Breeding Working and Sporting German Shepherd Dogs
 

The most striking features of the 

correctly bred 

German Shepherd 

are firmness of nerves, attentiveness, unshockability, tractability,

 watchfulness, 

reliability and incorruptibility 

together with 

courage, fighting tenacity and hardness.

 

The Rittmeister
Max von Stephanitz
1864-1936


 

 

 

   

  

   AANLEG VAN DE HOND 

 

 

 

     Gento vom Banholz - Heidi vom Banholz

 

 

 

 

 

 

Aanleg van de hond

 

De hond begeleidt de mens als huisdier al duizenden jaren. De hond beschikt over een goed leervermogen, maar bezit niet de biologische eigenschappen om de eigenlijke inhoud van de menselijke spraak te begrijpen. Hij kan dit niet om zetten in zijn denken en handelen.

De zin en het doel van de africhting of zijn toekomstige taak kan hem niet bewust gemaakt worden. 

Alle acties en reacties van de hond zijn steeds het resultaat van zijn psychologische en fysiologische eigenschappen. Net als zijn door toevallige "van buitenaf" verkregen levens ervaring. Nooit is dit het resultaat van zijn eigen gedachten, inzichten of combinatie.

De africhting van de hond heeft alleen succes als: hij niet vermenselijkt wordt. Als er rekening wordt gehouden met de eigenschappen van de hond en zijn bewust zijn. 

De persoon die de hond opleidt, de theoretische achtergronden kent en toepast. 

 

 

 

Algemeen.
Het bewustzijn van een individu is uitslaggevend voor zijn reactie op de invloeden uit zijn omgeving. Onder het bewustzijn verstaat men de gezamenlijke eigenschappen van alle psychische en fysiologische eigenschappen van een individu. Het bewustzijn is het spiegelbeeld van zijn constitutie en conditie.

 

1. De constitutie is een geërfde, onveranderlijke, samen gesmolten Psychische en Fysiologische eigenschappen van een levend wezen.

 De constitutie komt tot uiting door zijn vorm, bouw van zijn anatomie. Zo ook de functie van zijn organen

 

 

2. De conditie is verkregen, steeds wisselend en door omgevingsinvloeden vormbaar, door de constitutie gegeven ogenblikkelijke psychische en fysiologische staat, van een levend wezen.

We onderscheiden Psychische en Fysieke - conditie in:

  • Eigenschappen = geërfde en verkregen (constitutie + conditie).

  • Aanleg = geërfde (constitutie).

 

3. Omgevingsinvloeden zijn factoren, die op een bepaalde manier op een levend wezen inwerken en bij hem individuele psychische of fysieke reacties (veranderingen) opwekken. De reactie of veranderingen zijn afhankelijk van de aard en wijze van de omgevingsinvloeden. (positieve / negatieve), van de constitutie en conditie van het betroffen levend wezen.

Tijdens een inzet en alledaagse dag wordt ieder persoon psychische en fysiek belast. uw wezen en daardoor uw gemoedstoestand kan in korte tijd negatief veranderen. 

Bij het opleiden / inzetten van een hond moet u zich hier van bewust zijn. De volgende omgevings invloeden kunnen inwerken op de hond:

 

Geleider - te weinig inlevingsvermogen.

  • Geen afgebakende rangorde.

  • Veel wisseling van eigenaar.

  • Slechte verzorging en begeleiding

  • Te hoge belasting tijdens training / inzet.

  • Onhandige en onnodige correcties tijdens de opleiding / inzet.

  • Opleiding / inzet van een zieke hond.

Rustplaats - Storen en belasten door personen, verkeer, geluid, reuk.

  • Weersinvloeden.

  • Te nat, te koud, of te warm.

Training / inzet - Te korte rustpauzes.

  • Te lange inzet / training.

  • Belasting door te harde geluiden, en reuk (negatieve).

  • Weersinvloeden.

  • Bodemeigenschappen (puin, split) enz.

Voer - Te veel of te weinig.

  • verkeerde samenstelling.

 

 

4. Psychische eigenschappen
De psychische eigenschappen van een levend wezen is het spiegelbeeld van zijn Psychische constitutie en zijn psychische Conditie. 

Deze zijn onafscheidelijk aan het zenuwstelsel gekoppeld.

We onderscheiden eenvoudige en bijzondere zenuwactiviteiten.

  • Eenvoudige zenuwactiviteiten zijn: vertering, ademen, enz.

  • Bijzondere zenuwactiviteiten zijn: vluchtneigingen, verdediging en reacties door levenservaring. Deze worden veroorzaakt door: Temperament, zintuiglijke waarnemingen, driften en instinct.

 

Temperament:
De persoonlijke reactievorm van een individu op de omgevinginvloeden word temperament genoemd. 

Naar sterkte, karakter en beweeglijkheid aan de psychische constitutie gekoppelde reactie onderscheiden we de volgende types.

