|
|
|
Natuurwetenschappen Inleiding Fysische grootheden + symbolen + SI-eenheden GROOTHEDEN SYMBOLEN EENHEDEN lengte l en s m massa = cte = eigenschap m.b.t. de m tijdsduur t s dichtheid kg/m3 kracht = elke oorzaak van F N vormverandering of van wijziging in de toestand van beweging of rust van een voorwerp ( -> het doet een vwp bewegen, ... ) gewicht = aantrekkingskracht op die G N massa uitgeoefend door de aarde G = m.g moment van een kracht M Nm druk = verhouding van F/opp = F/S p Pa arbeid A of W J vermogen P W energie E J temperatuur = toestand van de stof t of T °C of °K t.g.v. de beweging in de stof Enkele hoofdwetten van de natuurkunde TRAAGHEIDSWET - geen kracht uitoefenen op een in rust verkerend lichaam -> in rust blijven - kracht uitoefenen op een in rust verkerend lichaam -> blijft rechtlijnig en éénparig bewegen Opmerking: geen wrijvingskracht = wet der traagheid bv. knikker blijven rollen Toepassingen traagheidswet: * plots remmen van een auto -> naar voren vliegen * trein vertrekt -> tegen rugleuning plakken * scherpe bocht -> naar buitenkant bocht gedrukt * afslaan van koortsthermometer WET VAN ACTIE EN REACTIE ( F actie = - F reactie ) Wanneer een 1ste lichaam op een 2delichaam een kracht uitoefent, dan oefent het 2de
lichaam Voorbeelden: * met vlakke hand op tafel kloppen -> pijn door tegengestelde kracht van de tafel * met geweer schieten -> terugslag * tegen muur duwen * hoogspringen * ballonnetje met lucht loslaten -> vliegt in tegenovergestelde richting weg De 3 aggregatietiestanden en de moleculaire verklaring Aggregatietoestanden - VASTE toestand ( vaste vorm + volume ): -> vorm door de mens eraan gegeven -> vorm door de natuur tot stand gebracht - VLOEIBARE toestand -> vorm van het vat waarin het zich bevindt + horizontaal vrij vloeistofoppervlak -> vast volume ( weinig samendrukbaar ) bv. afwippen stof op een fles Opm: in zeer kleine hoeveelheden neemt vloeistof wel een vaste vorm aan = bolvorm ( waterdruppels ) - GASVORMIGE toestand -> vorm van het vat waarin het gas zich bevindt ( vervoeren in een afsluitbaar vat ) -> veranderlijk volume Ondoordringbaarheid van een stof Waar een stof is, is geen andere stof -> de makkelijkst verplaatsbare stof zal wijken voor een andere stof . bv. vaste stof in een vloeistof brengen -> vloeistof wijken De moleculaire hypothese Elk lichaam kan in kleine deeltjes verdeeld worden bv. olie op water, krijt op bord, ... Molecule = het kleinste deeltje waarin men een stof kan verdelen + bezit nog steeds de eigenschappen van die stof. Een stof is opgebouwd uit moleculen, die steeds in beweging zijn -> snelheid
toenemen met de temperatuur Een molecule is opgebouwd uit atomen ( 105 = ) Cohesie: aantrekkingskracht tussen moleculen van dezelfde soort bv. in water, metaal, ... Adhesie: aantrekkingskracht tussen moleculen van verschillende soort bv. water aan het raam Verklaring van de 3 aggregatietoestanden VASTE STOF: - moleculen trillen rond vaste stand = vaste vorm - grote cohesie = moleculen bij elkaar houden = onveranderd volume - vloeibaar maken door vaste stof te verwarmen VLOEISTOF: - moleculen van de vaste stof gaan door het verwarmen trillen en losschieten + vrij bewegen - onderlinge botsingen wijzigt voortdurend hun richting = veranderlijke vorm - nog cohesie: onveranderd volume - gasvormig maken door energie toe te voeren GAS: - snelheid van de moleculen vergroot en schieten uit de vloeistof = damp - geringe cohesie = vrij rondbewegen van de moleculen = geen vaste vorm + volume
De lucht Aanwezigheid en eigenschappen van lucht Lucht is meestal onzichtbaar, maar toch aan te tonen PROEF 1: opstelling: bak met water -> een leeg drinkglas in de bak duwen waarneming: - geen water in het glas verklaring: - als er "niets" in het glas zat, zou er wel water in kunnen komen
