Breeding Working and Sporting German Shepherd Dogs
 
 
 
 

 

 

 

 

Inteelt onder selectieve controle

(door Eberhard Trumler)   

 

 

Gasco vom Banholz & Gismo vom Banholz

 

 

Informatie afkomstig uit het boek "Honden moet je serieus nemen" van de nestor van de Europese kynologie: Eberhard Trumler 

De noodzaak fouten te bestrijden

Tijdens het Wereldcongres voor Kynologen in 1973 te Dortmund heb ik een uiterst interessante voordracht gehoord over 'Bruikbare mogelijkheden om erfelijke afwijkingen bij honden te bestrijden', die werd gehouden door Georg Wilhelm Rieck, professor aan het 'lnstitut für Erbpathologie und Zuchthygiene' van de universiteit Giessen. Een voordracht die veel mensen, vooral fokkers, de haren te berge deed rijzen. Maar het is nu eenmaal zo: als we honden serieus willen nemen - en dat gebeurde in deze voordracht met duidelijk vooropgezette bedoeling - ontdekken we plotseling dat er nog veel meer verantwoordelijkheid, kennis en werk noodzakelijk is dan men zo gewoonlijk denkt.

Om het vererven van fouten bij honden met succes te kunnen bestrijden, stelde professor Rieck een lijstje met negen
voorwaarden op, dat een ieder die iets met het fokken van honden te maken heeft uit zijn hoofd zou moeten leren. Ik zou zelfs zover willen gaan dat ik vind dat dit lijstje een onderdeel zou moeten vormen van de wet op bescherming van dieren. Elke fokker of club die zich daaraan niet zou houden, zou beboet moeten kunnen worden. Ik citeer:

1. Een strenge selectie bij het fokken is nog steeds de fundamentele basis voor bestrijding van erfelijke fouten, d.w.z. dat heterozygote (met ongelijksoortige genen) ouders met een worp misvormde jongen van het fokken worden uitgesloten.

2. Een voorwaarde voor succes met systematische selectiemaatregelen wordt gevormd door een getrouwe melding, met andere woorden: het zonder terughouding melden van alle jongen die met defecten worden geboren. Gebrekkige informatie leidt tot desoriëntering.

3. Doodgeboren of kort na de geboorte gestorven jongen mogen niet zelfstandig worden vernietigd, maar moeten door de fokadviseur of de adviserende dierenarts worden bekeken. Soms zal zelfs autopsie nodig zijn.

4. De door veel fokregisters voorgeschreven beperkingen tot zes pups in een worp moet worden geschrapt. Dergelijke
maatregelen geven en verkeerd beeld van de werkelijke gezondheid en genetische constitutie van de worp, omdat dikwijls misvormde en niet levensvatbare pups worden verwijderd voor de totale worp wordt beoordeeld.

5. Fokadviseurs zouden een specialistische opleiding op het gebied der genetica moeten volgen, waarbij minder waarde zou moeten worden gehecht aan de wetten van Mendel dan aan de polygene vererving (kwantitatieve genetica) en de populatiegenetica. Deze vorming zou aan centrale instituten kunnen plaatsvinden.

6. Bij populaties met veel voorkomende erfelijke ziekten zou een strenge selectie tot een gevaarlijke basis aan fokdieren kunnen leiden. Hier kan alleen de controle op pathologische (zieke) erfelijke eigenschappen van goede jonge reuen - door middel van incestparingen uitkomst bieden. De op die manier geteste reuen zouden in zo groot mogelijke aantallen aan de verenigingen ter beschikking moeten worden gesteld. Voor de uitvoering van deze testparingen worden nieuwe vormen van organisaties voorgesteld, bijvoorbeeld 'proefkennels van rasverenigingen'.

7. Bepalingen in de fokregisters of rasstandaarden die betrekking hebben op de selectie op bepaalde vorm- en kleureigenschappen van rassen en die duidelijk tot lichamelijke defecten en functiestoringen aanleiding geven, moeten worden onderzocht en zo nodig geschrapt.