 

Sanguinisch Karaktervast, beheerst, in zich rustend (sterk), uiterst beweeglijk en reactiesnel. Ideaal als gebruikshond.

Cholerisch Onbedwingbaar, niet karakter vast, zelfbewust (sterk), beweeglijk en reactiesnel. Als gebruikshond weinig bruikbaar.

Flegmatisch Karaktervast, rustig, weinig beweeglijk en niet erg reactiesnel. Als gebruikshond weinig bruikbaar.

Melancholisch Angstig, gesloten, zwak en niet belastbaar. Als gebruikshond niet bruikbaar.  

Deze verdeling is schematische, de meeste individuwen zijn gemixt.

 

 

 

 

5. Zintuiglijke waarnemingen.
Door zijn zintuigen is een levend wezen in staat invloeden van buiten af waar te nemen.
Dit wordt zintuiglijke waarneming genoemd. Door de bouw en zijn functie zijn zintuigorganen een deel van het zenuwstelsel. 

Daarom worden ze onder anatomie en Fysiologie afgehandeld.

 

 

Tot de zintuiglijke waarneming horen: - Ruiken, Tasten, voelen, horen, proeven, zien en evenwicht. 

Of pijn voelen nog een zintuiglijke waarneming is nog niet bewezen. Vast staat dat pijn een beschermende factor van een levend wezen dient.
Pijn is bij ieder individu in verscheidene grenzen waarneembaar zowel pijngevoelig of ongevoelig.
Het niet aanwezig zijn van pijngevoel is zelden en een bijzondere aangeboren afwijking, dit kan voor een levend wezen vervelende consequenties hebben.
Het vermogen van een individu om zich door pijngevoel niet als zodanig te laten beïnvloeden word als hardheid gezien.

 

 

 

Driften en instincten.
Drift en instinct zijn een bijzondere zenuwactiviteit, deze zijn aangeboren en lokken een reactie uit, deze reactie word gestuurd door omgevingsinvloeden. 

Driften en instincten zijn onafscheidelijk en in wisselwerking tussen een levend wezen en zijn omgeving daardoor blijft de zelfbehoudding en zijn soort bestaan.

  • Zelfbehouddrift

  • Eetdrift

    • Speurdrift

    • Revierdrift

    • Jachtdrift

    • Buitdrift

    • Brengdrift

  • Bewegingsdrift & Bezigheidsdrift

  • Speeldrift

  • Vluchtdrift

  • Zelf –verdediging drift.

  • Soort instant houding drift

  • Geslachtsdrift

  • Verzorgingsdrift

  • Saamhorigheiddrift

Driften = Motor.
Instinct = stuur.

 

Uit de eigen en soort behoud drift komen bij honden de saamhorigheiddriften naar boven dit soort van samenleven word als roedel of meute aangeduid wordt.

  • Vechtdrift

  • Agressiedrift

  • Beschermingsdrift

  • Hoede drift

Alle driften kunnen voor het gebruik benut en / of geremd worden. Driften kunnen niet door africhting aangetrokken of ongedaan worden gemaakt.

 

Driftbeschrijvingen

 

Zelfbehouddrift.

  • De voedseldrift is een rij van driften die gelijk verbonden is met de doelrichting. Zij zorgen ervoor dat de hond het volgende gedrag vertoont: buitdrift, reviert, opspeurt, volgt (jagen), overwint en de buit in delen weg draagt.

  • Revierdrift maakt het mogelijk dat de hond een spoor opneemt en volgt vanuit de lucht met hoge neus en met inbegrip van ogen en oren.

  • Spoordrift maakt het mogelijk dat de hond het spoor opneemt en volgt met een diepe neus.

  • Jachtdrift maakt het mogelijk dat de hond de reuk, geluid of optisch waargenomen buit opzoekt en volgt.

  • Buitdrift maakt het mogelijk dat de hond de gevolgde buit te overwinnen en buit te maken.

  • Breng of apporteerdrift maakt het mogelijk de overwonnen buit te transporteren, verstoppen, begraven of aan de welpen te geven.

  • De beweging en bezigheidsdrift komt het best tot uiting bij wilde honden, in het dagelijks gevecht om te overleven. Bijvoorbeeld voedselverschaffing, gevechten om rangorde, vluchten voor vijanden en andere gevaren.
    De huishond die dit gevecht om te overleven vreemd is, kan zijn opgekropte psychische en fysieke energie, alleen door de mens gestuurde bezigheden ontladen (BV. Wandelen, spelen, africhting en inzet).

 

De speeldrift is met de beweging en bezigheidsdrift verwant. Ook op hoge leeftijd is dit bij de meeste huishonden nog steeds activeerbaar.  

 

De vluchtdrift is bij honden heel sterk. Hij nadert zich voorzichtig, terughoudend, en wantrouwend ten opzichte van alle onbekenden. 

Hij kan zijn drang tot vlucht niet bedwingen zodra de vluchtoverschrijdende afstand overschreden wordt. 

De vluchtoverschrijdende afstand is die afstand tussen het gevaar en het bedreigde levende wezen. 