PROEF 2: opstelling: bak met water -> een leeg drinkglas in de bak duwen met op de bodem van het glas een vastzittende prop papier waarneming: - de prop blijft droog
PROEF 3: opstelling: bak water -> een lege fles omgekeerd in de bak water duwen + nadien schuin houden
waarneming: - er ontsnappen luchtbellen
PROEF 4: opstelling: bak met water -> trechter omgekkerd in het water duwen + trechterbuis met de vinger afsluiten -> vinger loslaten waarneming: - er ontsnapt lucht ( bewegende lucht kan je zien en horen ) en er komt water in de plaats
BESLUIT: Daar waar lucht is, kan niets anders zijn. Lucht neemt een bepaalde plaats in. PROEF 5: opstelling: 2 bladen papier van hetzelfde formaat + een blad veranderen in een prop -> beide laten vallen vanop dezelfde hoogte waarneming: - het propje is eerst beneden verklaring: - lucht biedt weerstand aan bewegende voorwerpen. - hoe > oppervlak waarop de lucht kan inwerken, hoe meer de beweging geremd wordt toepassingen: * wielrenners maken zich zo klein mogelijk om zo weinig mogelijk weerstand te hebben * gestroomlijnde autos, vliegtuigen, ... Opmerkingen: - luchtledig of vacuüm: ruimte zonder lucht ( thermos ) -> vwpn gaan hier even snel voortbewegen ( er zijn luchtdeeltjes die weerstand bieden )en zware vwpn. gaan even snel vallen - lucht heeft geen vaste vorm -> neemtde vorm van het vat aan - om aarde = een luchtlaag = atmosfeer of dampkring ( hoe hoger, hoe ijler ) - een l lucht = 1,3g Aantonen van de luchtdruk PROEF 1: opstelling: fles vullen met water -> afsluiten met de hand en omkeren in een vat met water -> hand loslaten waarneming: - de vloeistof blijft in de fles verklaring: - de lucht drukt zo hard op het wateroppervlak, dat het water erin blijft
PROEF 2: opstelling: plastic fles vullen met water -> afsluiten met de hand en omkeren in een vat met water -> gaatje prikken in fles -> hand loslaten waarneming: - de vloeistof komt uit het water en daalt tot het oppervlak gelijk is aan dat van het wateroppervlak verklaring: - delucht drukt wel op het wateroppervlak in de fles
PROEF 3: opstelling: drinkglas met een gave rand boordevol met water vullen -> glas bedekken met een stevig papier -> vlakke hand erop leggen en glas omdraaien waarneming: - het papier blijft aan het glas kleven verklaring: - de lucht drukt in opwaartse richting
Zuigen en luchtdruk PROEF 4: opstelling: een vel huishoudfolie over de opening van een trechter -> met de mond aan de trechterbuis zuigen waarneming: - de folie wordt naar binnen gezogen verklaring: - de luchtdruk binnen < de luchtdruk buiten BESLUIT: Zuigen doet de luchtdruk dalen. toepassingen: * gummizuiger = luchtdruk buiten is hoger dan binnen -> blijft hangen * zuigen aan een rietje = luchtdruk daalt in het rietje -> vloeistof komt omhoog * opzuigen van vloeistof met een injectiespuit = we nemen
de luchtdeeltjes weg uit de spuit, zodat de luchtdruk buiten bv. 2 gaatjes in een blik cola melk maken -> deel van de vloeistof komt eruit en je creëert een ruimte met onderdruk De lucht drukt in alle richtingen even sterk, omdat: - de gummizuiger kleeft evengoed aan het plafond, als aan de muur, ... - als je de trechter in een andere richting houdt, krijg je hetzelfde effect - omgekeerde glas = opwaartse richting! Het meten van de luchtdruk PROEF 5: opstelling: een doorzichtige plastic slang vullen met water + aan het ene uiteinde afgesloten met een stop + open uiteinde in een emmer met water waarneming: - het water loopt niet uit de slang verklaring: - de lucht drukt op het wateroppervlak, zodat het water in de buis blijft Opmerking De luchtdruk kan een waterkolom van 10m ophouden.
