikt heeft en waarschijnlijk reeds de nodige
stabiliteit bezit om deze driftvorm positief te verwerken.
Een
hond iets aanleren is vrij simpel, een hond iets afleren
is enorm moeilijk.
.........................................................................................................................................................................................................................................
WANNEER
BEGINNEN?
Een
pasklare leeftijd voor iedere hond bestaat niet, alles
ligt in de karakteriele geaardheid van de hond alsook
fysieke gesteldheid, de hond moet voldoende lichamelijk
ontwikkeld zijn om het pakwerk daadwerkelijk aan te
vangen(tandwissel).
Maar
onbewust wordt het pakwerk reeds van vroege leeftijd
aangeleerd, en dit via het spel met bijvoorbeeld het
balletje of bijtrolletje.
Door
het spelen met een balletje wordt in feite de buitdrift
geactiveerd, en leert de hond hoe hij de buit moet
najagen, kan veroveren en overwinnen, en als je de theorie
doordachtig leest dan kan men snel concluderen dat
het pakwerk aan een jonge hond best aanleert via de
buitdrift.
Zoals
we in de theoretische verklaring van buitdrift kunnen
lezen, is het doodschudden van de buit een natuurlijke
reflex, dit schudden van de buit wordt bij het latere
pakwerk als foutief beschouwd(reglement vraagt droge
rustige beet), en brengt puntenverlies op, het is dus van
groot belang dat tijdens het spelen en activeren van
buitdriftspelletjes, de reflex van doodschudden omgebogen
en vervangen wordt door het trekken aan de buit.
De
tweede reflex die we met deze speletjes kunnen aanleren is
de snelheid en zekerheid van najagen en toe te bijten van
de buit.
.........................................................................................................................................................................................................................................
PUPPYSPEL
Als
we de buitdrift willen activeren bij een pup dan moet de
buit zich zo natuurlijk mogelijk gedragen, dit wil zeggen
altijd op een paniekerige manier vluchten (konijn, haas),
en als we het toebijten van de buit willen versnellen en
verstevigen dan is het van belang dat de buit uit een
zachte materie bestaat, dit geeft ook een zekerheid tot
een volle vaste beet.
Om
de buit zo natuurgetrouw te laten werken omwikkel ik een
zacht balletje(klein) met een oud stukje lap(t-shirt), en
bevestig hieraan een lange dunne touw.
Doordat
de buit aan een lange touw bevestigd is kan men deze met
korte rukjes in beweging brengen, terwijl men als geleider
geen enkele stap moet verplaatsen, dit is van belang want
het is niet de geleider die de buit is maar het vodje. Als
de hond interesse vertoont naar het vodje laat men deze
het vodje, bespringen of in beste geval toebijten, éénmaal
vast laat men hem fier het vodje demonstratief
ronddragen(buitbevestiging).
Na
enige tijd zal de pup ofwel het vodje willen schudden of
lichtjes beginnen lossen, dit is een natuurlijke reflex om
na te gaan of de buit dood is, op dit moment is het aan de
geleider om lichtjes spanning op de buit te
brengen(trekken aan koord) totdat de pup terug vastneemt
of beter nog begint te trekken.
Als
de pup enige vorm van trekken aan de buit vertoont, wordt
dit onmiddellijk beloontdoor de buit los te laten en de
pup terug het draaggedrag te laten uitvoeren.
Het
spreekt voorzich dat deze spelletjes zo kort en intens
mogelijk worden gedaan, en dit op een plaats waar zo
weinig mogelijk afleidingsprikkels zijn.
Door
op deze manier de buitdrift te activeren, leert men de
hond snel en met grote zekerheid de buit toe te bijten, en
onmiddellijk inverweer te gaan met de buit(trekgedrag).
Dit
zijn twee gedragingen die bij het latere pakwerk van enorm
belang zijn, en die de eventuele aangeboren minder rustige
beet kan verbeteren.
Het
is beter deze buitspelletjes op deze manier verder te
zetten tot de eventuele tandwissel heeft plaats gehad, dit
om eventuele pijn of onaangename ervaringen bij de pup te
vermijden.
De
manier van spelen met de pup is doorslaggevend voor het
latere pakwerk en moet ten allen tijde serieus genomen
worden, dus
zeker niet te snel willen evolueren tot heftig werken,
want alle vormen van druk laten een diepe indruk na ook al
is de pup in hoge drift.
Dosering
is hier zeker aan de orde!!
Maar
al te vaak zie ik geleiders die hun driftvolle(buitdrift)
pup belasten, door hem in verweerdrift te dwingen en de
buit beconcurreren, dit leidt onherroepelijk tot problemen
als het effectieve pakwerk gestart wordt.