8. Chirurgische ingrepen bij voor het fokken bestemde dieren, die erfelijke defecten ongedaan moeten maken, zoals
bijvoorbeeld bij cryptorchisme (niet in het scrotum ingedaalde testikels), kunnen slechts een 'cosmetische' betekenis hebben. Op die manier behandelde dieren dienen van het fokken te worden uitgesloten.

9. Het intensiveren van onderzoek en overleg op het gebied van de genetica door de fokkers brengt zwaardere financiële lasten voor de rasverenigingen met zich mee. Om hierin tegemoet te komen en de financiële basis te verzekeren zou in de vorm van een stichting een kynologisch onderzoekscentrum moeten worden opgericht.

Tot zover de negen voorwaarden van professor Rieck. Ik zal ze stuk voor stuk onder de loep nemen. De onder punt 1
genoemde voorwaarde komt voort uit het inzicht dat erfelijke ziekten in veel gevallen niet alleen het gevolg zijn van een fout gen. De meeste ontstaan doordat de genen (de dragers van de erfelijke factoren) van vaderszijde en die van moederszijde samen een dusdanige uitwerking hebben dat de betreffende erfelijke ziekte tot stand komt. Men noemt dit de 'polygene overerving'. Deze past niet in de erfelijkheidsregels van Mendel, die op grond van waarnemingen van afzonderlijke genen, de 'monogene overerving', zijn opgesteld. Als nu reu zowel als teef bepaalde genen hebben, die zich samenvoegen in de eicel, dan kan dit tot misvormingen of andere erfelijke defecten aanleiding geven. Het zou zinloos zijn de teef bij een andere reu te brengen. Die zou misschien dat deel van het complex van genen dat noodzakelijk was om de defecten bij de pups naar de oppervlakte te brengen niet hebben, maar de jongen zouden het moederlijk deel van het genencomplex verdekt bij het fokken blijven inbrengen. Om dezelfde reden zou het verkeerd zijn de reu bij een andere teef te brengen, want de uit die verbintenis voortkomende jongen zouden dan weer het vaderlijk deel verder doorgeven. Met andere woorden: als deze honden niet worden uitgesloten van het fokken, bestaat er een direct gevaar dat het ras met minderwaardige erfelijke eigenschappen wordt belast.

Maar wat doet nu de fokker die van die zaken niets weet (of niet weten wil)? Hij scheldt op de reu, voor wie hij zoveel
dekgeld heeft moeten betalen, bouwt verder op zijn teef en haalt er bij de volgende loopsheid een andere reu bij. Het succes geeft hem schijnbaar gelijk: louter gezonde levensvatbare jongen! Want bij deze reu ontbraken de genen, die tot de ontdekking van de erfelijke defecten van de moeder hebben geleid. En op die wijze geven deze jongen die bij het fokken weer door.

Bij punt twee zal elke fokker, wiens verantwoordelijkheidsgevoel zich beperkt tot het rinkelen van de kassa alleen maar wat minachtend glimlachen en dat geldt ook voor punt drie: de fokadviseur of dierenarts de misvormde of dode pups tonen? Daar is geen sprake van! Er zijn tenslotte nog genoeg gezonde jongen in de worp - die tonen ze dan trots. Die misvormde jongen hadden natuurlijk hun defecten in het moederlijf opgedaan, of doordat tijdens de dracht het weer te oud of te warm was geweest, of doordat de teef teveel gegeten heeft of wat er dan nog meer voor argumenten zijn om zichzelf te bedriegen. Dat hier gevaarlijke erfelijke factoren in het geding kunnen zijn die bij de overige pups verdekt aanwezig zijn en door hen bij het verder fokken kunnen worden doorgegeven en dus aan de hele populatie van het ras worden toegevoegd, daar denkt men niet aan.
Velen willen dat ook niet zien. Aan punt vier zou ik willen toevoegen, dat het heel goed mogelijk is dat een teef zo gezond en krachtig is en over zoveel melk beschikt dat ze rustig alle tien de jongen zou kunnen grootbrengen, of in ieder geval acht daarvan. Bij die overwegingen moet men altijd van het hele ras, de populatie dus, uitgaan. Een teef die zo sterk is en van wie de pups zo gezond en levensvatbaar zijn, heeft waarschijnlijk ook veel positieve erfelijke eigenschappen aan haar nakomeling meegegeven, en de vader misschien ook. Het zou jammer zijn als die erfelijke eigenschappen voor de populatie verloren zouden gaan. Ik zou dus zeggen dat de fokbepalingen zoveel ruimte zouden moeten laten dat de fokker na advies van de fokadviseur of de dierenarts toestemming krijgt een dergelijke veelbelovende worp in zijn geheel groot te brengen; ook als er geen min te vinden is en de moeder zelf sterk genoeg is.

