Breeding Working and Sporting German Shepherd Dogs
 
 

 

The German Shepherd Dog is at risk 

to becoming what 

Max Von Stephanitz said it was not: 

a fancy dog.

 
 
 
 
 
 

 

 

 

DE GESCHIEDENIS VAN DE DUITSE HERDERSHOND

 

Introductie

De Duitse Herdershond, wie kent hem eigenlijk niet. Het is zonder meer een  van de populairste en bekendste honden. Maar wie denkt dat daarmee de Duitse Herder ook een 'oud' ras is, heeft het goed mis. Want de oorsprong van de Duitse Herdershond als ras ligt niet meer dan een eeuw terug. Door een goed fokbeleid en een juiste selectie kon de Duitse Herder worden tot wat hij thans is: een uitgesproken werkhond met een enorme binding aan zijn gezin, waardoor hij ook prima als huishond kan worden gehouden.

Grondlegger van het ras was de Duitse Rittmeister von Stephanitz, die in 1899 de Duitse rasvereniging voor Duitse Herdershonden oprichtte. Deze vereniging, de Verein für deutsche schäferhunde, kortweg S.V. genoemd, zou later uitgroeien tot de grootste en invloedrijkste rasvereniging ter wereld.

De S.V. beijverde zich om uit de diverse bij de kudden werkende herdershonden een bepaald type te selecteren, dat het meest voldeed aan de omschrijving van de Duitse Herdershond zoals die door Von Stephanitz was gegeven. Deze had namelijk na bestudering van de werkwijzen en het uiterlijk van de bij de verschillende schaapskudden werkende honden een ideaalbeeld voor een herdershond uitgedacht. Want er was een grote variatie in de toen nog werkende honden aan te treffen en lanng niet alle hondenn voldeden even goed. Zijn ideaaltype noemde hij de Duitse Herdershond.

Na lang zoeken vond Von Stephanitz in april 1899 op de tentoonstelling te Frankfurt een hond die hem in bouw en karakter goed aanstond. Deze hond heette Hektor Links-rhein, maar zoals in die tijd gebruikelijk was, werd hij door zijn nieuwe eigenaar omgedoopt tot Horand von Grafrath, naar de toenmalige woonplaats van de Rittmeister. Deze hond werd als nummer 1 in het Duitse stamboek ingeschreven en hij was voorbestemd om de stamvader van het nieuwe ras te worden. Nagenoeg alle huidige Duitse Herdershonden zijn dan ook via hun stamboom terug te voeren naar deze Horand von Grafrath.

Horand werd veel gebruikt voor de fokkerij, wat overigens niet verrassend is. Want met de voorzitter van de S.V. als eigenaar diende hij in zekere zin in de begintijd als model voor het ras. Er werd ook later nog veel op hem ingeteeld. Deze inteelt hielp samen met een scherpe selectie, onder het waakzame oog van de steeds machtiger S.V., het juiste type van de Duitse Herdershond vast te leggen.

 

De belangrijkste eerste honden

Nam men in de beginperiode nog honden van onbekende afstamming op in het stamboek, kort na de eeuwwisseling werd de inschrijving van dergelijke honden verboden. Daarmee werd de inschrijving van dergelijke honden verboden. Daarmee werd het nieuwbakken ras geheel teruggeworpen op de geregistreerde honden om door middel van inteelt en selectie de Duitse Herdershond verder te ontwikkelen.

Door de S.V. werd een jaarlijkse tentoonstelling georganiseerd waar de beste Duitse Herders werden geselecteerd. Uit deze beste honden koos men de allerbeste reu en de allerbeste teef die dan de titel van respectievelijk Sieger en Siegerin mochten dragen. Deze titels werden voor het eerst in 1899 uitgegeven.

De eerste Sieger werd Jörg von der Krone en als eerste Siegerin kwam in 1899 Lissie vom Schwenningen naar voren. Horand von Grafrath bracht het ondanks zijn reputatie nooit tot Sieger, maar zijn nakomelingen bezorgden hem blijvende faam. Horands bedenkste zoon was zonder meer Hektor vom Schwaben. Deze hond werd zowel in 1900 als in 1901 tot Sieger gekozen en hij was een belangrijke steunpilaar voor het ras. Zo was hij de vader van de Sieger in 1903, Roland vom Park, die echter op zijn beurt weinig bijzondere nakomelingen bracht. Maar Hektor vom Schwaben werd eigenlijk nog veel beroemder door zijn zoons Heinz von Starkenburg en de nestbroers Beowulf en Pilot. Niet dat deze honden nu zulke hoge ogen gooiden op tentoonstellingen, maar zij bleken wel goed te vererven, wat tot uiting kwam in hun beroemde nageslacht.

Zo was Heinz von Starkenburg de vader van de Sieger van 1906 en 1907, Roland von Starkenburg, een van de eerste volledig zwarte Duitse Herdershonden van betekenis. Deze Roland was voor zijn tijd een fraaie verschijning, maar over zijn karakter kwamen nogal wat opmerkingen. In de ring was hij schuw en gedrukt, een karaktertrek die hij aan zijn nageslacht heeft doorgegeven. Hij werd desondanks erg veel voor de fokkerij gebruikt. Maar al was hij de vader van de Siegerinnen van 1907 en 1908, de grootste belangstelling ging toch uit naar twee volle broers, namelijk Günter Uckermark en de Sieger van 1909 Hettel Uckermark. Deze beide broers hadden als moederhond de Siegerin van 1906 Gretel Uckermark, een dochter van Beowulf. Uit de weinige foto's die uit die beginperiode zijn overgebleven, is te zien dat Hettel kennelijk nooit anders dan zittend gefotografeerd was. Maar of dat gebeurde omdat zijn slechte achterhand verborgen moest blijven, valt niet te zeggen. Zijn karakter was, net als dat van Günter en hun vader nogal zwak en er wordt gezegd dat inteelt op 'Uckermark' erg vaak problemen gaf met karakters.

