kop2kopie
koponder2
beeldkopie

Logo van Laudate Dominum, het Kortrijks Gregoriaans Koor

Contactblad

Verschijnt als het past

Jaargang 41
Periode: december 2018 - nummer 4

Rekeningnummer van Laudate Dominum

BE38 9201 0170 3772


Inhoudstafel:

Kalender

Bijgekomen optredens

Zingen we 'liedjes in de mis' of 'zingen we de mis'?

Het "Cantatorium" van Sankt Gallen

 



 


Bijgekomen optredens:

Marceltje

Terug naar boven


Zingen we 'liedjes in de mis'

 of 'zingen we de mis'?

Op zoek naar informatie i.v.m. het zingen in de kerk botste ik op www.ketnet.be, in de rubriek Liturgie ICL op een interessante bijdrage van de hand van Liesbeth Degryse, CCV-medewerker liturgie en catechese.
Zij geeft commentaar en duiding bij het 63ste Liturgisch congres waarop 260 zangleiders, organisten, voorgangers en geëngageerden zich bogen over de plaats van zang en muziek in de liturgie. Lees even mee ...

Liturgische muziek is er niet om ‘uitgevoerd’ te worden, strikt zoals een partituur gelezen wordt, maar om te zingen in de volle betekenis van het woord, met heel ons hart voor de Heer.
Doorheen het congres werd het belang duidelijk van de geestelijke en liturgische vorming voor muzikale actoren in de liturgie omtrent de functie van de liturgische muziek, naast de muzikale vorming.
De constitutie Sacrosanctum Concilium (1963) en de instructie Musicam Sacram (1967) vormden hierbij de leidraad voor de sprekers.

Enkele inzichten die aan bod kwamen in de conferenties:

Wie goed zingt, bidt dubbel! (Augustinus)
Zingen bevordert van nature een luisterende houding, een houding van vreugde en mededogen. Dit maakt ons hart open en ontvankelijk voor Gods spreken tot ons.
Op die manier wordt ons lichaam de heilige grond waarop we voor God kunnen staan.
Ze kan, als ‘gebedsorgaan’, een plaats worden van godsontmoeting. Zingen mobiliseert ons helemaal: niet enkel ons lichaam wordt betrokken, ook ons verstand, ons geheugen en onze affectiviteit. Zingen drukt op die manier een diepere betrokkenheid uit dan spreken.
De Griekse mythe Orpheus en Eurydice, waar muziek zelfs gevoelloze stenen, dode materie, opnieuw tot beweging, tot ontroering brengt, toont ons de transformerende en onweerstaanbare kracht van muziek.

Liturgische muziek heeft niet als doel de mis ‘op te luisteren’ als decoratie.
Het is God die ons inspireert om Hem te danken; onze gezangen hebben als functie ons dichter bij Hem te brengen, ‘door Hem en met Hem en in Hem’.
De liturgische muziek is er niet omwille van zichzelf, maar staat in nauw verband met en staat ten dienste van de rituele handelingen in de liturgie. Ze voert voorbij zichzelf, de gemeenschap binnen in een diepere beleving van het vieren van het Mysterie. Dit heeft gevolgen voor de  keuze van de gezangen, die geen kwestie is van esthetiek of pragmatiek, maar van ‘ars celebrandi’ ' (de kunst van het vieren).

Wat gebeurt er op dit bepaald moment in de toenadering tussen God en zijn volk, en drukt het gezang dit uit? God spreekt tot zijn volk in de liturgie, en het volk antwoordt op zijn beurt met gezangen en gebeden.
Geen ‘tussenzang’ of louter 'muzikaal intermezzo' na de eerste lezing, maar een antwoordpsalm, als antwoord van het volk op Gods Woord, is hier een voorbeeld van. Of zo ook de gezongen dialoog tussen de voorganger en de gemeenschap tijdens de begroeting in de openingsritus, die de dialoog tussen God en zijn volk symboliseert en bewerkstelligt.
Ten dienste van de actieve deelname van de gemeenschap

Liturgie vormt een groep mannen en vrouwen om tot een verzamelde gemeenschap die geroepen wordt het volk van God, de Kerk, het Lichaam van Christus te zijn. Liturgische zang zorgt voor verbondenheid.
Als gemeenschap samen zingen, ‘als één stem’ ‘uit één mond’, vormt een klankbeeld van wat werkelijkheid wordt tijdens de eucharistieviering: één lichaam worden, met Christus als hoofd, als onze voorganger in de lofzang, door het ontvangen van het lichaam van Christus.
Tegelijk vormt dit een voorafbeelding van onze eeuwige lofprijzing in het Hemelse Koninkrijk, samen met alle engelen en heiligen.
De muzikale actoren, zoals het zangkoor, de cantor of de organist zijn er niet omwille van zichzelf, maar staan ten dienste van de liturgie, om dit bidden, deze actieve deelname van de gemeenschap aan het mysterie van God te bevorderen.