Het
buitspel die
we spelen is een gevecht(spel) tussen hond en buit, deze
buit wordt later de arm(mouw) van de
pakwerker, en die buit kan enkel beconcurreerd
worden door de pakwerker.
De
geleider staat ten alle tijde op de hoogste rangorde, en
hoeft dus nooit de buit te beconcurreren, hij stuurt en
controleert het gevecht(hij is het alfadier), het niveau
van pakwerk kan maar optimaal worden als de hond zijn
geleider als alfadier beschouwd.
Wanneer
er geen rust is tussen geleider en hond is, creëert men
onvermijdelijk conflictsituaties bij de hond tijdens het
pakwerk, en hierdoor vermindert zijn leercapaciteit!
.........................................................................................................................................................................................................................................
DE
EERSTE BEET
Naar
mijn mening laat de eerste malen dat een jonge hond
pakwerk doet op een helper(vreemd persoon) een diepe
indruk na bij de hond, het is dan ook met de meeste
omzichtigheid dat de helper de hond zijn driften moet
bespelen.
Zoals
ik reeds vroeger aangaf moet de pakwerker ingelicht worden
door de geleider betreffende de hond zijn
karaktereigenschappen alvorens men het pakwerk kan
starten.
Dit
voorkomt het onnodig aftasten en zoeken naar een
sleutelprikkel om de hond tot het bijten aan te zetten.
Om
de trekspelletjes met geleider zo weinig drukvol te laten
overgaan naar
het pakwerk met de helper, start ik vaak op volgende
manier:
De
geleider en hond begint temidden het oefenveld het
buitspel met vod(aan koord), de pakwerker blijft in de
buurt, als de hond éénmaal de buit goed vast heeft neemt
de helper de vod van geleider over, van het ogenblik dat
de hond begint te trekken aan de buit laat de helper het
vodje los, en laat geleider de hond met het vodje
demonstratief ronddragen.
De
pakwerker neemt de koord(buit) terug vast en brengt deze
op spanning totdat de hond het
trekgedrag vertoont, hierop wordt de hond opnieuw
beloond door de buit los te laten, onmiddellijk daarop
probeert de geleider zijn hond het dragen(pronken) van de
buit te laten hernemen. Deze handeling kan enkele keren
herhaald worden naargelang de drift van de hond, doch is
het beter deze sessie zo kort mogelijk te houden.
Door
de buit aan een lange koord te bevestigen, hebben we het
voordeel dat de pakwerker zo weinig mogelijk moet
bewegen(hond moet gefixeerd zijn op buit en niet op
pakwerker), en hierdoor wordt de hond enkel in buitdrift
gebracht.
Pas
op een veel later stadium zal de helper de buit van de
hond beconcurreren.
.........................................................................................................................................................................................................................................
VAN
VOD NAAR ZACHT MOUW
Ik
ben van oordeel dat de overgang van vod naar zachte mouw
zo snel mogelijk moet gebeuren, daar de beet van de hond
kwalitatief beter kan aangeleerd worden op een mouw.
Het
spreekt voorzich dat de hond fysiek ontwikkeld(tandwissel)
moet zijn alvorens wij hem op de mouw leren bijten.
De
pakwerker moet met een zeker gevoel spanning op de mouw
plaatsen, die nimmer de hond overtroeft, maar toch steeds
zodanig verhoogt zodat de hond een nog hardere en
krachtvollere beet aanleert.
In
praktijk kan men als volgt te werk gaan:
Als
de hond enkele malen het trekspel(vod) met helper achter
de rug heeft, en hij op een positieve manier driftvol in
het spel opgaat, kan men tijdens het werken de vod
vervangen door een bijtrol(aan koord), de hond zal normaal
gezien ook deze buit achtervolgen en toebijten.
De
pakwerker moet de eerste malen als de hond toebijt, de
buit onmiddellijk loslaten, pas na enkele keren kan men
zien of de jonge hond ook het trekgedrag zal vertonen op
de bijtrol.
Pas
als de hond ook het trekgedrag vertoont op de bijtrol, kan
men de hond op de mouw(mouw aan lange lijn) leren bijten,
dit kan door hetzelfde scenario toe te passen als deze van
vod naar bijtrol.
Na
verloop van tijd wordt de mouw op de arm van de pakwerker
gedragen, als de hond toebijt laat de helper de mouw van
zijn arm afschuiven en
brengt spanning op de mouw via de lijn die aan de
bijtarm bevestigd is, de hond wordt beloond vanaf dat hij
het trekgedrag vertoont.
.........................................................................................................................................................................................................................................
DRIFTCONTROLE
Het
huidig wedstrijdpakwerk legt de klemtoon op een maximale
gehoorzaamheid van de hond, het is
dan ook logisch dat het pakwerk aangeleerd wordt
onder een zekere vorm van driftcontrole.