De reu Beowulf schijnt overigens beter te zijn geweest dan zijn nestgenoot Pilot, hoewel deze laatste de eerste was van de 'Von Boll'-lijn, met belangrijke fokprodukten die later in de geschiedenis van het ras zouden volgen.

Met name in die beginperiode werd er enorm veel inteelt toegepast om het ras te vormen. Zo is bekend dat een kleinzoon van Pilot het resultaat was van een paring tussen moeder en zoon. Men moest namelijk met de weinige goede honden die men toen had, toch zorgen voor vastleggen van het juiste type, een opgave die, zoals nu bekend is, prima is gelukt. Maar laten we wel beseffen dat het die eerste fokkers menige zweetdruppel heeft gekost om goede paringen tot stand te brengen. De basis voor een Duitse Herdershond die voldeed aan de rasstandaard was gelegd, maar er zouden nog de nodige problemen bij de verdere ontwikkeling komen, met name wat betreft de grootte van de honden en karakterzwakte. In 1910 kwamen een reu en een teef uit dezelfde ouders in aanmerking voor de belangrijkste titels. Zo werd Flora von der Kriminalpolizei tot siegerin gekozen en bracht Tell von der Kriminalpolizei het in datzelfde jaar tot Sieger. Tell stierf betrekkelijk jong, maar zijn zoon Jung Tell von der Kriminalpolizei zou zijn populariteit overnemen. Ofschoon Jung Tell veel nakomelingen kreeg, is hij nooit een groot succes geworden als stamvader. Het zogenaamde jongere bloed 'Von der Kriminalpolizei' stond bekend om slechte karakters, kleurverbleking en gebitsfouten.

Een hond die deze kenmerken met name had, was Nores von der Kriminalpolizei, een veelbesproken zoon van Horst von Boll. Nores was zilvergrijs van kleur, had kleurverbleking en evenals zijn vader was hij te groot en vierkant van bouw. Ook zijn karakter was verdacht. Nores werd vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog intensief voor de fokkerij gebruikt en hij heeft het ras, achteraf bezien, in die periode behoorlijke schade berokkend. Zijn zoon Harras von der Jüch won in 1921 de Siegertitel en in datzelfde jaar werd Nores Geëxporteerd naar Amerika. Zijn staat van dienst in Duitsland, gekoppeld aan het feit dat hij de vader was van de reu Etzel von Oeringen was reden dat hij ook daar veel gebruikt werd. Etzel von Oeringen werd op driejarige leeftijd verkocht aan een Amerikaanse filmproducent die hem meenam naar Amerika en hem een opleiding tot filmhond gaf. Onder de naam Strongheart heeft hij in vele films een hoofdrol gespeeld. Hij was de voorganger van de in Europa zo mogelijk nog bekendere filmhond Rin Tin Tin.

Nores von der Kriminalpolizei heeft zeker geen goede invloed op het ras gehad en het is opvallend dat geen van de vele kampioenen die hij in Europa achterliet van blijvende waarde voor de fokkerij is gebleken.

Er werden tijdens de Eerste Wereldoorlog in Duitsland geen tentoonstellingen georganiseerd. Ook de fokkerij heeft in deze periode grote schade ondervonden. De onderbreking van de ontwikkeling van het ras door het oorlogsgeweld heeft ertoe geleid dat er in het ras door onzorgvuldige inteelt ernstige fouten en zwakheden werden ingevoerd en vastgelegd. En de aanvankelijke populariteit van enkele 'tophonden', zoals Nores von der Kriminalpolizei, daalde spoedig nadat bij de vele nakomelingen dezelfde foutieve en ongewenste kenmerken tot uitdrukking kwamen.

Het was ook in de periode rond de Eerste Wereldoorlog dat een begin werd gemaakt met de verspreiding van de Duitse Herdershond over Europa en in latere instantie ook Amerika. De problemen wat betreft overgrootte en karakterzwakte zouden ook in die landen voor moeilijkheden gaan zorgen. Het onderbreken van de tentoonstellingen en daarmee de afwezigheid van de Siegertitels van 1914-1918 heeft een behoorlijke tol geëist en vele fouten lagen al behoorlijk in het ras vastgelegd.

 

De opbouw na de Eerste Wereldoorlog

Na de Eerste Wereldoorlog werd in 1919 de Siegertitel weer verleend aan Dolf von Düstembrook, die een van de eerste topreuen was die dikwijls gigantische bedragen naar Amerika werden verscheept. En velen zouden hem nog volgen. Dolf bleek daar een teleurstellende vaderhond te zijn. Gezien zijn afkomst was het niet verrassend dat zijn nakomelingen veel karakterproblemen hadden. In 1923 schreef Von Stephanitz daarover:'De in Dortmund getoonde nakomelingen van Dolf waren gemiddeld goed en krachtig gebouwd, maar helaas, helaas vanwege hun karakter niet aan te bevelen.'

Het was de Sieger van 1922 en 1923 Cito Bergerslust die al op een leeftijd van 17 maanden van zich liet horen. Hij werd in de jeugdklasse met de kwalificatie Uitmuntend beloond, hetgeen alom sensatie bracht. Cito was wat algemene bouw betreft een uitmuntende hond waarvan veel werd verwacht. Maar ook hij stak als zoveel andere honden de Atlantische Oceaan over om daar Amerikaans Kampioen te worden.