Daarmee heb ik het niet over die teven die regelmatig meer dan acht of negen jongen krijgen, want dat beschouw ik als een domesticatieverschijnsel dat helemaal niet zo begerenswaardig is als dat sommige fokkers lijkt. Het natuurlijk aantal pups ligt rond de zes! De teef heeft weliswaar tien tepels, maar meestal geven de eerste twee geen melk. We zouden er dus vanuit kunnen gaan, dat een worp van acht jongen normaal is. Wat punt vijf betreft, na de voordracht hoorde ik toevallig een gesprek tussen twee fokadviseurs die zich er vrolijk over maakten dat ze nog eens geleerden zouden worden. Misschien nog wel een extra studie aan een universiteit moesten gaan doen om hun werk als adviseurs van de rasvereniging te kunnen blijven doen. Ik kreeg daarbij het gevoel, dat ze daar nu niet zoveel zin in hadden. Ik ken honden, die zich er veel meer over zouden verheugen als ze iets meer zouden kunnen leren; maar ja dat zijn dan ook maar honden! Ik heb toch al duidelijk genoeg gemaakt dat het voor de meeste lieden niet erg aantrekkelijk is iets meer op te steken; zelfs niet als het om honden gaat. Levende schepsels van onze wereld, van wie wordt gezegd dat ze de trouwste metgezellen van de mens zijn en die nog een stuk 'natuur' vormen. Men zou toch denken dat het de moeite waard is om dat stuk natuur zo natuurlijk mogelijk te houden - ook als dat betekent, dat men iets verder moet leren.


Inteelt onder selectieve controle

Bij punt zes van de voorwaarden van Rieck heb ik een interessant voorbeeld. Op zekere dag kwam ik in de gelegenheid een bezoek te brengen aan de Beagle-fokkerij van de firma Hoechst bij Frankfurt, die wordt geleid door Heinrich Strasser en Rolf Brunk. Ik was al meteen diep onder de indruk van de prachtige ruime verblijven, die uitstekend schoon gehouden werden. Ik werd er jaloers van, want zo mooi is alles bij mij niet. Ik heb me urenlang met de honden bezig gehouden en ik was ontroerd door de vriendelijkheid, de vertrouwelijkheid en de vrolijkheid van de dieren. Er waren ongeveer 700 honden en allemaal uitstekend gesocialiseerd en dat maakte een diepe indruk op mij. Ik was helemaal sprakeloos toen de beide heren me vertelden dat de fokkerij met niet meer dan één reu en drie teven was begonnen, waarbij bovendien een van de teven nog de zuster van de reu was. Binnen een tijd van tien jaar fokten ze meer dan 4000 honden, zonder ook maar één keer vreemd bloed in te brengen. Dat is inteelt in de hoogste graad. Dat is wat men 'incestfokken' pleegt te noemen.