Zoals
ik al eerder aangaf is het beter te voorkomen dan te
corrigeren, daarom moet de manier van het aanleren van de
oefeningen zodanig uitgekiend zijn dat er zo weinig
mogelijk niet gewenste nevengedragingen kunnen optreden.
Het
is bijna onoverkomelijk dat er zal gecorrigeerd moeten
worden, maar dit kan enkel als de hond begrijpt waarom de
correctie is toegediend, indien de correctie veelvuldig en
langdurig moet herhaald worden, dan is dit veeleer omdat
de hond het gevraagde niet begrijpt. Hierdoor bestaat vaak
het onbegrip van sommige africhters, en catalogeren hun
hond als een “harde” die correcties vraagt, maar voor
vele honden worden correcties op dat moment
driftstimulaties, en zo komt men in een vicieuze cirkel
terecht waar de controle op de hond volledig verloren
wordt.
De
zwaarste correctie die men een hond kan toedienen is het
niet bevestigen van zijn driftdoel(buit).
Van
het ogenblik dat de hond bij het zien van mouw en
pakwerker automatisch in drift komt(buitdrift), en dit
zonder dat de pakwerker enige vorm van driftprikkels
toediende, kan en is volgens mij het moment om de hond
enige vorm van driftcontrole aan te leren.
Men
kan als volgt te werk gaan:
Op
het midden van het terrein wordt de zachte mouw(buit)
neergelegd, geleider met hond komt op terrein en doet een
volgoefening in de buurt van de mouw, enkel als de hond
correct aan de voet loopt wordt de hond vrijgegeven door
bevel vast of click*, hoe de hond de mouw inbijt is van
geen belang, want wat we met deze oefening
willen bereiken is driftcontrole, er wordt dus in
dit stadium zonder pakwerker gewerkt.
Na
enkel sessies en dit pas als de hond deze oefening
beheerst, wordt de mouw niet meer op de grond gelegd maar
door pakwerker vastgehouden, de geleider doet terug
volgwerk en als de hond correct volgt wordt hij op het
signaal van de geleider vrijgegeven, de hond
wordt hierop door pakwerker opgehitst en beloond.
We
maken deze oefening per sessie moeilijker door de
pakwerker ook in beweging te brengen tijdens het volgwerk,
af eofening, enz., alle mogelijke appélvarrianten kunnen
hier onder controle aangeleerd worden.
.........................................................................................................................................................................................................................................
TECHNIEK
AANBEET
Onze
sporttak vraagt sporthonden die een perfect rustig en
volle beet bezitten, en dit op een bijtarm van ongeveer
40cm. Het is dan ook naar mijn mening niet correct de hond
zijn beet aan te leren
op een sterk bewegende pakwerker, vooralleer de
hond niet op een juiste en snelle manier
een stilstaande helper kan toebijten.
Bijkomend
moet de hond zijn beet rustig en vol leren houden als de
bijtarm(buit) volledig stil gehouden wordt, dit kan alleen
maar als de pakwerker minimaal in beweging is.
Het
is de bedoeling dat de hond het gevecht(trekkken aan de
mouw) overneemt van de pakwerker als deze laatste stil
staat, enkel bij energiek verweer wordt de hond bevestigd
met de mouw.
Kortom
het bijten op een bewegende arm en pakwerker kan pas als
de hond het voorgaande voldoende beheerst.
We
kunnen op de volgende manier de hond een snelle en
volle(harde)beet aanleren:
Op
bevel van geleider(vrijgave hond) wordt de hond +/- 1meter
voor een stilstaande pakwerker gebracht, hierop kan de
hond verschillend gaan reageren: hij trekt constant aan
lijn van geleider (hangt in de lijn), mogelijk beweegt hij
zich in verschillende richtingen, andere vallen stil of
blaffen, maar meestal is het een combinatie van deze
verschillende voorbeelden.
Het
is nu aan de pakwerker om te beslissen op welk gedrag hij
de buit zal bewegen en de hond laat
toebijten(buitbeloning), doet hij dat steeds als de hond
in de lijn hangt, dan zal de hond het verband leggen van
hoe strakker de lijn des te vlugger de beloning kan komen!
Gelijktijdig
ziet men dat het aanblaffen van de hond naar de pakwerker
ook tijdens deze situatie aangeleerd kan worden, namelijk
de pakwerker bevestigd enkel en alleen als de hond blaft
en de lijn niet op spanning is, hierdoor leert de hond een
manier om de pakwerker te activeren en zo uiteindelijk
zijn einddoel te bereiken. Hier aansluitend wil ik
meegeven dat er verschillende andere manieren zijn om het
aanblaffen aan te leren, straks daar meer over.