Voor het eerst in de geschiedenis van de Duitse Herdershond zou een teef drie achtereenvolgende jaren tot Siegerin worden verkozen. Het was Asta von der Kaltenweide Siegerin 1922, 1923 en 1924 werd. Zij was een dochter van de Sieger 1920 Erich von Grafenwerth en had als moeder Flora von Oeringen, die uit dezelfde combinatie kwam als de eerste genoemde filmhond Strongheart (Etzel von Oeringen) die in Amerika zulke grote successen boekte.

Sieger 1924 werd de geheel zwarte Donar vom Overstolzen, die net als een aantal van zijn nestgenoten naar Engeland en Amerika werd verkocht. Donar was een 67 cm grote reu en zijn nestbroer Dolf was zelfs 68,5 cm hoog. Zijn vader was de hond met een Nederlandse Kampioenschapsprijs Orpal von grünen Eck en zijn moeder was een dochter van Erich von Grafenwerth. Het hele nest vertegenwoordigde het verouderde type Duitse Herdershond, dat eigenlijk al minder gewild begon te raken en plaats moest maken voor kleinere, meer gedrongen honden. Donar werd als Sieger echter behoorlijk veel voor de fokkerij gebruikt, waardoor hij mede verantwoordelijk was voor een nog grotere stijging van het percentage inteelt, met als gevolg grote problemen in de fokkerij. De meeste honden waren te hoog en te lang, hadden gebitsgebreken en toonden vooral karakterzwakte.

Veel honden uit die tijd misten substantie, stonden te hoog op de benen en hadden andere problemen, zodat de hele fokkerij van Duitse Herdershonden zorgelijk was. Dit werd door de leidinggevende personen binnen de S.V. aangegrepen om in 1925, voorafgaand aan de jaarlijkse Duitse Herdertentoonstelling (die overigens Siegerhauptzuchtschau wordt genoemd) een bijeenkomst van de meest gezaghebbende personen binnen de Duitse Herdershondenfokkerij te organiseren.

Door de fokkers en exposanten werd dan ook met veel spanning uitgekeken naar de sieger van dat jaar, omdat die hond het toekomstige type van de Duitse Herdershond zou gaan bepalen. Er was dat jaar meer dan ooit belangstelling uit binnen- en buitenland voor de keuring van de reuen, en de spanning was te snijden. Na zeer lang draven tijdens de eindkeuring kwam een niet te grote hond steeds verder naar voren en het was deze hond, Klodo vom Boxberg, die door Von Stephanitz als Sieger 1925 werd aangewezen. Klodo was een zoon van Erich von Grafenwerth en in de verte ingeteeld op Hettel Uckermark.Maar hij was een heel ander type dan de vorige Siegers, want hij was met zijn 61,5 cm veel kleiner, langer en lager dan de honden die aan hem voorafgingen.

Op vele manieren was Klodo's overwinning in 1925 een zeer opvallende gebeurtenis in de rasgeschiedenis. Hij werd zowel in Duitsland als later in Amerika erg veel voor de fokkerij gebruikt, waarbij hij een zeer waardevolle vaderhond bleek te zijn. Hij leverde een goede bijdrage voor de vorming van het juiste type en met name wat betreft de afname van de gemiddelde hoogte van de Duitse Herdershonden.

Zijn verreweg belangrijkste nakomeling was de Sieger van 1929 Utz vom Haus Schütting. In het verslag van de Siegerhauptzuchtschau van dat jaar werd vermeld, dat zich voor de Siegertitel twee halfbroers hadden aangekondigd, namelijk Utz vom Haus Schütting en Alf von der Webbelmannslust, die beide op ongeveer dezelfde voorouders waren teruggefokt. Maar in gangwerk, vooral bij het vrij lopen, bleef zijn halfbroer iets achter. Utz zou de meest besproken hond in de geschiedenis van het ras worden en hij zou verder het middelgrote type hond voortbrengen, zoals dat door zijn vader was begonnen. Aan Utz is meer inkt verspild dan aan enig ander dier en hij is afwisselend gelaakt en geprezen, al naar gelang het standpunt van de schrijver. Het is onmogelijk de volgende perioden van het ras te bezien zonder enigszins uitvoerige bestudering van Utz. Dit omdat hij, of dat nu goed of slecht is geweest, een belangrijke hoeksteen van het ras is geworden. Utz was een hond van een schitterende harmonie, een juiste lichaamsdiepte, een prachtige voorhand en een voortreffelijke ruglijn. Zijn croupe was tamelijk kort en vlak, maar verder vielen er op zijn uiterlijk weinig aanmerkingen te maken. Hij maakte een wat lusteloze indruk, maar in karakter schoot hij niet echt te kort. Als er aan zijn karakter iets mankeerde was dat het gevolg van het leven in een kennel.

Als we op de nakomelingen vna Utz terugkijken, kunnen we vaststellen dat hij regelmatig gelaakt werd voor twee belangrijke fouten: kleurverbleking en karakter. Volgens sommigen kwam de kleurverbleking door Utz alleen voor als hij gekruist werd met andere bloedvreemde lijnen, vooral met Horst von Boll-, Nores von der Kriminalpolizei- en Apollo von Hünenstein-'bloed'. Dit klopt echter niet, want Utz zelf kwam voort uit een teef met kleurverbleking en het is dus duidelijk dat hij in dat opzicht zeker een belangrijke rol moet hebben gespeeld.