Tot zover het geciteerd artikel.
Wij kunnen ons graag vinden in hetgeen er op dit congres naar voor kwam. Zingen is inderdaad van levensbelang : je wordt er alleen maar beter van, samen zingen verbindt de mensen.
Als koor met een overwegend gregoriaans repertorium vinden wij het een beetje spijtig dat men in ICL zo weinig aandacht heeft voor het gregoriaans kerkpatrimonium. 
Of vergis ik mij ?

Hoe dan ook, Laudate Dominum blijft zich inzetten om op geregelde tijdstippen het gregoriaans in de kerk aan bod te laten komen.

W. Deroo

 

 

 

Terug naar boven 


Het “Cantatorium” van Sankt Gallen.

Voor het Gregoriaans is het Cantatorium van Sankt Gallen van uitzonderlijk belang wegens zijn  schoonheid van geschrift, de juistheid van tekst en neumen, kortom zijn volledigheid.
Het musicaal neumenmanuscript, waarvan de auteur of auteurs tot op heden onbekend zijn gebleven, behoort tot de eerste generatie van dit genre manuscripten.  Het was voltooid omstreeks  de tweede decennia van de X ° eeuw.

Bij de ontdekking dacht men eerst dat men te maken had met een antiphonarium voor cantores (solisten /voorzangers) maar achteraf bleek de definitie “Cantatorium” correcter.
Het manuscript is  geschreven voor cantores en omvat  alle gezangen van de mis voor de solisten  : de graduale, de tractus en het alleluia met vers, maar ook sommige Incipit (eerste woorden) van andere gezangen.

Einsiedeln

Het manuscript van Einsiedeln bevat nog meer soorten gezangen maar dan zowel voor solisten als voor de schola, het verschil zit hem in de moeilijkheidsgraad van de gezangen.
In het manuscript van Einsiedeln staan  naast de drie voorgaande ook het Introitus, het Offertorium en ook het Communio, de zogenaamde ietwat “gemakkelijke” gezangen. 
De moeilijkheidsgraad van een gezang zit hem in de lengte, de toonhoogte, de snelle opvolging van neumen op 1 lettergreep of juist het breken van het ritme, de ambitus, de expressie.

Alvorens naar voorbeelden te gaan, vooreerst een weetje over het neumatisch geschrift : aan de neumen zelf werden regelmatig letters toegevoegd. 
Die letters kan men grofweg indelen in twee soorten : letters die  aanwijzen hoe de melodie moet verlopen (hoger, lager, zelfde toonhoogte) en letters die meer wijzen naar de expressie en het ritme (snel, aanhouden, zacht, onmiddellijk). 

Immers noch in het Cantatorium, noch in Einsiedeln was de juiste toonhoogte aangegeven, notenbalken waren er toen niet.
De moeilijkheidsgraad van de gezangen van het Cantatorium deed de onderzoekers vermoeden dat het manuscript bedoeld was voor solisten, maar ook de letters die werden toegevoegd aan de neumen wijzen in die richting. Einsiedeln was vermoedelijk geschreven voor de schola.

Nemen wij drie voorbeelden van het Cantatorium en één van Einsiedeln, uit de Vasten- en Paastijd :
Graduale Palmzondag: “Christus factus est”  GT/GR blz  148   Toegevoegde letters melodie = 0,   expressie = 8, moeilijkheid = een juweeltje qua melodie zowel antifoon als vers + verschuiving do-sleutel; Cantatorium.

Alleluia Pasen : “Pascha nostrum”  GT /GR blz  197  Toegevoegde letters melodie = 3, expressie = 20,    moeilijkheid = ritme, toonhoogte (hoge la), ambitus, expressie zowel in “Alleluia” als vers; Cantatorium.

Tractus Palmzondag : “Deus, Deus meus” GT/GR blz 144 Toegevoegde letters melodie = 18, expressie = 78,   moeilijkheid  = zeer lang 4 bladzijden, het krioelt er van de neumenscheidingen (coupures); Cantatorium.
Introitus Pasen : “Resurrexi” GT/GR blz 196   Toegevoegde letters melodie = 15, expressie = 3,   moeilijkheid =  eenvoudig en zeker gekend;  Einsiedeln.

alleluia

Bibliotheek van abdij van Sankt-Gallen

Aan de hand van de toegevoegde letters is het duidelijk dat in het Cantatorium meer nadruk werd gelegd op expressie en ritme en veel minder op de melodie (die zeker gekend was), met slechts hier en daar een letter voor de melodie (3 eerste voorbeelden).   In vb . 4 Einsiedeln is het net andersom, 5 keer meer letters voor de melodie dan voor expressie, hulpmiddelen voor de schola om de melodie juist te zingen.   