Ik vroeg natuurlijk welke selectiemaatregelen er waren genomen. Die waren zeer eenvoudig. In de eerste plaats werden altijd de
grootste en sterkste dieren uitgekozen om mee te fokken. Ten tweede werd erop gelet, dat deze dieren ook goed in het pigment zaten, ze veel zwart vertoonden. In de derde plaats lette men erop dat de dieren in de omgang vriendelijk en vredelievend waren. Dit zijn selectiemaatregelen die aan alle eisen voldoen. Zo eenvoudig kan het zijn om op basis van zeer sterke inteelt honden te fokken die blakend van gezondheid zijn. Het is niet zo moeilijk, als we er maar op letten dat bij het fokken geen dieren worden gebruikt die niet aan de eisen voldoen.

Als we van dit voorbeeld uitgaan kunnen we aan de vingers van één hand natellen wat er bij het fokken van rashonden allemaal wel moet zijn gebeurd dat ze nu alleen nog maar kunnen worden gered als men de raad van Georg Wilhelm Rieck opvolgt.

Hoe gemakkelijk een erfelijke ziekte valt te herkennen - als men consequent gefokt heeft - en die vervolgens uit te roeien, zonder het bestand al te zeer te decimeren, wordt door het volgende geval bewezen. Toen de inteelt bij de Beagles van Hoechst begon, trad bij sommige dieren een zeer onaangename kaakziekte op, die zich manifesteerde doordat de tandkassen van voornamelijk de onderkaken vervallen raakten en fungusachtige (paddestoelachtige) beenwoekeringen vertoonden. Het tandvlees stierf af en er ontstonden verzweringen en bloedingen.

Eerst dachten de beide geleerden dat dit verschijnsel aan de voeding zou kunnen liggen. Ze bestudeerden de afstamming van de zieke honden en toen ontdekten ze dat het een polygene aandoening moest zijn, omdat deze alleen in een bepaalde lijn optrad.
Het was dus zaak deze lijn in zijn geheel uit de fokkerij te verbannen. Daarmee werd de ziekte uitgeroeid en het bleef bij de 21 zieke dieren van de totaal 4000.

Zo eenvoudig is het als men weet wat men doet en de waarheid niet wordt vertroebeld uit armzalige fokkerstrots of uit gewetenloos winstbejag.

Het zou daarom ook goed zijn zo snel mogelijk het voorstel omtrent incest-testparingen ten uitvoer te brengen. Als ik niet reeds lang namelijk vanaf het allereerste begin - deze methode had toegepast zou ik misschien nu niet zo gelukkig zijn zulke harde, gezonde en onbedorven honden te hebben.

Iedereen is bang voor inteelt, vooral voor de zeer sterke inteelt, die men incest-inteelt noemt. Bijvoorbeeld het paren van broers en zusters van dezelfde ouders of paringen tussen zoons en moeders of vaders en dochters.

De Husky-reu, die ik te danken heb aan de gulheid van de familie Ziegel is het resultaat van incest-inteelt. Kamtschatka's Burning Daylight, een internationale kampioen, is zijn vader. Zijn moeder is First Daylight if Indigo Ho. Zijzelf stamt echter ook van Kamtschatka's Burning Daylight en van Kecha's Little Extra. Mijn Hus heeft dus één en dezelfde vader en grootvader.

Ik ben geen ervaren expert waar het de waardering van een Siberische Husky betreft, maar wat ik wel kan beoordelen is zijn gezondheid, zijn prestaties en zijn aard. Mijn cijfer - tien met een ster - beter kan niet.

Waarom is men eigenlijk zo bang voor te sterke inteelt? Wel, omdat daarbij zo onweerlegbaar duidelijk en onbarmhartig naar voren komt welke slechte erfelijke eigenschappen in de voorouders aanwezig zijn. En dat ziet men juist niet zo graag. In fokkerskringen spookt het dwaze idee rond dat gedegenereerde nakomelingen uit incest-paringen het gevolg zijn van die incest.
Dat is nu juist weer een van die sprookjes ten koste van de gezondheid van onze honden. Incest veroorzaakt geen erfelijke defecten, maar brengt de aanwezige erfelijke defecten aan het licht!