Daar hij noch de eerste, noch de enige overbrenger van kleurverblekende factoren was, is het logisch dat andere lijnen ook dit probleem gaven, wat ook de fokkers die geen Utz-lijnen volgden tot hun schade zouden bemerken. Maar Utz gaf in veel gevallen meer vaalgeel door dan bruin, hoewel niet het soort kleurverbleking waarbij de zadelaftekening verdwijnt. Het probleem is dat fokkers ten onrechte kleurverbleking als een teken van zwakte van het gestel zien. Pas als men beseft dat dat niet zo is, wordt de rol van Utz in dit opzicht van minimale betekenis.

Wat karakter betreft moet Utz door zuiver toeval bepaalde fouten geproduceerd hebben. Het is echter interessant te weten, dat in 1952 bepaalde proeven bij het Duitse leger genoemd worden, waarbij de Erich-Klodo-Utz nakomelingen vergeleken werden met die uit oudere bloedlijnen. Daarbij bleek dat zestig procent van de eerstgenoemde lijn goed door de test kwam tegen maar zo'n veertig procent van de andere. Dit is op zijn best slechts een ruwe schatting, maar het geeft wel aan dat de kritiek op Utz vaak overdreven was. Utz bracht bij zijn nakomelingen over het algemeen een goede lichaamsvorm en prima verhoudingen. Maar soms vererfde hij de aanleg voor te korte benen en te lange lichamen, wat voor de fokkers uit de jaren dertig problemen opleverde, die in enkele gevallen tot vandaag de dag nog voortduren.

Zoals de meeste beroemde honden werd Utz door fokkers in die zin misbruikt , dat sommige van hen zijn bloedlijnen overdadig gebruikten. Dat is de tragiek van het honden fokken. Maar het is een fout van de mens en niet van de honden.

De maatschappelijke en politieke veranderingen in de jaren dertig in zowel Duitsland als de rest van Europa had ook zijn gevolgen voor de hondensport. Het aantal gefokte Duitse Herdershonden liep sterk terug en datzelfde gold voor het aantal liefhebbers van het ras. De economische depressie speelde daarbij een belangrijke rol. Het is duur om grote honden te houden en de sociale omstandigheden van die tijd bevorderden de opneming van het ras in de gezinnen niet. Het opkomen van de nazi-partij in Duitsland en de dreiging van de Tweede Wereldoorlog lieten niet na een stempel te drukken op de fokkerij en ook de export van honden verminderde behoorlijk.

Ofschoon in 1929 de 61 cm kleine Utz vom Haus Schütting nog zo glorieus overwon, maakte Von Stephanitz, die als voorzitter van de S.V. op de Siegerhauptzuchtschau de reuen keurde, het jaar daarop een enorme ommezwaai. Sieger werd toen namelijk de 68 cm hoge Herold aus der Niederlausitz. Herold was een hond met een licht oog, zwakke ellebogen en een grauwe kleur. En hoewel zijn gangwerk goed was, werd hij als Sieger door de fokkers niet goed ontvangen en werd hij weinig gebruikt. Dat weerhield Von Stephanitz er echter niet van om hem ook in 1931 weer tot Sieger te kiezen. Daarna werd Herold naar het Verre Oosten verkocht, wat het Westen alleen maar zeer welkom kan zijn geweest.

In 1932 werd eveneens een onbegrijpelijke Sieger gekozen. Het was Hussan vom Haus Schütting, een zoon van Utz en geboren uit een dochter van Nores von der Kriminalpolizei! Gezien het feit dat op de Siegerhauptzuchtschau stambomen bestudeerd werden (en worden) viel deze bekroning moeilijk te begrijpen. Want hoewel Hussan een goed dier was, misschien zelfs beter dan Utz, was te verwachten dat hij veel gebreken zou vererven. Dat bleek dan ook het geval te zijn en vele afwijkingen werden hem verweten. Ook hij vertrok spoedig naar het Verre Oosten en men huivert als men bedenkt wat daar destijds met het ras gebeurd moet zijn.

Langzamerhand werd de oppositie tegen Von Stephanitz als voorzitter van de S.V. groter en toen het politiek klimaat daarvoor in 1935 'gunstig' was, zorgden zijn tegenstanders ervoor dat hij van zijn functie werd ontheven. Zijn laatste keuring die hij nog mocht verrichten, werd hem door een paar tegenstanders bijna onmogelijk gemaakt. Dit afscheid door Von Stephanitz van een vereniging die onder zijn bezielende leiding groot werd en van een ras dat als zijn geesteskind mag worden beschouwd, is een zwarte bladzijde in deze rasgeschiedenis. Von Stephanitz overleed een jaar later op 22 april 1936, de oprichtingsdag van 'zijn' S.V.

Siegerin 1935 en 1936 werd Stella vom Haus Schütting, een dubbele kleindochter van Utz. Haar vader was namelijk de Sieger 1932 Hussan vom Haus Schütting en haar moeder was Flora von Hills, een dochter van Utz. Deze Stella vom Haus Schütting was de moeder van de Sieger 1936 Arras aus der Stadt Velbert zodat in dat jaar de moederhond voor de tweede maal de titel Siegerin haalde en haar zoon de titel Sieger kreeg.

In 1938 werd de Siegertitel vervangen door de zogenaamde 'Auslesegruppe', een selecte groep van de beste groep van de beste dieren met de kwalificatie Vorzüglich (Uitmuntend). Deze honden werden daarom Vorzüglich-Auslese, of kortweg VA, genoemd. De bedoeling van deze maatregel was te voorkomen dat de fokkers zich te veel zouden richten op de Sieger, zoals in het verleden steeds gebeurde. Door een grotere spreiding van de top deed men een poging de fokbasis te verbreden. De VA-honden werden aanvankelijk niet op volgorde geplaatst, maar als groep gepresenteerd. Op de Hauptzuchtschau van 1938 bleek dat van de acht reuen in deze geselecteerde VA-klasse, er zes Utz-bloed voerden, zodat de voorgestane fokverbreding nog even op zich zou laten wachten.