Pas
als de hond het gewenste gedrag vertoond,
wordt de mouw met een korte en hevige beweging
omhooggetrokken door de pakwerker, op deze vluchtbeweging
geeft de geleider zijn hond de ruimte om toe te bijten. Op
geen enkele manier mag de mouw(buit) een beweging maken
richting hond, dit komt pas later, hij moet eerst en
vooral snel en zelfzeker een vluchtbeweging kunnen
verijdelen!
Om
de snelheid van vluchtbeweging(mouw) nog groter te maken,
kan de pakwerker simultaan een stapje achteruit gaan.
Door
steeds met een snelle vluchtbeweging
te werken voorkomt men de zogenaamde trage aanbeet.
Naarmate
de sessies vorderen wordt er steeds meer en meer een
dreigbeweging(stok, stem) bijgeplaatst, de hond zal deze
dreigbeweging meer tot een signaal van toebijten leren
aanzien dan als bedreiging.
Feeling
en dosering wordt hier van de pakwerker vereist!
Vanaf
het ogenblik dat de hond heeft toegebeten brengt de
geleider de lijn op spanning, hierdoor zal de hond zijn
beet onmiddellijk hard en vast moeten plaatsen, het mag
zeker niet de bedoeling zijn om de lijn constant onder
spanning te houden.
Als
de hond eenmaal de mouw stevig vast heeft ontlast de
pakwerker en niet de geleider de spanning van de lijn,
hierop kan de hond verschillend reageren, hij blijft
passief hangen of hij komt in een trekbeweging en hierop
wordt de mouw afgegeven(buibevestiging), in het slechtste
geval vermindert de kracht van zijn beet of vertoont hij
de zogenaamde knabbel in de beet, indien de hond dit
gedrag vertoont, wordt de lijn onmiddellijk door de
pakwerker terug onder spanning gebracht, de hond zal de
mouw hierdoor terug krachtig moeten vasthouden, na luttele
seconden kan de pakwerker de lijnspanning opnieuw
ontlasten en bij het kleinst positief gedrag(trekken, of
stabiele beet) wordt de bijtarm afgegeven aan de hond.
Door
deze manier van werken leert de hond een krachtige en
volle beet te zetten, alsook hoe hij moet reageren als de
pakwerker en bijtarm niet meer bewegen, en zo voorkomt men
maximaal de in vaktermen genaamde “vuile beet”.
Als
de hond éénmaal een goede beet zet en ogenblikkelijk in
een trekbeweging gaat, kan men bijkomend enige dreiging
van de stok en stem toevoegen. Maar dit dan wel op een
zodanige manier dat telkenmale er een dreiging komt de
hond onmiddellijk wint via het trekspel of afgave van de
mouw. Het beconcurreren van de mouw door de helper moet
met de meeste omzichtigheid gebeuren!
Een
pakwerker moet meer kunnen dan alleen strijd met de hond.
Veel belangrijker is dat hij kan verliezen.
(Dr.Helmut
Raiser).
.........................................................................................................................................................................................................................................
AANBLAFFEN(stellen)
Het
stellen van de pakwerker in het verstek is naar mijn
mening de moeilijkste oefening van ons programma (GHP,
SchH), vele honden worden bij het aanleren van deze
oefening vaak verkeerd gestimuleerd of gecorrigeerd, en
deze negatieve impulsen tasten in grote mate zijn
zelfzekerheid aan, dit zal dan ook het verdere verloop van
het pakwerk beïnvloeden.
Het
is een oefening die de twee uiterste pijlers van ons
pakwerk omsluit namelijk intense drang naar de
pakwerker(aanblaffen) en totale controle(aan voet roepen)
van de hond.
Het
aanblafverstek en situatie zijn heilig, waar met de
grootste ernst gewerkt moet worden!
Zoals
ik reeds eerder aangaf zijn er verschillende manieren om
een hond het aanblaffen aan te leren.
Een
vaak gebruikte methode is:
De
hond leert op balletje of voeding het bevel luid(revier),
als hij eenmaal het bevel onder de knie heeft, wordt dit
omgezet tot het aanblaffen van een mouw die de geleider
zelf vast houdt, pas als de hond gecontroleerd deze
oefening kan, wordt deze situatie aangeleerd met een
pakwerker.
Voordeel
van deze methode is dat de hond het aanblaffen op een
vrije en met een minimum van correcties aanleert.
Toch
zijn er honden die moeilijk tot blaffen kunnen gebracht
worden via het balletje of voeding(vaak door te weinig
geduld van geleider), en dan is men genoodzaakt het
blaffen direct in het pakwerk aan te leren.
Door
het aanblaffen probeert de hond de pakwerker in
beweging(vlucht) te brengen, het is dan ook onlogisch dat
de pakwerker beweegt om de hond het aanblaffen aan te
leren.
Toch
ziet men vaak totaal omgekeerde situaties op bepaalde
oefenvelden, de pakwerker hitst de hond met knallende
zweep en heftige bewegingen op, om dan plotseling stil te
staan, hier opvolgend hoopt men dat de hond zal reageren
door te blaffen, gek genoeg gebeurt dit soms ook wel.