Ik heb nu zelf de vijfde generatie van voortdurende paringen tussen broers en zusters van dingo's en dingo-elandhondbastaards.
Daarbij treden nooit erfelijke defecten of enige degeneratie op. Ik weet nu dat het van generatie tot generatie kleiner worden, dat ik in mijn vorige boek heb beschreven, mijn eigen schuld is. Ik zou dat hebben kunnen verhinderen als mijn fokbasis groot genoeg zou zijn geweest en ik de nodige selectie had kunnen toepassen. Maar omdat ik mijn aandacht op andere eigenschappen gericht hield (en daarmee eigenlijk dezelfde fout maakte als principieel bij het fokken van rashonden wordt gemaakt), selecteerde ik te vroeg, beperkte het aanwezige 'genen-pakket' en kwam daarmee terecht in een proces waardoor de dingo-elandhonden kleiner werden. Ik beschouw dit nu niet meer als een gevolg van inteelt, maar als een gevolg van selectie.

Mijn fokexperimenten zijn het beste bewijs dat een verkeerd geleide selectie hand in hand gaat met de beperking van een nest tot zes pups. Ik kan het me niet veroorloven altijd complete worpen groot te brengen. Ik heb tot nu toe 480 jongen in leven gelaten, maar bij de meeste worpen moest ik om economische redenen zoveel mogelijk van de pasgeboren dieren laten inslapen, om mijn hondenbestand binnen een aantal te houden dat voor ons nog enigermate overzichtelijk bleef. Omdat bij dingo's en dingo-bastaards de biotonus van de pasgeboren dieren bijna zonder uitzondering optimaal is, moest die selectie tamelijk willekeurig plaatsvinden. Ik verwijderde in eerste plaats die pups die teveel wit vertoonden.

Bij de dingo's had ik daarmee tamelijk veel geluk - zij zijn niet kleiner geworden. Bij de dingo-elandhonden kwam ik daarmee - puur toevallig - in een verkleiningsproces terecht. Ik maakte daarom van de nood een deugd en fokte een zijtak consequent door op verkleining, onder zeer strenge controle van de gezondheid van deze dwergen. Ook dit is niets anders dan een ononderbroken incest-inteelt, waarbij evenmin de geringste lichamelijke of fysiologische degeneratie of verandering van karakter tot uiting komt. Ik had het enorme geluk dat mijn uit Noorwegen meegebrachte Elandhond Binna blijkbaar nauwelijks verkeerde erfelijke eigenschappen had en daardoor leidde deze inteelt tot uitstekende resultaten. Toen ik met mijn inteeltmethoden begon had ik nog geen kennis gemaakt met de Beagles van Hoechst of andere fokkerijen. Wat ik wel kende was het grootste incest-experiment dat er ooit in een dierenfokkerij is gedaan: de goudhamster. Deze dieren zijn zoals bekend allemaal afstammelingen van een wijfje met negen jongen, dat in 1930 in Syrië werd gevonden en in Tel Aviv werd verzorgd en waarmee verder werd gefokt. Sedertdien zijn er nooit meer goudhamsters in de vrije natuur gevonden Uit dit begin echter heeft men tot vandaag over de hele wereld vele miljoenen van deze dieren gefokt.

Ik zou nog meer gevallen van incest-inteelt bij wilde dieren kunnen noemen, maar de aangehaalde voorbeelden lijken me voldoende. Uit al deze gevallen kunnen we de conclusie trekken dat, waar er voldoende gezonde erfelijke factoren aanwezig zijn en er een juiste selectie wordt toegepast, de incest-inteelt veel onschadelijker is dan die andere manier van fokken, waarbij verwantschap tussen de partners zorgvuldig wordt vermeden, maar die alle erfelijke fouten met zich meebrengt. Dat - en dat is de kern van de zaak - verdoezelt weliswaar enige tijd de negatieve erfelijke factoren, maar slechts enige tijd. Afhankelijk van de omvang van die negatieve aanleg zal het betreffende ras vroeger of later onvermijdelijk zover aftakelen, dat het op een dag tot uitsterven gedoemd is.