Er werd in die tijd dus erg veel gebruik gemaakt van het 'bloed' van Utz vom Haus Schütting. Hij was het ideaalbeeld zoals vele fokkers zich dat hadden gedacht. Bovendien zal het succes van veel Utz-nakomelingen de fokkers hebben aangetrokken; meer zelfs dan de nakomelingen van Klodo vom Boxberg, omdat die toch een harmonische bouw en lichammsdiepte misten. Maar al spoedig bleken ook de nadelen van het intensieve gebruik dat van Utz gemaakt werd. Problemen als pigmentverlies en tandgebreken kwamen voor. Enerzijds als het gevolg van een te nauwe inteelt en anderzijds omdat er voor dieren met deze problemen nog geen fokverbod bestond.

Gelukkig werd een deel van de moeilijkheden door fokkers duidelijk onderkend en maakte men een goed gebruik van zogenaamde 'bloedvreemde' honden. Dit waren honden die grotendeels nog actief bij de kudde werkten, of ouders hadden die hun oorspronkelijke werk nog uitoefenden. Door gebruik te maken van de oude werkhondenstammen werd ook de verwaarlozing van het karakter tegengegaan en kon de gebruikswaarde van veel honden weer verbeterd worden. Door de intensieve inteelt en het voortdurend fokken op schoonheid was hiervan al behoorlijk wat verloren gegaan. Het terugfokken op de zogenaamde oudbloedige dieren had als nadeel dat er iets van het type verloren zou kunnen gaan, maar dat bleek achteraf behoorlijk mee te vallen.

 

De ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog

Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd er in 1939 geen Hauptzuchtschau meer gehouden en de bijzondere omstandigheden hadden ook tot gevolg dat de gerichte fokkerij van Duitse Herdershonden op een laag pitje kwam te staan. Veel bazen en ook honden moesten daadwerkelijk dienst doen in het Duitse leger. Een zeer groot aantal honden heeft de oorlog niet overleefd en ook het aantal gefokte Duitse Herders daalde aanmerkelijk. Als gevolg van de oorlogstoestand werd er eveneens in 1940 geen Hauptzuchtschau gehouden. In 1941 en 1942 weer wel en het zou dan tot na de oorlog duren alvorens er in 1946 weer een Hauptzuchtschau zou worden georganiseerd.

Ondanks de moeilijkheden met voeding en reizen steeg de populariteit na de Tweede Wereldoorlog en was er een forse toename van het aantal gefokte Duitse Herders. In 1945 werden er slechts 3000 Duitse Herdershonden in de stamboeken van de S.V. geregistreerd. Daarna steeg het aantal snel en had men in 1948 zo'n 40.000 inschrijvingen. Zoals onvermijdelijk na zes jaar oorlog begonnen de mensen hun oude genoegens van vroeger weer terug te vinden, waarbij het fokken van honden gedijde, althans wat het aantal betreft. Zoals viel te verwachten werden er in deze periode weinig honden geëxporteerd, omdat Duitsland druk bezig was zijn eigen rasbestand weer op orde te brengen. In de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog bleek er veel werk verzet te moeten worden om de S.V. organisatorisch weer goed van de grond te krijgen en om het ras weer in zijn oude glorie te doen herrijzen.

Als belangrijkste vererver uit die naoorlogse periode moet zeker de hond worden genoemd die in 1946 op de derde plaats in de VA-groep (VA-3) eindigde, namelijk Lex Preussenblut. Hij werd de vader van het beroemde 'R'-nest vom Osnabrücker Land en hij was daarnaast de vader van meer honden die in de VA-groep werden gekozen dan enige andere hond van zijn tijd. Uiteraard had ook Lex zijn fouten, maar over het geheel genomen was hij een waardevolle vaderhond die meer en waarschijnlijk ook nog beter gebruikt had kunnen worden als Lex niet in 1949, nog maar net vijf jaar oud, vergiftigd was.

De belangrijkste invloed van Lex Preussenblut zou komen door het 'R'-nest vom Osnabrücker Land, dat hij kreeg met Maja vom Osnabrücker Land, een teef die in 1947 tot VA-1 werd gekozen. Deze Maja heeft onder haar nakomelingen vijftien honden gebracht met de kwalificatie Uitmuntend. In het beroemde 'R'-nest zaten de VA-honden Reina en Rolf, maar het waren met name Rolf en Rosel die de invloed van het nest verspreidden. Op de Hauptzuchtschau van 1950 kwam Rolf voor de eerste maal in de VA-klasse, waar hij VA-4 werd. In datzelfde jaar werden overigens nestgenoot Reina en hun moeder Maja voor de tweede keer in die geselecteerde groep van VA-honden gekozen.

De grote overwinnaar van de Hauptzuchtschau 1951 was de vier jaar oude Rolf vom Osnabrücker Land. Hij werd in zijn beste vorm voorgebracht en tijdens de beoordeling van het gangwerk, die behoorlijk veel tijd in beslag nam, liet hij zien een goed uithoudingsvermogen te bezitten. Rolf was dan ook een dekreu van grote kwaliteit, die toen al meerdere uitmuntende en zeer goede nakomelingen had gebracht.

Maar niet alleen Rolf was een hond van uitstekende hoedanigheden en met een grote verervingskracht; eigenlijk heeft het grootste deel van het beroemde 'R'-nest een grote bijdrage aan het ras geleverd. Reina en Racker gingen al vrij spoedig verloren voor de Europese fokkerij. Reina door verkoop en haar veelbelovende broer werd na enkele dekkingen getroffen door een ongeluk en aan de verdere fokkerij onttrokken. Rolf werd een belangrijke spil in de fokkerij en Rosel kreeg grote betekenis als moederhond en als voorouder waarop erg veel werd ingeteeld.