Maar
na enkel trainingssessies moet de hond steeds meer en meer
in drift gebracht worden om de hond tot blaffen aan te
zetten, de volgende stap die men dan doet is het bedreigen
of belasten van de hond door eventueel pijnprikkels toe te
voegen.
Maar
laten we nu eens die situatie bekijken via de ogen van
onze hond…..
Bij
het zien van een heftig bewegend persoon die gelijktijdig
enorm véél lawaai maakt, komt voor de hond zowel
verweerdrift als vermijd(vlucht)drift naar boven, en zoals
we weten moeten we met deze driftvormen erg voorzichtig te
werk gaan, deze drift schaad ook vaak de zelfbewustheid
van de hond.
Bijkomend
leert de hond pas te blaffen tijdens of juist na een
driftstimulatie, dit brengt mede dat als er niet gehitst
wordt de hond weinig of geen redenen ziet om te blaffen,
zodoende moet hij in het verstek constant geprikkeld
worden door de pakwerker om aanhoudend te blijven blaffen.
We
weten dat verweerdrift vaak gepaard gaat met agressie en
dit beïnvloedt(vermindert) in sterke mate de
leercapaciteit van onze hond.
Ik
ben dan ook van oordeel dat aanblaffen op een buitgerichte
manier moet gebeuren, pas als de hond correct en zelfzeker
deze oefening beheerst, kan men andere driften aanspreken
zoals verweerdrift of eventueel aan
buitconcurrentie doen, dit om het in vaktermen
“drangvol stellen” te bewerkstelligen.
Een
mogelijke manier om onze hond het aanblaffen direct
tijdens het pakwerk aan te leren is als volgt:
Tijdens
de sessie driftcontrole en bijttechniek
kan simultaan ook het aanblaffen aangeleerd worden.
De hond wordt bij vrijgave (click) op enkele meters
afstand van de pakwerker gehouden, de pakwerker “blijft
stilstaan”, doordat de hond gefrustreerd raakt door het
niet bereiken van zijn driftdoel, zal hij in vele gevallen
zijn ongenoegen laten blijken door te blaffen, hierop
belonen de geleider en pakwerker de hond onmiddellijk door
hem te laten toebijten, er wordt tijdens gans het verloop
op geen enkele manier een mondelinge stimulans of bevel
gegeven(luid, revier)
om de hond tot blaffen aan te zetten. Naar mate de
sessies verlopen brengt men de hond dichter bij de
pakwerker en drijft men de tijdsduur van het aanblaffen
op.
Op
geen enkel moment wordt er enige lijncorrectie toegediend,
noch voor afstand hond -mouw, blafprikkel of zitten, het
is de pakwerker die beslist (via clicksignaal)of de hond
een gedrag vertoond die een buitbevestiging oplevert, de
hond zal hierdoor snel en onbevangen het aanblaffen
aanleren.
We
moeten er ons van bewust zijn dat niet alle honden even
gemakkelijk hun frustratie blaffend vertalen, dit is zeker
het geval als men de eerste maal de hond vrijgeeft.
Op
het geringste gedrag reeds een klein gejank(piep) kan
voldoende zijn moeten
pakwerker en geleider passend reageren door de hond
te belonen(laten toebijten buit).
Bij
minder driftvolle honden kan de drang naar de mouw(buit)
verminderen, deze desinteresse komt doordat de buit niet
beweegt, bij dergelijke situaties kan men als pakwerker
een paniekerige stap achterwaarts plaatsen(buitvlucht),
dit wekt bij de hond terug een buitprikkel op.
Vaak
komt het voor dat als de hond te dicht bij de buit
geplaatst wordt, het blafgedrag omslaat naar een drangvol
staren (hond komt onder spanning, stille bewaking), dit is
een natuurlijk gedrag die driftvolle honden tonen, het is
dan ook logisch dat bij een dergelijke situatie de hond
terug op een grotere afstand van de mouw wordt gehouden,
hierdoor zal de blafprikkel bij de hond opnieuw en vlugger
optreden.
Soms
ziet men honden die hun driftfrustratie kanaliseren door
heen en weer te springen of korte draaibewegingen te
maken, dit gedrag leidt vaak tot een vermindert blafritme.
We moeten dan ook van in het begin dit foutief gedrag
proberen te voorkomen door eventueel de hond aan een
kortere lijn vast te houden, of op een geleidelijkmatig
tempo voorwaarts te bewegen richting pakwerker.
Naarmate
de sessie vorderen moeten we de aanblafsituatie dichter
bij het verstek laten plaats vinden, tot we uiteindelijk
het aanblaffen enkel en alleen in het verstek uitvoeren,
bijkomend is het aangewezen dat we deze situatie in
verschillende verstekken en terreinen aanleren.
