Breeding Working and Sporting German Shepherd Dogs
 
 
 

 

 

 

 

IS METEN WEL WETEN……….

 

 

 

Als je wat meet, wat weet je dan
Zouden we moeten willen weten…………
 

Onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat HD bij wolven voorkomt.

Bij wolven krijgen alleen de alfateef en alfareu nakomelingen: door natuurlijke selectie (kracht, goede conditie, leiderschapskwaliteiten) zijn zij alfa geworden. Zij hebben een band voor het leven. Alleen bij voldoende prooidieren in de omgeving, mogen subdominanten paren en nakomelingen krijgen.

 

HD, erfelijkheid en voeding  

HD is geen puur erfelijke aangelegenheid. Er zijn (wetenschappelijke en ervaringsdeskundige) aanwijzingen dat vooral vitamine C een belangrijke rol speelt bij de goede botontwikkeling: bij het verbeningsproces van jonge dieren (van kraakbeen naar bot) en bij het onderhoud van bot bij volwassen dieren). Botvorming begint rondom de collageenvezels in het kraakbeen. Collageen is een eiwit dat alleen goed ontwikkelt als er voldoende vitamine C aanwezig is. Voor de werking van het collageen is weer kalk van groot belang (recente informatie uit wetenschappelijk onderzoek).

Kruising van teef met HD en reu met HD en toevoeging van vitamine C in de voeding geeft nakomelingen zonder HD. Diverse onderzoeken hebben dit aangetoond, echter dergelijke onderzoeken worden door de heersende grootheden in de dierenartsenwereld niet erkend.  

 

HD in rashonden  

HD is een verschijnsel dat vanaf ongeveer de jaren 70 in de middelgrote en grote rassen steeds vaker voorkomt. Tot die tijd werden rashonden niet geselecteerd op de uitslagen van röntgenonderzoek. Slecht lopende of kreupele (ergo met klinische symptomen) honden werden uitgesloten voor de fok. Men wilde goed functionerende (goed bewegende en goed werkende) honden.

Met de introductie van de röntgendiagnostiek in de veterinaire praktijk, de toename van gevallen van HD en de verplichting tot vooraf screening op HD, werd de trend al snel: heb jij een HD-vrije teef, dan moet je gaan fokken. Het werd bijna een morele plicht. En zo gingen steeds meer mensen (met minder ervaring en kennis van het ras en van honden), fokken.

In die tijd waren nog niet veel andere problemen bekend. Wel werden honden met meer dan HD TC uitgesloten voor de fok (wat hebben we toen al aan goede genen weggegooid?).  

 

PRA/cataract  

Het heeft nog even geduurd voordat op meer dan klinische symptomen werd geselecteerd op oogafwijkingen. Met de techniek van het spiegelen was men in staat om voordat er klinische verschijnselen waren, honden uit te sluiten voor de fok.  

 

OCD/ED en rashonden  

Door te letten op klinische verschijnselen ontdekte men de afwijkingen die nu vallen onder de noemer ED. Sommige van deze honden hadden geen HD en wel nakomelingen.

Door ontwikkelde röntgentechniek kon bij honden met klinische symptomen de oorzaak definitief worden vastgesteld.

Vervolgens werd het een plicht om preventief te röntgenen: hierdoor werden honden zonder klinische verschijnselen uitgesloten voor de fok.  

 

DNA-techniek

 Toepassing van de DNA-test op PRA en RD enzo, zorgt er voor dat honden met minder symptomen dan bij spiegelen zichtbaar zijn, worden uitgesloten voor de fok.  

 

Paarden en OCD

Sinds een aantal jaren heerst onder paarden de afwijking OCD. Aan deze ziekte gaat OC vooraf, net als bij honden (slecht verbeningsproces, slechte verbinding, afbreken van stuke in elleboog).

