Breeding Working and Sporting German Shepherd Dogs
 
 
 
 
 
 

 

 

 

INTEELTCOEFFICIENT

 

Cash vom Banholz

 

Een eenvoudige methode om de inteeltcoëfficiënt te berekenen. 

De coëfficiënt is een constante factor voor een veranderlijke grootte. Deze veranderlijke grootte is in de dierenfokkerij de inteeltgraad.

Hoe hoger de graad is, des te hoger moet de gelijkenis van het genotype van de te paren dieren zijn, want de inteelt brengt een opsplitsing van de uitgewisselde erffactoren teweeg; de ongelijke genparen worden gereduceerd ten gunste van gelijke genparen.

In de praktijk komt het hierop neer dat een fout, die bij inteeltvrije fok bij 1% van de nakomelingen optreedt, bij een paring tussen nestgenoten bij 25% van de nakomelingen kan optreden.

Door inteelt kan de fokker goede kenmerken of eigenschappen in zijn fok brengen, hij kan echter ook fouten vermeerderen. Bij hondenrassen met een zeer kleine fokbasis wordt inteelt dwangmatig bedreven.

Het moet een fokker, die niet gewoon planloos honden produceert, interesseren, in welke mate de voor de fok gebruikte dieren ingeteeld werden, en hoe hoog de inteeltgraad van de verwachte nakomelingen van de twee verwante ouderdieren zal zijn.

Om de inteeltgraad of inteeltcoëfficiënt te berekenen gebruikt men in de vakliteratuur de formule Wright. Deze is echter voor de meeste fokkers te gecompliceerd. Daarom kan gebruik gemaakt worden van methoden die gemakkelijker te vatten zijn en tot hetzelfde resultaat voeren.

Eén van zulke formules werd opgesteld door de Prager zooloog Frantisec Horak.

Voor de berekening van de inteeltgraad heeft de fokker volgende gegevens nodig:

De som van de generaties van de gemeenzame voorouders verminderd met 1.

Tabel 1

Is dit 2

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

25 %

Is dit 3

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

12.5 %

Is dit 4

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

6.25 %

Is dit 5

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

3,125 %

Is dit 6

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

1,56 %

Is dit 7

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

0,80 %

Is dit 8

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

0,40 %

Is dit 9

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

0,20 %

Is dit 10

Dan bedraagt de inteeltcoëfficiënt

0,10 %

 

Johansson en Lush zijn de mening toegedaan dat dieren met een inteeltcoëfficiënt van minder dan 6,25 % niet meer als inteeltproducten moeten beschouwd worden. Voor de praktische fokker komt het er dus op aan om beneden deze coëfficiënt te blijven.

Hoe de berekening in zijn werk gaat wordt aan de hand van 4 voorbeelden  uitgelegd.  

 

Voorbeeld 1 

De stamboom van een dier die voorkomt van een paring tussen nestgenoten:  

1 ste generatie

2de generatie

3de generatie

A

C

 

D

 

B

C

 

D

 

 De gemeenzame voorvader C is bij de vader in de 2de generatie en ook bij de moeder in de 2de generatie aanwezig.

De som van de generaties geeft dus 2 + 2 = 4 vermindert met 1 geeft 3

Volgens “tabel 1” geeft getal 3 een inteeltcoëfficiënt 12,5 %.

Voor de gemeenzame voorouder D krijgen we eveneens 2 +2 = 4 vermindert met 1 geeft 3 wat ook een inteeltcoëfficiënt 12,5 % geeft.

Tellen we deze coëfficiënten samen dan krijgen we voor een broer-zusterparing een inteeltcoëfficiënt van 25 %. Dit getal geeft de gemiddelde verhoging van homozygote genparen aan ten opzichte van niet ingeteelde dieren.   

 

Voorbeeld 2

De stamboom van een dier dat voorkomt uit een vader-dochter of een moeder-zoon paring;

1 ste generatie

2de generatie

3de generatie

A

C

 

D

 

B

A

 

E

 

De vader aan vaderszijde is de 1ste generatie, aan moederszijde is het de 2de generatie.

De som: 1 + 2 = 3 vermindert met 1 geeft 3 – 1 = 2

Volgens “tabel 1” geeft dit een inteeltcoëfficiënt van 25 %.

Een vader-dochter of moeder-zoon paring geeft dus dezelfde inteeltcoëfficiënt als broer-zusterparing. 

 

Voorbeeld 3

Stamboom van een dier met meerdere gemeenzame voorouders:

 

1 ste generatie

2de generatie

3de generatie

A

C

G

H

D

I

J

B

E

C

K

F

I

L

 De gemeenzame voorvader C aan vaderzijde in de 2de, en aan moederzijde in de 3de generatie aanwezig.

Dat geeft 2 + 3 = 5 vermindert met 1 geeft  5 – 1 = 4.

Dit geeft een inteeltcoëfficiënt van 6,25 %.

De voorouder I komt bij beide ouders in de 3de generatie voor dit geeft

3 + 3 = 6, vermindert met 1 geeft 6 – 1 = 5.

Volgens de tabel een coëfficiënt van 3,125 %.

Samen bedraagt  de inteeltcoëfficiënt 6,25 + 3, 125 = 9,375 %

De nakomelingen uit deze combinatie hebben dus een kleinere inteelt coëfficiënt als uit de voorbeelden 1 en 2. 

   

Voorbeeld 4

1 ste generatie

2de generatie

3de generatie

A

C

F

G

D

C

I

B

A

C

D

E

N

I

 De inteeltcoëfficiënt voor vader A met gemeenzame voorvader C in de vaderlijn en in de moederlijn geeft 2 + 3 = 5, vermindert met 1 geeft 5 – 1 = 4, dus een coëfficiënt van 6,25 %.

Uit de verbinding van vader A met dochter B komt vader A in de 1ste generatie aan vaderskant en in de 2de generatie aan moederszijde voor: 1 + 2 = 3, verminderd: 3 – 1 = 2.

Dus een coëfficiënt van 25%.

Een verdere gemeenzame voorouder is de teef I die bij beide ouders in de 3de generatie voorkomt: 3 + 3 = 6, verminderd 6 – 1 = 5 en een coëfficiënt van 3,125%.

Het totaal van de gevonden coëfficiënten bedraagt:

6,25% + 25% + 3,125% = 34,375%

De inteeltgraad uit zulke paring is dus wel zeer hoog.

Komt er in de 4de generatie een gemeenzame voorouder voor, dan wordt de berekening 4 + 4 = 8, verminderd 8 – 1 = 7 en zou de coëfficiënt 0,80% worden wat minder is dan 1%. Men kan dan in dit geval niet meer spreken van inteelt.

Deze manier van berekening van inteelt is relatief eenvoudig, men mag alleen niet vergeten telkens 1 af te trekken.

Bron: VVDH maandblad juni 2005.

          Frantisec Horak – uit “Hunde”.