.........................................................................................................................................................................................................................................
LOS-BEWAKING
De
hond kan op twee manieren de pakwerker bewaken, aanblaffen
of stille bewaking, beide hebben voor en nadelen.
De
keuze van bewaking wordt vaak gemaakt naargelang het
temperament van de hond, een veel voorkomend voorbeeld is
het omzetten van blaffende bewaking naar stille, dit omdat
de hond vaak de mouw(buit) aanstoot, of omgekeerd men
leert de hond terug blaffen daar hij bij een stille
bewaking te weinig natuurlijke drift bezit om langdurig
strak de pakwerker te bewaken.
Het
aanleren van bewaking kan op verschillende manieren
gebeuren, toch ben ik van mening dat we pas met deze
oefening kunnen beginnen als de hond het los bevel
beheerst. (bv. op balletje).
Vele
onder ons starten het aanleren van de bewaking na het
lossen van de mouw(buit), de hond heeft de mouw stevigvast
en hierop wordt door de geleider het losbevel gegeven,
vaak gaat dit gepaard met een lijncorrectie, als de hond
éénmaal gelost heeft wordt hij met de lijn
gecontroleerd(corrigeert).
De
hond zal op deze wijze het losbevel associëren met de
pijnprikkel, daar de hond de pijnprikkel wil vermijden zal
hij na een losbevel ook snel lossen?!
En
nu komen de problemen…..
Bij
minder driftvolle honden zal de inpakt van lijncorrectie
door geleider danig zijn dat de pakwerker de hond constant
terug in drift zal moeten houden om enige mouw bewaking te
hebben, wat terug ongecontroleerde reacties (inbijten)met
zich mee kan brengen, bij driftvolle honden zal de
lijncorrectie vaak een driftstimulans worden en de
bedoelde controle wordt hierdoor uiteindelijk niet
bereikt, de pijnprikkel zal steeds groter moeten worden om
enig resultaat te verkrijgen, uiteindelijk nemen vele
geleiders dan het ultieme wapen tevoorschijn
de“teletact”.
Finaal
verkrijgt men door op dergelijke wijze te werken, vaak een
onnatuurlijk lossen en een onstabiele bewaking.
Het
aanleren van de losoefening vanuit het vasthouden
(bijten)van de mouw, is eigenlijk niet eerlijk ten
opzichte van de hond, daar wij op alle mogelijke manieren
de hond hebben leren toebijten en vasthouden(trekken), hij
wordt als jonge hond pas beloont als hij deze handelingen
deed!
Door
nu plotseling het bevel los te geven met daaropvolgend
lijncorrecties, zal en kan de hond geen logisch verband
meer leggen tot welk gedrag hij beloont wordt, er onstaat
bij de hond een twijfel of bij driftvolle honden negatieve
frustratie.
Laten
we het lossen van de mouw even nader bekijken, welke
handelingen willen we onze hond bij het lossen aanleren?
Eerst
en vooral moet hij de mouw(buit) snel en uit volle beet
lossen, om daarna een strakke bewaking naar de pakwerker
te vertonen, dit zijn op zich twee verschillende
oefeningen.
We
weten dat als we de volledige(twee) oefening willen
aanleren via het lossen van de mouw we veel negatieve
nevengedragingen aanleren, maar wat als we het omgekeerd
aanleren?
Voor
vele zal dit onlogisch klinken maar door de hond te laten
toebijten na een losbevel zal de hond vlotter lossen.
Hoe
kan een zogenaamde omgekeerde(buit bewaking) methode er
uit zien.
De
geleider met hond aan de voet neemt plaats midden het
oefenterrein en roept de pakwerker “voor”, de helper
begeeft zich zonder enige vorm van driftopwekking 1 meter
voor de hond. Indien bij het benaderen van de helper de
hond toch in drift komt wordt hij door de geleider aan de
voet gevraagd en volgt er hierop een korte appéloefening(wandeling),
eens de hond terug onder controle staat wordt de pakwerker
opnieuw voor gevraagd.
Het
is steeds de pakwerker die de hond toenadert en niet
omgekeerd!
Eens
de pakwerker voor de hond staat wordt door de geleider het
(zacht)bevel los gegeven, ogenblikkelijk hierop (1sec)
beloont de pakwerker de hond door afgave mouw, alles
gebeurd zonder enig vorm van strijd of buitbetwisting, dit
om de drift zo laag mogelijk te houden.
Deze
situatie wordt verschillende malen herhaald totdat de hond
enkele seconden de pakwerker bewaakt(stil) terwijl
geleider nog steeds naast hem staat.