De enige overeenkomst tussen raspaarden en rashonden is de veranderde voeding. Vanaf de jaren 70 is het steeds meer gebruikelijk geworden om honden en paarden te voeden met brokken. Voor de paarden geldt dat deze naast de brok, altijd nog wel gras of hooi krijgen. Dit is echter wel gecultiveerd spul: van nature is een paard een dier dat gewend is aan schrale kost. Hij had een efficiënte stofwisseling en kon omschakelen en noodzakelijke stoffen zelf maken uit wat hij at in tijden van schraalte. Deze stofwisselingsaanpassing en de stoffen die daarbij vrijkomen hebben effect op microniveau in het paardenlichaam.

Onderzoek heeft uitgewezen dat jonge veulens die in boxen worden gehouden vaker OC ontwikkelen dan dieren die regelmatig beweging krijgen of vrij in de wei opgroeien.  

 

De moraal van het verhaal: wat niet weet wat niet deert????  

Op steeds meer aspecten zijn honden, voor dat er klinische verschijnselen zijn, uitgesloten voor de fok. Jammer dat er geen cijfers bekend zijn. Deze beperking kon wel eens een groter effect hebben dan 1 reu met 25-100 dekkingen.

Weten we teveel, kun je maar beter niet weten en gewoon op basis van wat je van een hond ziet (gezond van lichaam en geest, goed in zijn bewegingen) en weet over zijn voorouders (ook nooit ziek, snelle werker, nooit kreupel, enz. enz.) selecteren.

 

Zijn we doorgeschoten in het doen van onderzoek?

 

Een via een DNA-test gevonden afwijking wil nog niet zeggen dat het dier voor 100% zekerheid de ziekte ontwikkelt: de kans is alleen groter dan bij afwezigheid van het gen. De genen van de partner kunnen andere erfelijke info bevatten en ook de overige erfelijke informatie in het onderzochte dier kan voldoende compenseren. Dit is nooit onderzocht: mij is althans geen onderzoek bekend waarbij een x-aantal honden met bijvoorbeeld het gen voor PRA op latere leeftijd nog eens is onderzocht op het al of niet hebben van klinische PRA.

 

Het zou best zo kunnen zijn dat de rashonden de dupe zijn van de oogklepvisie (beroepsdeformatie) van veterinairen en andere specialisten, bij wie het overigens vaak ontbreekt aan kennis van de praktijk en aan kennis van de wilde voorouders van onze gedomesticeerde dieren.

Bestuursleden varen maar al te graag op de kennis van deze deskundigen. Ik ken de opleiding in Utrecht: nauwelijks aandacht voor voeding, gedrag, laat staan voor kennis van de wilde voorouder in onze honden. Hun werkelijk kennis valt en staat bij de eigen nieuwsgierigheid naar de achtergronden. Maar de opleiding tot dierenarts is een beroepsopleiding waarin men leert vaardig te zijn in differentiaal diagnoses, het is geen wetenschap. Dit zelfde speelt bij de opleiding tot mensenarts. Ik bedoel dit niet lullig, constateer alleen een feit. Bijvoorbeeld:

 

Ruim twintig jaar selectie op HD binnen bijna alle rassen heeft het probleem nog niet doen verdwijnen. Hoe komt het toch dat geen enkele dierenarts opstaat en zich afvraagt hoe dat komt? Kun je dergelijke gegevens afdoen met de opmerking dat de broodfok het effect van de fokkers die het goed doen, frustreert? Nee, want voor zo ver ik weet vermengen die lijnen zich nauwelijks, hooguit enigszins bij populaire rassen, maar zeker niet bij niet-moderassen.

 

Bovenstaande pleit voor een fokbeleid op basis van gezond verstand, waardoor uiteindelijk meer dieren voor de fok beschikbaar zijn (gezond van lijf en leden) waardoor de fokbasis en dus de genenpool sterk wordt verbreed. In een dergelijk beleid krijgt de fokker – een rasliefhebber met ervaring en kennis van zaken – een groot aantal vrijheidsgraden en een duidelijke verantwoordelijkheid. Net zoals dat is bij alle andere rassen van welk gedomesticeerd dier dan ook.

Inge Koenis, nieuwsgierig medisch bioloog