Er bestond een zeer grote belangstelling voor dit nest en vele later bekende honden kwamen er uit voort. Zo was de bekende Hein vom Richterbach een zoon van Rosel. Hein bereikte de VA-klasse niet, maar zijn zuster Hella deed dat in 1951 wel. Hein werd in Duitsland overigens erg veel als dekreu gebruikt en hij was zeker een van de betere vaderhonden.

Uit de keurverslagen van vele honden uit de na-oorlogse periode viel op te maken dat er veelal gefokt werd met te zware, massale en te diep gestelde honden. Deze honden kwamen op de tentoonstellingen voor de hoogste kwalificaties in aanmerking en zo ontstond er langzamerhand een groot probleem in de fokkerij. Er werden door fokkers en deskundigen de nodige aanmerkingen op gemaakt en daarop werd besloten in 1952 een ander type reu als VA-1 te plaatsen. Gekozen werd voor de nog geen 62 cm hoge en behoorlijke gestrekte Lido vom Friedlichenheim, een reu die ook in 1954 op dezelfde plaats kwam. Maar deze keuze werd door weinig fokkers in dank afgenomen. Lido verdween dan ook spoedig naar Amerika en hij heeft in Europa geen nakomelingen van betekenis achtergelaten.

Met ingang van 1955 werden de titels Sieger en Siegerin weer ingevoerd, terwijl daarnaast ook het VA-systeem bleef bestaan. De VA-1 reu mocht dus weer de titel Sieger dragen en de VA-teef kreeg de titel Siegerin. De eerste reu die in dat jaar weer aanspraak kon maken op die titel was de toen zes jaar oude Alf vom Nordfelsen. Pas op latere leeftijd ontwikkelde Alf zich tot een belangrijke vaderhond, vooral in combinatie met de nakomelingen van het 'R'-nest vom Osnabrücker Land. Zijn nakomelingen hadden voor het merendeel een zeer gelijkvormig uiterlijk, dat niet overdreven diep was en zeer harmonisch. De combinatie van het Alf vom Nordfelsen en 'R'-nest 'bloed' werd zeer aanbevolen en het gevolg daarvan was dat er een sterke opeenhoping van dit 'bloed' ontstond. Dit gaf in het begin uitstekende resultaten, maar bracht later problemen die zich vooral uitten in tekortkomingen van de voorhand. Desondanks wordt Alf toch tot een van de betere Duitse vaderhonden gerekend, die een zeer belangrijke invloed op het ras heeft gehad. Tot ver over de Duitse grenzen heen, want ook in Nederland en België was Alf's invloed groot.

De Hein vom Richterbach-zoon Cäsar von der Malmannsheide was een andere hond van betekenis. Hij zou in totaal vijfmaal in de VA-klasse terechtkomen, zonder het ooit tot Sieger te brengen. In 1959 was hij zes jaar oud en het was het voorlaatste jaar van zijn carrière als VA-hond. Over hem werd toen geschreven:'Deze oude vechter toont zich van zijn beste zijde. Zijn leeftijd is hem niet aan te zien, hoewel hij voor de fokkerij beslist niet weinig gebruikt is. Ondanks zijn leeftijd heeft hij de vreugde en de kracht om te lopen te behouden en hij is nog steeds vast en goed van bouw. Hij zou wat meer gesloten voeten dienen te hebben, maar dat is slechts een kleine aanmerking die geen afbreuk doet aan zijn hoge waarde.' Cäsar behoorde tot de grote verervers in de Duitse Herdershondenfokkerij, wat bewezen werd door onder meer zijn zoon Bär von der Weissen Pforte die in 1959 in de VA-groep kwam, en door zijn dochter Assja zur Geigerklause die in 1959 Siegerin werd.

De periode na 1950 heeft een groot aantal uitmuntende honden opgeleverd, waarvan er een aantal waren die al spoedig hun grote verervingskracht bewezen. Een aantal werden er in dit boek al genoemd, maar ook honden als Hardt vom Stüveschacht, Arno vom Haus Gersie en Condor Hohenstamm leverden een uitstekende bijdrage en zijn tot op de dag van vandaag bekend als steunpilaren voor het ras. Teven als Werra zu den Sieben Faulen, Bora Preussenblut, Frigga vom Bombergschen Park en Wilma vom Richterbach zijn mogelijk al in de vergetelheid geraakt, maar ook hun bijdrage, evenals die van andere, was daarom niet minder belangrijk.

 

De verdere ontwikkeling

De populariteit van de Duitse Herdershond had inmiddels enorme vormen aangenomen. Dat bleek ook wel uit het feit dat op 1 januari 1961 de miljoenste Duitse Herdershond bij de S.V. in het stamboek kon worden ingeschreven. Maar er werd niet alleen veel gefokt, er werd ook behoorlijk goed gefokt.

Roon zu den Sieben Faulen was al in 1959 Jugendsieger geweest en hij was een tentoonstellingshond van hoge klasse. Hij was sterk mannelijk, bijna grof, werd veel gebruikt door fokkers van werkhonden, maar liet weinig nakomelingen van betekenis achter in de tentoonstellingskennels. Roon had echter een gunstige invloed op het karakter. Hij was ruim twee jaar oud toen hij in 1960 op de vijfde plaats in de VA-klasse kwam.