Wie niet mede schuldig wil zijn aan dit uitsterven van onze honderassen zal zich daarom zeer nadrukkelijk en met alle hem ten dienste staande (natuurlijk legale!) middelen moeten inspannen om juist punt zes van de voorstellen van Rieck zo snel mogelijk te verwezenlijken. Ik ga zelfs nog een stap verder en vind, dat men profylactisch (uit voorzorg) deze testparingen tussen broers en zusters niet alleen bij 'populaties met sterk verbreide erfelijke defecten' moet doorvoeren, maar principieel bij al onze rashonden. Als de verantwoordelijke mensen het werkelijk ernstig bedoelen, zouden deze testen de eerste en de belangrijkste basis van elke fokkerij moeten worden.

De honden die uit dergelijke eerste paringen van jonge honden worden geboren zouden - als ze tenminste geen defecten vertonen - een jaar lang moeten worden opgevoed onder constante, nauwkeurig afgewogen omstandigheden. Daarna zouden ze onderworpen moeten worden aan een biologisch gefundeerd onderzoek op gezondheid en gedrag. Als dat gunstig uitvalt zijn ze beslist goed verkoopbaar (de kosten moeten er natuurlijk uitkomen), en hun ouders en grootouders zouden dan een speciaal predikaat krijgen, waaruit blijkt dat ze over voldoende waardevolle erfelijke eigenschappen beschikken. Als ze dan voor de hoogst mogelijke prijs kunnen worden verkocht is dat alleen maar recht en billijk.

Ik denk hierbij aan het fokken van volbloedpaarden. De Duitse staat betaalt zelfs premies voor de beste onder hen. Het zou helemaal zo gek niet zijn als ook verdienstelijke hondenfokkers, die niet op de 'snelle manier', maar ten koste van persoonlijke offers de Duitse rashonden hebben gediend, hiervoor schadeloos zouden worden gesteld. Ik ben ervan overtuigd dat dit mogelijk zou zijn, als er voor het fokken van honden voldoende duidelijke regels worden opgesteld. Wie de hond serieus neemt, moet ook punt zeven van de eisen van een ervaren erfelijkheids-onderzoeker bestuderen. Ik zei al dat zoveel mogelijk pigment bewaren een van de selectiemaatregelen is die bij het fokken van de Beagles van Hoechst werden toegepast en dat had een goede reden. Bewezen is, dat bij honden pigmentrijkdom samengaat met een gezond zenuwstelsel. Natuurlijk zal men daartegen inbrengen dat veel witte honderassen, zoals de Pyreneese Berghond, de Kuvasz of de Samojeed als nagenoeg witte honden, ook hun mannetje staan. Dat is juist.

Ik wil daar alleen maar op zeggen dat waar harmonische verhoudingen aanwezig zijn, deze zeker moeten standhouden. Wat voor het ene ras geldt, hoeft bepaald niet voor een ander op te gaan. In het dierenrijk zijn er zowel lichtgekleurde als donkergekleurde soorten en het is zelfs bewezen dat dieren die in gebieden met een vochtig klimaat leven in de meeste gevallen donkerder van kleur zijn dan dieren in droge gebieden. Dat zijn aanpassingen aan de omstandigheden in het milieu. Ik wijs hierop om te voorkomen dat verkeerde argumenten naar voren worden gebracht.
Het is een bewezen feit, dat verschillende soorten pigmentvorming samengaan met stofwisselingsstoornissen, wat misschien kan berusten op een toevallige koppeling van de betreffende erfelijke factoren binnen de afzonderlijke rassen. Wat op zichzelf dan weer betekent dat dergelijke waarnemingen niet noodzakelijk voor alle rassen gelden.