Nu wil ik de gezangen van het Cantatorium wat toelichten.

Vooreerst het “Alleluia met vers” (Versus Alleluiatici). Het woord 'alleluia' komt uit de Joodse liturgie (cfr de Hallel psalmen) en is bijna rechtstreeks overgegaan naar de christelijke liturgie. In de Joodse liturgie mocht het woord JHWH (uitspraak is +/- Jahweh) niet worden gebruikt uit respect voor God.
Alleen “Jah” een soort klinker of afkorting mocht worden uitgesproken, de medeklinkers werden weggelaten. “Hallel” is een lofprijzing, “Hallel-Oe” is prijst /looft en “Hallel-Oe-Jah” is dus prijst /looft God.

Pascha Nostrum 

Het Alleluia is als gezang 2-ledig, het begeleidt én een handeling (de kleine processie met de Heilige Schrift) én een lezing (het Evangelie).
Als liturgisch gezang is het een responsorium : de schola zingt “Alleluia” en de solist(en) het vers.
Uit het “Alleluia” is ook een ander liturgisch gezang ontstaan : de “Sequentia”, zoals bijv. “Victimae Paschali Laudes”.

 

De laatste “a” van het Alleluia was een zeer lange jubilus. Om de solist te helpen om de melodie te memoriseren werden op die laatste “a” tekst gezet
en zo ontstond de Sequentia.  

De Tractus: zoals het Alleluia komt de Tractus ook voort uit de Joodse liturgische traditie en het leunt er ook het dichtst bij aan, de psalmverzen worden na elkaar gezongen zoals die staan in de Psalm, zie GT/GR blz. 144 “Deus, Deus meus” (hier Psalm 21).

Tijdens de veertigdagentijd vervangt de Tractus het Alleluia. Omdat die vastenperiode ten vroegste kan aanvangen begin februari en ten laatste eindigt rond 24 april zijn voor alle mogelijke misvieringen van de veertigdagentijd Tracti voorzien.
In onze GT/GR staan er een 25-tal, in de oude GR van 1908 staan er zelfs 54.
Kenmerken van de Tracti zijn : slechts 2 kerkmodi  nl. II (re-fa) en VIII (sol-do) en de ene Tractus is al langer, moeilijker dan de ander.
Omwille van de lengte en de moeilijkheidsgraad werden veel formules (gelijkluidende melodieën) gebruikt, veel gelijke middencadensen ( i.p.v. pausa minor) en zeer veel gelijke terminatio’s (eind-cadensen).
Dit alles om het de solist wat comfortabeler te maken.
Deze formules, middencadensen en terminatio’s waren verwerkt in gelijkaardige melismen, herkenbaar voor de solist. Vergelijkbare melismen vindt men terug in de Gloria more Ambrosiano (GT blz. 793).
De Tractus begeleidt alleen een lezing, nooit een handeling.
De Cantica’s van de Paaswake zijn in feite ook Tracti, in de oude GR staat trouwens “Tractus” i.p.v. Cantica gedrukt.
Last but not least: de Graduale, deze begeleidt zoals de Tractus altijd een lezing.
Aanvankelijk werd de Graduale op een ambo (verhoog) gezongen door een diaken.
Toen bij de diakens hun zangkunst groter werd dan hun geloof werden zij vervangen door een cantor.   Die mocht een toontje lager zingen op een gradus (trede)- vandaar de naam Graduale. In illo tempore kwamen de zangers in de hiërarchie op de voorlaatste plaats, vlak voor de buitenwippers…,  tijden veranderen!
De enige periode tijdens het liturgisch jaar waarin de Graduale NIET wordt gezongen is vanaf  “sabbato in albis” (zaterdag voor Beloken Pasen) tot Pinksteren, in plaats daarvan worden er 2 Alleluia’s gezongen.

Graduale

De mooiste Graduales zijn deze op La zoals
“Haec dies” (GT/GR p.196), “Requiem aeternam” (GT/GR p. 670),  “Iustus ut palma” (GT/GR p. 510).
Er zijn er een twintigtal: ze hebben allen ongeveer dezelfde melodie, soms een andere op de Incipit.
Om én een Tritonus én een mi-mol (toen - al dan niet - onbekend) te omzeilen werd de FA-sleutel op de 3° lijn van de notenbalk veranderd in een DO-sleutel, jawel, men kende toen ook al de trucken van de foor. 

  
Jean Pierre EXTER, april 2018   

Terug naar boven