Zijn vader Vello zu den Sieben Faulen was later een zeer omstreden hond. Velo was oorspronkelijk toegelaten voor de fokkerij tijdens de fokgeschiktheidskeuring, maar verloor dit bij een tweede keuring door zijn grootte (67 cm) en slechte kleur. Desondanks komt Vello in de stambomen van de meeste vooraanstaande Siegers van de afgelopen jaren voor en bracht hij verscheidene VA-dieren. Zo behaalde in 1961 de Vello-zoon Jalk vom Fohlenbrunnen zijn kwalificatie Vorzüglich-Auslese, zoals hij ook de twee daarop volgende jaren zou doen. Hij was geboren uit een dochter van Hein vom Richterbach en gaf aan zijn nakomelingen de aanleg tot overgrootte en kleurverbleking door. Toch werd hij met behoorlijk veel succes voor de fokkerij gebruikt en komt hij regelmatig in de stambomen van winnaars voor.

Tweemaal VA (in 1962 en 1964) en bovendien Sieger in 1963 was Ajax vom Haus Dexel, die via vaderskant een kleinzoon was van Cäsar von der Malmannsheide en via moederszijde een kleinzoon van Condor vom Hohenstamm. Ajax was een middelgrote, 63 cm hoge, harmonisch gebouwde reu met de goede uitdrukking en een goed karakter. Hoewel Ajax niet uitblonk in de hoekingen van de achterhand, had hij wel goede schouders en hij zou een succesvolle vaderhond blijken te zijn. Niet alleen voor tophonden, maar ook wat betreft de vererving van goede heupen. Hij is het bekendst door het 'E'-nest vom Haus Pari, het 'D'-nest von der Firnskuppe en het 'O'-nest van het Altena's Land, waarbij in elk nest verscheidene tophonden voorkwamen. De zwartgele Ajax vom Haus Dexel mag tot een van goede verervers van zijn tijd gerekend worden, speciaal voor uitmuntende en goed verervende teven.

De eisen die men aan de honden ging stellen voor plaatsing in de Auslesegruppen werden strenger naarmate men meer en betere honden voor de fokkerij beschikbaar had. Zo kon het in de beginperiode nog gebeuren dat honden met gebitsgebreken in de VA-klasse konden worden geplaatst, maar daaraan werden later strengere eisen gesteld. Na de invoering in 1958 van de Keurklassen 1 en 2 bij de fokgeschiktheidskeuringen werden uitsluitend nog honden uit Keurklasse1 (de voor de fokkerij aanbevolen honden) tot de VA-groepen toegelaten. In 1967 werd er bovendien voor de honden die in aanmerking kwamen voor de kwalificatie Uitmuntend, dus zowel reuen als teven, een  verplichte moedproef (pakwerk) op de Siegerhauptzuchtschau ingevoerd. Bij de invoering hiervan in 1967 werd er een groot gat geslagen in de Auslese groep van het jaar daarvoor, want veel tophonden kozen bij de moedproef het hazepad.

Ook het 'a'-stempel, als bewijs dat de heupen van de hond met goed gevolg röntgenologisch waren onderzocht op heupdysplasie (H.D.), werd een voorwaarde voor plaatsing in de hoogste kwalificaties. Men deed dit alles om een nog strengere selectie op het ruim beschikbare aantal goede honden te kunnen uitvoeren, en de voortsluipende heupdysplasie bij Duitse Herdershonden te bestrijden. En, zoals later zou blijken, met behoorlijk succes.

Sieger 1967 werd Bodo vom Lierberg en zijn broer Bernd werd in datzelfde jaar derde VA. Dat was Vello's 'bloed' gecombineerd met Hein vom Richterbach. De combinatie waaruit het 'B'-nest vom Lierberg was geboren, werd daarna nog verscheidene malen herhaald en leverde veel uitmuntende honden op. Het was een van de betere combinaties aller tijden. Veel nakomelingen deden het met name in de africhting erg goed.

De meest opvallende en besproken hond van 1968 was de VA-2 van dat jaar Caro vom Schaafgarten, een kleinzoon van Cäsar von der Malmannsheide. Na verscheidene nakomelingen met heupdysplasie verwekt te hebben, werd Caro opnieuw geröntgend, waarbij bleek dat hij geen 'a'-stempel voor goede heupen verdiend had. Ondanks dat werd Caro door de Duitse fokkers niet gemeden en hoewel heupproblemen via hem waarschijnlijker zijn dan via andere lijnen, heeft hij een aantal nakomelingen met het 'a'-stempel. Caro was onder meer de grootvader aan moederszijde van de Sieger 1973 Dick von Adeloga.

In de VA-groep van 1969 komen we de hond tegen die een van de grote verervers van de moderne tijd zou gaan worden, namelijk Quanto von der Wienerau. Hij was de enige VA-hond uit een nest van drie reuen en drie teven. Het was zonder meer een geweldige reu die nog heden ten dage door fokkers genoemd en geroemd wordt. In totaal kwam hij vier jaar achtereen in de VA-groep voor.

Siegerin 1969 Connie vom Klosterbogen was voorbestemd een goede vererfster te worden. Ze kwam uit een nest van tien honden, waarvan er meerdere Uitmuntend kregen. In combinatie met Quanto von der Wienerau zou zij later de bekende VA-reu Gundo vom Klosterbogen brengen.

Mutz von der Pelztierfarm werd alleen in 1970 VA, maar hij was toen wel de jongste hond in die klasse. Zijn levendige uitdrukking en zijn voortreffelijke karakter, naast zijn onvermoeibare en ruim uitgrijpende gangwerk maakten op de toeschouwers een diepe indruk. Mutz had zich toen reeds door een uitstekende vererving een grote faam verworven en zijn populariteit als dekreu nam snel toe.