Als deze afstand niet gevrijwaard blijft reageert hij normaal door te vluchten.  

 

De zelfverdedigingdrift komt voort uit de noodweer- reactie van de vluchtdrift. Als de vluchtoverschrijdende afstand overschreden wordt en vlucht niet meer mogelijk is en de hond zich bedreigd voelt, volgt een verdedigingsaanval.

Als een hond tijdens de africhting vaak bedreigd wordt en geen vluchtmogelijkheid heeft, kan het leiden tot een vijandelijke agressieve omgevingsgestoorde hond. (angstbijter).

 

Soortbehoud-drift.

  • De geslachts en voortplantingsdrift zijn door binnen en uiterlijke invloeden uitgelokte drang naar seksuele bezigheid. Bij de reu beïnvloedt de geslachtsdrift individueel sterk de vergeldingsdrift.

  • Sterk ontwikkelde geslachtsdrift is vaak de oorzaak voor het opstandig worden van de reu.

  • Verzorgingsdrift komt tot uiting door bereidschap van de ouderdieren zijn eigen en vreemde welpen op te nemen, ze te verzorgen en te voeden.  

 

Saamhorigheidsdriften.
De in de saamhorigheidsdriften wortelende driftsoorten maken het samenleven in teamverband mogelijk en is daarmee belangrijk om te overleven en het overweldigen van moeilijke situaties. Deze driften zijn bij honden verschillend, onderling en sterk aanwezig.
De plaats van rangorde van een hond binnen het roedel wordt enerzijds door imponeer- of dreiggebaar, rangorde gevechten, anderzijds, onderwerping gebaar en vriendschap verzekerd.
De rangorde bevindt zich midden in een labiel evenwicht en er treden voortdurende spanningen op.

De huishond met menselijke contact ziet de mens als zijn soortgenoot. Daaruit voortvloeiend als zij roedelleider, gelijke, rivaal of vijand. 

Door het karakter van de hond probeert de hond in samenleving met de mens, in meer of mindere mate, zijn plaats in de rangorde te verbeteren.  

 

Waak en hoededrift
Deze komt tot uiting door bescherming van zijn roedel en grensbereik. Hij meldt het gevaar door te grommen en te blaffen of aan te vallen. 

Voor de hond is zijn omgeving de woning, tuin of kennel zijn roedel territorium. Daarom, met de juiste aanleg en opleiding, bewaakt hij dit tegen indringers

 

Geldingsdrift.

Deze komt tot uiting door de inzet van de hond binnen zijn roedel. Door een ranghogere plaats te bereiken, indien mogelijk het leiderschap (alfadier) in te nemen. 

Door de geldingsdrift zoekt de hond ernstige gevechtshandelingen om de tegenstander zijn lichamelijke sterkte te bewijzen.  

 

Onderwerpings drift.
Deze komt tot uiting door het tonen van onderwerping, aan een ranghoger dier, nadat hij deze zijn sterkte heeft getoond. 

De onderwerpingdrift is noodzakelijk voor een goede gehoorzaamheid van zijn geleider.

 

Gevechtsdrift
Deze komt tot uiting door de inzet van lichamelijke kracht in zijn spel. Met toenemende leeftijd en ontwikkeling van zijn geldingsdrift zal hij dit gaan gebruiken om zijn plaats in het roedel te vestingen.

De gevechtsdrift is te vergelijken met menselijke geweldadigheid. Honden met een sterke gevechtsdrift schijnen in het gevecht evenveel plezier te vertonen als een gewelddadig mens.

 

Agressiedrift
Komt tot uiting in het bereid zijn van een gevechtssterke hond, door op een bedreiging afwerend en aanvallend te reageren. 

De snelheid waarmee de hond een weerreactie laat zien is afhankelijk van zijn temparament en geldingsdrift.

 

Beschermingsdrift
Komt tot uiting doordat hij zijn roedel/(ook huisgenoten) bijstaat en verdedigt, indien deze bedreigd worden. Karakteristiek voor een uitmuntende gevechtsdrift zijn.

  • Fysische sterkte (gespierd gevoel)

  • Innerlijke zekerheid

  • Onverschrokken

  • Buitdrift (uitmuntend)

  • Geldingsdrift

  • Hardheid

  • De innerlijke zekerheid is dat de hond een belastbaar zenuwstelsel en het gevoel van lichamelijke kracht heeft. Deze is met de menselijke zelfzekerheid te vergelijken.

  • Onverschrokken resulteert uit de innerlijke zekerheid. De hond houdt stand in onbekende situaties en overwint deze. En eventueel bij bedreiging aanvallend op te treden.

  • De buitdrift zorgt ervoor dat de hond, de buit door snel en vast toebijten het vluchten verhinderd en overwint.

 

Onder hardheid van een hond wordt verstaan zijn vermogen onaannemelijkheden te nemen zonder zich nadelig te laten be-indrukken.

 

© LiSAR  (http://www.lisar.com/)