Meten van de luchtdruk met een barometer - 1643: eerste barometer door Torricelli -> zelfde werkwijze alshierboven, maar hij gebruikte kwik = vloeibaar metaal ( 1l kwik = 13,6 kg ) i.p.v. water. Werkwijze: - glazen buis van 80 cm + buis langs de ene kant open -> buis vullen met kwik en met de vinger de buis dichthouden -> buis met de opening in een emmer met kwik brengen -> vinger wegtrekken Waarneming: - het kwik in de buis daalt tot op een hoogte van 76 cm boven het kwikopp. van de emmer Verklaring: - door de luchtdruk op het kwikopp. wordt een kwikkolom van 76 cm hoog opgehouden Gevolg: - men kon de grootte van de luchtdruk meten! BESLUIT: de luchtdruk = de druk van een kwikkolom van ongeveer 76cm hoogte! Opmerking: - luchtdruk wordt nu gemeten in hectopascal ( hPa ) = de officiële éénheid - 76 cm Hg = 1013 hPa - luchtdruk afh. van het weer + de plaats - barometer helpt het weer te bepalen lucht droog -> druk is zwaar -> kwik stijgt lucht vochtig -> druk is lichter -> kwik daalt - wind = de lucht die van een hoog drukgebied naar een laag drukgebied stroomt kwikbarometer: - bestaat uit een bakje met kwik waarin een omgekeerde glazen buis met kwik zit Werking: idem als de proef van Toricelli hevelbarometer: - een gebogen buis met een kort open en een lang gesloten been - buis is gevuld met kwik - in het gesloten been is er boven het kwik een luchtledige ruimte Werking: Hoe > de luchtdruk, hoe harder de lucht op het kwik in het open been drukt Hoe < de luchtdruk, hoe minder hard de lucht op het kwik drukt. Grootte luchtdruk wordt bepaald door: de afstand te nemen tussen het kwikoppervlak in het open en het kwikoppervlak in het gesloten been -> gebruik maken van een verschuifbaar latje = nulpunt lat wordt op dezelfde hoogte gebracht als die van het kwikoppervlak in het open been. metaalbarometer: - bestaat uit een luchtledig doosje met een gegolfd deksel waarop een wijzer vastzit die voor een schaal beweegt Werking: Hoe harder de lucht op het dekseltje duwt, hoe > de aangewezen luchtdruk en omgekeerd. Opmerking: Veel gebruikt in huiskamers.
De samenstelling van de lucht PROEF 1 opstelling: kaars branden + glazen pot overheen zetten waarneming: - de kaars dooft - hoe kleiner de pot, hoe vlugger de kaars dooft verklaring: - 1° lucht die de verbranding onderhoudt bevat zuurstof - 2° lucht die de verbranding niet meer kan onderhouden de lucht bevat nog stikstof, maar geen 02 meer PROEF 2: opstelling: diep bord vullen met water -> brandend kaarsje op een kurkje plaatsen in het midden van het bord -> glazen pot overheen plaatsen -> waterpeil op de pot markeren waarneming: - naarmate de kaars verder brandt, stijgt het water - 1/5 deel van de lucht verdwijnt verklaring: - er wordt O2 verbruikt VOORLOPIG BESLUIT: lucht bevat ongeveer 20% zuurstof en 78% stikstof (N2)
PROEF 3: opstelling: brandende kaars + een schaaltje kalkwater onder een glazen pot plaatsen waarneming: - de oppervlakte van het kalkwater is troebel geworden = witte troebeling verklaring: - hoge concentratie van koolstofdioxide ( CO2 ) formule: CA(OH)2 + CO2 => CaCO3 + H2O WIT PROEF 4: opstelling: fles met koud water uit de diepvries in de klas waarneming: - er komen waterdruppels op het voorwerp verklaring: - waterdamp condenseert BESLUIT: SAMENSTELLING VAN LUCHT * 21% O2 * edelgassen ( neon, helium ), ozon * 78% N2 * beetje H2O en CO2