Canto von der Wienerau eindigde in 1971 als eerste Uitmuntend en werd niet in de Ausleseklasse opgenomen. Hij stamde uit het beroemde 'C'-nest von der Wienerau, dat uit drie honden bestond, namelijk Celly, Cira en Canto von der Wienerau, welke laatste dit nest beroemd zou maken, ofschoon zijn nestzuster Celly in 1972 wel in de VA-groep gekozen werd. Canto overleed in 1972 vrij plotseling op vierjarige leeftijd, hetgeen voor de hele Duitse Herderfokkerij beslist een enorm verlies was. Hoewel Canto zelf nooit de kwalificatie VA kreeg en jong stierf, had hij in zijn korte leven een voortreffelijke staat van dienst. Hij was een topvaderhond, zoals ook te zien viel op de Hauptzuchtschau van 1973 en 1974, waar hij meer Uitmuntende nakomelingen liet zien dan enig andere hond. Ook thans is zijn naam nog een begrip.

Sieger 1972 werd Marko vom Cellerland, een hond die eveneens tot de tophonden, ook voor vererving, gerekend mag worden. Hij werd vader van menige VA-hond. De Siegertitel werd hem niet alleen vanwege zijn uitmuntende uiterlijk en karakter toegekend, maar zeker ook vanwege de overtuigende kwaliteit van zijn nakomelingen.                                                                                                                                                     Zagen we in 1971 het Nederlandse fokprodukt Erko van Dinkelland tot de VA-groep doordringen, een jaar later deed de Nederlandse reu Kazan van Benjorito Hof hetzelfde.

In 1973 was de Quanto-zoon Gundo vom Klosterbogen aanvankelijk na de standkeuring niet bij de eerste tien honden opgeroepen. Maar plotseling kwam de nog jonge Gundo opzetten en zag hij zich, evenals de beide daarop volgende jaren, in de VA-groep geplaatst. Overigens werden van 1974 tot en met 1977 geen Sieger- en Siegerintitels toegekend en werden de VA-honden zonder volgorde als groep gepresenteerd.

 In 1973 kwam de later zo bekend geworden vererver Johnny von der Reinhalle niet hoger dan de kwalificatie eerste Uitmuntend. Hij kon namelijk vanwege zijn dubbele wolfskies (P1) niet in de VA-groep worden toegelaten. Dat lukte in 1974 wel bij zijn nestbroer Jalk von der Rheinhalle. De vader van Jalk en Jonny was Mutz von der Pelztierfarm. Het lijkt er overigens wel op of de meeste belangrijke verervers van dit ras pech hebben als het gaat om toelating tot de VA-groep. De thans zo beroemde vaderhond  Argus von Aducht lukte het namelijk in 1977 ook niet, ofschoon hij er eerst wel in zat. Hij werd echter later teruggezet uit de VA-groep naar eerste Uitmuntend, omdat een snijtand was afgebroken.

Een waardig zoon en opvolger van Quanto von der Wienerau werd in 1976 gezien, toen Lasso di Val Sole in de Auslesegroep kwam. Lasso was een in Zwitserland gefokte hond uit een Zwitserse teef en hij bleek zijn geweldige eigenschappen prima aan zijn nakomelingen door te geven.

In 1977 kwamen er maar liefst twee Nederlandse fokprodukten in de VA-groep, namelijk de reuen Zorro van de Molenakker en Eros vom Hambachtal, wat uiteraard grote vreugde in de Nederlandse gelederen bracht. Het jaar daarop was er overigens reden tot vreugde bij de Belgische supporters. In de VA-klasse teven van 1978 kwam namelijk het Belgische fokprodukt Zolli von der Zuchtspits op de derde plaats, wat een terechte bekroning voor de Belgische fokkerij betekent.

Maar de buitenlandse vreugde kon nog niet op, want zowel in 1979 als 1980 kwam de Nederlandse teef Perle vom alexyrvo Hof op de derde, respectievelijk vierde plaats in de VA-groep, wat zonder meer voor de nodige sensatie zorgde.

Sieger 1981 en 1982 werd de prachtig gebouwde Natan von der Pelztierfarm, die overigens het jaar daarop VA-3 werd. In 1983 koos men namelijk als Sieger Dingo vom Haus Gero een reu die het jaar daarvoor op de vierde plaats in de Auslesegroep was geplaatst, maar in 1983 zonder meer de beste nakomelingengroep liet zien. Datzelfde gold in 1984 ook voor de drie jaar oude Sieger Uran vom Wildsteiger Land, die toen een overtuigende groep van nakomelingen in de ring bracht en zo de titel greep.

Siegerin 1984 werd de prachtige Tina vom Groszen Sand en in de VA-groep reuen kwam in datzelfde jaar haar nestbroer Tell vom Groszen Sand.

In 1983 werd de in Nederland gefokte reu Putz van Arjakjo uit de Auslesegroep gehaald, omdat zijn grootmoeder niet was afgericht. Dat is daarna wel gebeurd en daarom mocht Putz in 1984 op de vijfde plaats in die geselecteerde groep van honden blijven.

 

Door de strengere normen en de goede selectie van de voor de fokkerij beschikbare honden is de kwaliteit van de Duitse Herdershond steeds beter geworden. Vele goed verervende honden zijn in dit naar verhouding korte overzicht naar voren gekomen, maar uiteraard zijn ze lang niet allemaal genoemd. Zo is met name weinig aandacht besteed aan de teven binnen het ras, ofschoon zij de stammoeders vormen van vele tophonden. Teven spelen dan ook gewoonlijk bij de bespreking van de rasgeschiedenis een ondergeschikte rol, maar toch zijn zij het die de ontwikkeling van de Duitse Herdershond mede mogelijk maakten. Het succes van een goede vererving komt nu eenmaal niet alleen van de reu.