Pas
als de hond het voorgaande beheerst kunnen we verder, de
geleider doet na het bevel “los” een stap achterwaarts
en laat de hond alleen bij de pakwerker, blijft de hond
rustig bewaken dan wordt hij door de helper beloond met
afgave mouw.
De
volgende sessies probeert de geleider de bewakende hond
steeds verder te verlaten, simultaan verlengt de pakwerker
de tijdsduur van de bewaking, het spreekt voor zich dat
hier een groot gevoel en inschattingsvermogen van de
helper vereist wordt, hij mag immers enkel en alleen
belonen(afgave mouw) als de hond zich in hoogste positieve
spanning bevind.
Als
de hond een geruime tijd een strakke bewaking kan
bewaren, wordt de moeilijkheidsgraad verhoogd door het
terug toe naderen van de geleider naar zijn bewakende
hond, telkenmale als de geleider de hond achterlaat in
bewaking wordt het “los” bevel gegeven.
We
moeten ten alle tijde voorkomen dat de hond zonder enige
aanleiding inbijt, doet deze situatie zich toch voor dan
is dit vaak te wijten door te snel de moeilijkheidsgraad
op te voeren, corrigeren is dan ook in dit stadium niet
aangewezen, beter is terug van stap één te herbeginnen.
Beheerst
de hond de bewakingsfase vlekkeloos, dan pas kunnen we het
lossen van de mouw introduceren.
We
gaan als volgt te werk:
De
hond wordt in bewaking geplaatst(geleider laat hond bij
pakwerker achter), na enkele seconden doet de helper de
hond toebijten en laat hem enig verweer ontwikkelen op de
mouw(trekken), na een tijd
probeert de pakwerker de bijtarm zo immobiel
mogelijk te houden, op dit ogenblik wordt het “los”
bevel door geleider gegeven, als de bewakingsfase bij de
hond goed geïmpregneerd is zal hij ook bijna zonder enig
verweer automatisch lossen en het aangeleerde(bewaken)
uitvoeren.
Doch
bij driftige honden kan het noodzakelijk zijn enige vorm
van lijncorrectie toe te dienen, maar ik voeg hier
onmiddellijk aan toe, dat de hond weldegelijk de bedoeling
van de correctie zal begrijpen en zeker als de pakwerker
hem onmiddellijk beloont na het lossen. Deze driftvolle
hond zal dan ook de lijncorrectie niet ervaren als
driftstimulans, en zodoende worden de eventuele correcties
tot een minimum herleid.
Blaffen
of stille bewaking?
Met
deze methode kan men de hond een blaffende als ook stille
bewaking aanleren, en zelfs een ongecontroleerde
bewakingen(inbijten) stabiliseren.
Om
de hond een blaffende bewaking aan te leren volstaat het
om na het losbevel het bevel revier of luid te geven
eventueel gepaard met een lichte driftprikkel van de
pakwerker, de hond zal snel dit gedrag vertonen daar hij
deze reeds kent van de situatie aanblaffen verstek.
De
hond zal snel een blaffende bewaking ontwikkelen daar de
pakwerker hem pas beloont in dit gedrag, en na enkele
sessies zal hij het bijkomend revier(luid)bevel dan ook
niet meer nodig hebben.
Indien
we de hond een stille bewaking willen aanleren, dan
is de beloningfase juist wanneer de hond stil en in
hoogste drang bevindt.
Indien
de hond toch tijdens de bewaking overslaat in een
blafgedrag, dan is dit meestal om dat we te snel willen
evolueren.
Als
de hond tijdens de stille bewaking begint aan te blaffen
dan is men genoodzaakt hierop als geleider te reageren, en
dit door het constante los bevel te geven terwijl men de
blaffende hond toe nadert, éénmaal bij de hond wordt er
een fysieke aanraking op hem uitgeoefend met simultaan een
vermanende stem van los of stil, is de hond terug rustig
en stil dan beloont de pakwerker met afgave mouw.
De
hond zal op deze manier snappen dat als de geleider hem
toe nadert zonder enig geluid te maken, hij beloond zal
worden, en bij toenadering met een constant losbevel er
altijd een
fysieke aanraking op hem uitgeoefend wordt, en zodoende
hij ook geen beloning verkrijgt.
Je
kan hieruit concluderen dat een optimale stille bewaking
enkel door driftvolle honden kan uitgevoerd worden.
.........................................................................................................................................................................................................................................
REVIEREN
Onze
hond de verstekken aanleren kan op verschillende manieren
gebeuren, toch moeten we ervan uitgaan dat deze oefening
niets anders is dan een appéloefening.
Maar
al te vaak ziet men honden die vlot de zes verstekken
omlopen op eigen terrein, maar op een vreemd oefenveld
compleet het noorden kwijt geraken, de oorzaak hiervan is
dat de hond steeds op eigen houtje de zes verstekken kan
en mag omlopen, en nimmer op aanwijzing van geleider.