Bij verbranding: - zuurstof verbruiken en koolstofdioxide gevormd - brandstof nodig om stof te verbranden - zuurstof verbinden met brandstof -> bij sommige stoffen gebeurt dit spontaan -> bij andere stoffen moet men warmte toevoegen * Hevige, snelle verbranding - vuur = zichtbaar i.v.v. vlammen - temperatuur vrij hoog - zuurstofvoorziening = zeer belangrijk = verbinding met zuurstof bv. stapeling van het hout bij een kampvuur goede luchttoevoer bij een kachel - formule: brandstof + zuurstofgas => koolstofdioxide + H2O + warmte met vuur en vrij hoge t° - Opmerking: bij onvolledige verbranding = te lage O2-toevoer = CO- vorming * Trage, zachte vebranding 1. ROESTEN - roest = verbinding van ijzer + zuurstof uit de lucht = trage verbranding zonder vuur Verbonden of communicerende vaten vat = reservoir waarin we een vloeistof bewarenverbonden vaten = 2 of meer vaten die door een buis verbonden zijn met elkaarPROEF 1: opstelling: plastic doorzichtige slang ( >1m ) + gedeeltelijk vullen met water 1. we houden 2 benen naast elkaar 2. 1 been onbeweeglijk + andere been omhoog en omlaag 3. 1 uiteinde verbinden met een trechter + andere been omhoog en omlaag en schuin bewegen waarneming: - 1. niveau blijft links en rechts evenhoog - 2. ook hier blijft het niveau langs beide kanten evenhoog - 3. alles niveaus evenhoog BESLUIT: In verbonden vaten staat een vloeistof altijd op dezelfde hoogte, wat ook de vorm van die vaten is. Proef met het fonteintje PROEF: opstelling: plastic slang helemaal vullen met water -> 1 been afsluiten met duim + andere been stuk hoger brengen -> duim voorzichtig wegschuiven waarneming: - water spuit uit de slang * theoretische hoogte: water spuit tot op de hoogte van het andere been * praktische hoogte: water bereikt niet de hoogte van het waterpeil omdat: ° de neervallende druppels vormen een hindernis voor de opstijgende druppels ° de luchtweerstand -> de waterzuil wordt in druppels verdeeld Toepassingen - peilglas van ketels - schenktuiten van thee-en koffiepotten - flesjes waterpas bij het landmeten - afvoerbuis van de WC - watertoevoer van de waterleiding - werking van sluizen - artesische putten: water opspuiten bij het graven van putten op glooiende, ondoordringbare lagen- oxidatie makkelijker in een vochtige omgeving - beschermende laag bedekt het ijzer tegen roesten: vet, verf - koper kan ook oxideren - roestvrije metalen: nikkel, tin, zink, chroom en edele metalen 2. VERBRANDING VOEDINGSSTOFFEN IN LEVENFDIGE ORGANISMEN - zuurstof van de ademhaling binden met brandstof -> vorming van CO2 en warmte zonder vuur + vrij lage t° - formule: C6H12O6 + 6O2 -> 6CO2 + 6H2O + warmte zonder vuur + lage t° Aggregatietoestanden: Uitzetten en inkrimpen van VASTE stoffen PROEF 1: opstelling: plankje met 2 spijkers erop, waar juist een geldstuk tussen kan -> geldstuk verwarmen -> geldstuk tussen de 2 spijkers proberen te schuiven -> laten afkoelen en opnieuw proberen waarneming: - 1. het munststuk gaat er niet meer tussen - 2. nadien wel verklaring: - munstuk = uitgezet door verhitting - munststuk = ingekrompen door afkoeling
PROEF 2: opstelling: koperdraad vasthangen aan 2 plankjes -> in het midden van deze koperdraad een oogschroef hangen boven de basisplank -> koperdraad verwarmen waarneming: - de oogschroef raakt de basisplank verklaring: - draad = uitgezet door verwarming PROEF 3: opstelling: bol en ring van s - Gravesande -> bol kan precies door de metalen ring -> bol verwarmen waarneming: - bol geraakt niet meer door de ring verklaring: - bol = uitgezet door verwarming BESLUIT: Vaste stoffen zetten uit bij verwarming en krimpen bij afkoeling.
