Congenitale Heup Luxatie - Developmental Dysplasia Hip - Residuele Dysplasie

     

    Wat is Developmental Dislocation (Dysplasie) van de Heup (DDH)?

    Kinderen met Heupdysplasie of DDH leiden aan een misvorming van het heupgewricht. De kop van het dijbeen (de femur kop) bevindt zich niet (dislocatie) of niet diep genoeg (dysplasie Ė subluxatie) in het kommetje van de heup (acetabulum). Het heupgewricht kan hierdoor instabiel zijn. Het gewrichtskapsel en de gewrichtsbanden die het dijbeen met het bekken verbinden zijn uit gerokken en/of te laks. De graad van instabiliteit van het gewricht en de laksiteit van de structuren variŽren van kind tot kind. Een kind met DDH kan bij de geboorte een heupkop hebben die zich wel degelijk in het kommetje bevindt, maar waarbij het gewrichtskapsel zeer laks is. Omwille van deze laksiteit kan het zijn dat wanneer een kind groeit de heupkop gaandeweg uit het kommetje wegschuift.

    Heel vaak wordt heupdysplasie bij de geboorte vastgesteld door de kinderarts . In sommige gevallen echter is bij de geboorte de heup perfect in het kommetje gelokeerd, en wordt de aandoening pas vastgesteld wanneer het kind begint te stappen. In die gevallen echter is de behandeling meer gecompliceerd en ingrijpend.

    Indien heupdysplasie onbehandeld blijft, leidt ze tot pijn en vroegtijdige artrose van het heupgewricht. Het veroorzaakt beenlengteverschil (wanneer slechts 1 zijde is aangedaan) en een abnormale gang die doet denken aan een ĎeendengangĒ. Indien de dysplasie echter succesvol kan worden behandeld (hoe vroeger hoe beter), stellen zich meestal geen problemen meer tijdens het verdere leven, en kunnen deze kinderen een normaal actief leven leiden. Wanneer de behandeling echter gestart wordt na de leeftijd van twee jaar, is er gradueel meer risico op complicaties en een vervroegde artrose van de betrokken heup.

    Welke kinderen lopen meer risico?

    Er bestaat een familiaal risico, maar het kan voorkomen bij ieder kind en ter hoogte van iedere heup. Meestal echter betreft het de linker heup en is het frequenter in geval van:

      • meisjes
      • eerstgeborenen
      • stuitligging (om die reden wordt in geval van een stuitligging frequent een echografie van de heupen verricht om DDH uit te sluiten).

    Symptomen

    In sommige gevallen bestaat er geen enkele aanwijzing dat uw kindje lijdt aan heupdysplasie, maar in geval volgende tekenen neemt u best contact op met een arts:

      • beenlengte verschil
      • asymmetrie van de huidplooien ter hoogte van de dijen
      • verminderde beweeglijkheid van een van de heup

    In geval uw kindje reeds de leeftijd heeft bereikt waarop het stappen, kunnen manken, teenlopen of een eendengang ook  teken zijn van heupdysplasie. Naast de hierboven beschreven tekenen zal uw arts andere tekenen zoals heupinstabiliteit en bewegingsbeperking ter hoogte van de heupen nagaan. Bij jongere kinderen wordt meestal een echografie verricht, bij oudere een kinderen een klassieke radiografie.

    Principes voor Behandeling

    De behandelingsmethode is afhankelijk van de leeftijd van het kindje op het moment van de diagnose.

    Pasgeborene

    In het geval een instabiele of gedisloceerde heup wordt vastgesteld bij een pasgeborene, wordt meestal een behandeling ingesteld door het gebruik van een eenvoudig aan te brengen bandage (Pavlik harnas). Naargelang de pathologie wordt een dergelijke bandage 1 ŗ 2 maand gebruikt om de heupjes in flexie en abductie te plaatsen, zodat de femur kop een meer centrale positie in het heupkommetje kan aannemen en de heupkom zelf daardoor beter gaat ontwikkelen. Ondertussen kan het te soepele gewrichtskapsel verstevigen en aanspannen.

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    1-6 maand

    Behandelingen om de heupkop te centreren in de heupkom maken initieel gebruik van een Pavlik bandage of een meer rigide abductie spalk. Indien er echter geen verbetering optreedt binnen de 3 ŗ 6 weken (wat toch eerder zeldzaam is), kan er beslist worden om het kindje onder een algemene narcose te brengen en te trachten de heupkop meer centraal in de heupkom te plaatsen (gesloten reductie). Indien de gesloten reductie succesvol is zal een bekken beengips of heup spica worden aangelegd. Gemiddeld zal deze laatste voor 4 maanden worden gebruikt (met een gipswissel onder narcose na twee maand).

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    6 maandĖ2 jaar

    Bij eerder jonge kinderen zal men nog steeds trachten de heup te onderzoeken onder een algemene narcose om na te gaan of door middel van een gesloten reductie de heupkop centraal in het kommetje kan worden gebracht. Hoe ouder het kind hoe langer echter de eraan verbonden gipsperiode zal worden door de tragere groei en remodellering van de heupkom. Indien het groeipotentieel van het acetabulum te sterk is verminderd kunnen ingrepen worden geassocieerd die het acetabulum zelf heroriŽnteren (bvb Salters osteotomie) en daardoor de gipsperiode opnieuw verminderen.

    In enkele gevallen kan men geen gesloten reductie meer bekomen en gaat men over tot een chirurgische ingreep waarbij de normale gewrichtsverhoudingen tussen femur kop en acetabulum worden hersteld (open reductie).

    2 jaar en meer

     

      Meestal zijn er nu vrij belangrijke beenderige afwijkingen ontstaan en is de groeicapaciteit van het acetabulum dermate verminderd dat gesloten reductie geen optie meer is. Meestal is er nood aan een vrij uitgebreide chirurgische ingreep die bestaat uit een klassieke open reductie gecombineerd met een chirurgisch herstel van de normale beenderige verhoudingen van femur kop en acetabulum, gevolgd door het aanleggen van een bekken beengips.

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Na een ingreep wordt een bekken beengips of heup spica aangelegd om de heupkop mooi gecentreerd te houden in de heupkom tijdens het helingsproces. Uw arts zal op regelmatige tijdstippen radiografieŽn laten verrichten om de positie van de heupkop in het acetabulum te controleren.

    Ook in een later stadium zullen nog radiografieŽn worden verricht om de groei van de heup te volgen en eventuele complicaties tijdig op te sporen en bij te sturen.

    Mogelijke Problemen

    Er kan als gevolg van de immobilisatie in de bekken beengips een geringe vertraging optreden in het zelfstandig lopen van het kindje. De spalken die gebruikt worden kunnen een huidirritatie opwekken.

    In eerder uitzonderlijke gevallen treden belangrijker groeistoornissen op ter hoogte van het dijbeen en de heupkop waardoor er toch een beenlengteverschil blijft bestaan. Om dergelijke problemen op te sporen is het belangrijk de follow-up verder te zetten tot een Skeletale maturiteit is bereikt.

     

    Kinderorthopedie.com ©

TERUG