Eén
van die vele verschillende manieren om de hond een verstek
te leren omlopen is via het verstoppen van zijn
geliefkoosd balletje in het verstek.
We
laten de hond enkele meters voor het verstek achter(af),
met veel vertoon leggen wij zijn balletje langs de hoek
van het verstek waar de hond in de toekomst het verstek
moet omlopen.
Als
de geleider terug plaats heeft genomen naast de hond laat
hij deze door een bevel revier naar het balletje lopen,
geleidelijk legt men het balletje steeds verder achter het
verstek.
Loopt
de hond na een bevel vlot tot achter het verstek, dan
wordt de hond terug geroepen(naam + vertoon tweede
balletje) en met een tweede balletje
beloont, na verloop van tijd zal de hond leren rond
het verstek lopen om uiteindelijk zijn balletje te
verkrijgen van zijn geleider.
Op
die manier kan men de hond leren verschillende verstekken
te revieren vooraleer hij zijn balletje verkrijgt. Pas als
de hond vlot de verstekken omloopt in gehoorzaamheid
(balletje), kan men de hond belonen met de
bijtarm(pakwerker), we moeten er ons wel van bewust zijn
dat de hond dan vaker in de fout zal gaan(hogere drift),
en moeilijker onder controle te houden is, toch is het van
uiterst belang de hond te begeleiden en fouten te
voorkomen(lange lijn), dan te corrigeren.
Het
spreekt voor zich dat de hond het “hier” bevel
volledig beheerst alvorens we het revieren aanleren!
Een
tweede belangrijk feit is dat de geleider zijn hond enkel
mag doorsturen naar het volgende verstek als de hond
weldegelijk contact maakt met hem(kijkt en richting
geleider loopt), doet de hond dit niet dan wordt het
bijkomend bevel ”hier” gegeven en wordt de hond aan
voet doorgestuurd. Door op die manier te werken, zal de
hond steeds na het omlopen van verstek zijn geleider
aankijken om zodoende terug doorgestuurd te worden naar
het volgend verstek, het eindresultaat is een volledige
controle tijdens het revieren.
Als we de pakwerker steeds in een verschillend
verstek verstoppen zal de hond bij het revieren de hokken
eng blijven omlopen.
.........................................................................................................................................................................................................................................
SLOT
Pakwerk
is in onze sporttak het onderdeel waar we van onze hond de
meest uiterste driftvormen aanspreken, buit, agressie,
verweer en vluchtdrift, alle zijn aangeboren driften die
iedere gezonde hond bezit, het is aan ons om deze driften
op een hondsvriendelijke manier te gebruiken.
We
moeten er ons van bewust zijn dat wat wij hobby noemen,
voor onze hond steeds ernst is.
Onze
hond kan nimmer dit verschil maken, verdedigingsdrang,
buitdrift is en blijft een gedrag die essentieel is tot
zijn overleving, het is dan ook onverantwoordelijk pakwerk
als louter een spel te aanzien.
Indien
we het pakwerk op een honds eerlijke manier wensen te
beoefenen, dan moeten we minimum de volgende punten
naleven:
1.
De
hond moet psychisch en fysisch in orde zijn.
2.
Geleider en pakwerker, bespreek voor je begint.
3.
Theoretische kennis minimaliseert praktische
fouten.
4.
Het is de hond die pakwerk doet en niet de
pakwerker.
5.
Iedere hond heeft zijn maximale capaciteit, leer ze
kennen en eerbiedigen.
6.
Tussen pakwerker en geleider moet er een
vertrouwensband zijn, waar de hond centraal staat.
7.
Geduld leid vaker tot een blijvend resultaat.
Tot
slot nog dit,
Ik
ben ervan bewust dat voor vele onder u dit geschrevene al
een gekende materie is, vaak soms achterhaald, misschien
kent u reeds betere methoden en manieren om de hond het
pakwerk bij te brengen, toch hoop ik dat dit werkje het
nut heeft om je tot nadenken te zetten, hoe je het pakwerk
aanleert en beoefent.
Door
onze ervaringen te delen verhogen we de kans om tot een
beter begrip en africhtingniveau te komen met onze hond,
het is dan ook mijn inziens onbegrijpelijk dat sommige
pakwerkers elkaar aanzien als concurrenten.
Enkel
deze die uit liefde voor de hond(sport), de honger om
steeds de ongekende drift van de hond te bespelen, en open
staan voor nieuwe ideeën worden goede pakwerkers, en
kunnen een hond tot een degelijk niveau brengen.
Het
zijn deze pakwerkers die we eerder moeten
respecteren dan bekritiseren, vaak hebben ze niet het
flitsende pak aan of een macho kapsel, maar staan in weer
en wind, zomer en winter op het oefenveld ten dienste van
u en uw hond.
Jan
Galant.