PROEF 1: opstelling: reageerbuis vullen met koud water -> doorboorde stop met een glazen buisje opzetten -> waterpeil in het buisje aanduiden -> reageerbuis verwarmen + nadien laten afkoelen waarneming: - 1. het waterpeil stijgt - 2. het waterpeil zakt verklaring: - vloeistof = uitgezet door verwarming - vloeistof = inkrimpen door afkoeling Opmerking: Dit geldt ook voor andere vloeistoffen. BESLUIT: Vloeistoffen zetten uit bij verwarming en krimpen bij afkoeling. ( toep. =
thermometer ) Inkrimpen en uitzetten bij gassen PROEF 1: opstelling: lege reageerbuis met daarop een dorrboorde stop met een glazen + koud buisje -> buisje in een beker met water steken ->
reageerbuis in handen verwarmen -> waarneming: - 1. er komen bellen uit het proefbuisje - 2. water stijgt in het buisje verklaring: - het gas ( lucht ) = uitzetten door verwarming - lucht = inkrimpen door afkoeling PROEF 2: opstelling: brede, koude reageerbuis met een leeg ballonnetje over het uiteinde -> reageergbuis verwarmen door deze in een pot met heet water te zetten waarneming: - het ballonnetje staat bol verklaring: - gas = uitzetten bij verwarming Opmerking buis afwisselend in koud en heet water plaatsen -> ballon afwisselend opzwellen en slap worden BESLUIT: Gassen uitzetten bij verwarming en inkrimpen bij afkoeling.
Beschrijving: In de thermometer zit een vloeistof in een afgesloten ruimte, Afregeling: - kwikreservoir in damp van kokend water houden -> op de hoogte van de kwikkolom 100°C plaatsen - afstand tussen 0° en 100°C verdelen in 100 gelijke delen, m.a.w. 1 deel = 1°C - capillair is nodig voor de nauwkeurige aflezeing van de temperatuur door de kleine volumeverandering Temperatuurbereik: Kwik- en alcoholthermometer hebben een ander temperatuurbereik door het verschil in kook -en stollingspunt. Kookpunt Stollingspunt alcohol = 80°C alcohol = - 114°C kwik = 357°C kwik = - 39°C Bij koortsthermometer: blijft de hoogst gemeten temperatuur aanduiden door de
sterke cohesiekrachten nog gebruikt in de VS - formule voor de overgang van °C naar °F x °C = ( 9/5x + 32 ) °F - formule voor de overgang van °F naar °C x °F = ( x - 32 ) 5/9 °C De Celsius - en Fahrenheitschaal 18°F = 100°C of 1°C = 1,8°F
Stollen en smelten PROEF 1: opstelling: gesmolten kaarsvet in een reageerbuis -> laten stollen -> peil aanduiden van het gestolde kaarsvet -> reageerbuis verhitten van boven naar onder -> nadien laten afkoelen waarneming: - 1.kaarsvet wordt vloeibaar toename volume - 2.kaarsvet is terug vast geworden afname volume BESLUIT: Smeltpunt = de temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar begint te worden. Stollingspunt = de temperatuur waarbij een vloeistof vast begint te worden. bv. ijs -> 0°C, stearine -> 60 à 70°C, parrafine -> 45 - 60°C, ijzer -> 1535°C, ... Voor elke stof = smeltpunt = stollingspunt. Opmerking Industrie maakt veel gebruik van deze overgang: stof door verwarming vloeibaar maken -> vorm geven -> terug laten afkoelen -> vaste vorm
Bij smelten: toename volume + afname dichtheid Bij stollen: afname volume + toename dichtheid => Uitzondering: WATER volume ijs > volume water dichtheid ijs < dichtheid water Verklaring: Bij vaste toestand werkt de aantrekkingskracht niet -> deeltjes bewegen zich verder uit elkaar ( onder 0°C ) Gevolgen: - barsten waterleidingen bij vorst - erosie van rotsen -> binnendringen water in spleetjes en bevriezen - vijver dichtvriezen -> ijs bovendrijven -> afkoeling van het water daaronder vertraagd door isolatie vanwege de ijslaag
|