![]() |
![]() |
Olympische Spelen
|
Antwerpen
|
Olympiade 1920
|
Belgen op de Spelen
|
Info
|
Hubert Van Innis (1866 - 1961)
Met vier gouden en twee zilveren medailles behoorde boogschutter Hubert Van Innis, de ‘Wilhelm Tell van Brabant' want afkomstig uit Elewijt, tot de absolute uitblinkers van het tornooi.
Maar zelfs lang daarvoor, op de Spelen van Parijs (1900), behaalde hij reeds tweemaal goud, tweemaal zilver en een vierde plaats. Voor het doelschieten op 28 m mocht elk land zijn beste schutter uit de ploegenwedstrijd afvaardigen. Men beschikte over 20 pijlen in 10 ronden, met een maximumscore van 180 punten. Van Innis won op overtuigende wijze van de Fransman Léonce Quentin. Op te merken valt dat de beste Nederlandse schutter uit deze teamwedstrijd, Janus Theeuwes, niet voorkomt in de individuele uitslag. Van Nederlandse zijde was deze afwezigheid simpel te verklaren: "Om Hubert Van Innis, een rijke bierbrouwer uit Brussel, aan een gouden plak te helpen, werd de concurrentie wijsgemaakt dat deze wedstrijden niet door zouden gaan. Toen iedereen, behalve Van Innis en de zwakke Fransman Quentin, naar huis was, werd er toch geschoten met voornoemd tweetal als enige deelnemers. Zo won Van Innis goud en Quentin zilver. De hele sfeer rond het boogschieten was hierdoor enigszins beladen geworden, wat blijkt uit het feit dat bij de landenwedstrijden door het publiek anti-Nederlandse liederen werden aangeheven als de Nederlanders moesten schieten".
Eenzelfde systeem werd gehanteerd in de 33 m-proef. Ook hier haalde Van Innis het eerder gemakkelijk, nu van zijn Franse tegenstander Julien Brulé.
Brulé zocht en vond zijn revanche in de 50 m-proef. Alhoewel Van Innis zich voor de finale wist te kwalificeren met een veel betere score dan Brulé, toch moest hij in de individuele finale het onderspit delven. Tot op de dag van vandaag heeft geen enkele Belg Van Innis’ record van tien olympische medailles gebroken, een indrukwekkende prestatie. Van Innis begon reeds op zijn negende met boogschieten en op zijn veertiende won hij al zijn eerste internationale wedstrijd: de Grote Prijs van de Koningin van Nederland. Hij kreeg als, toen gangbare trofee, een zilveren tafelbestek. Hij zou er in zijn carrière zo'n 350 verzamelen. Enkel tijdens zijn vier jaar lange legerdienst (van 1886 tot 1890) stond het boogschieten op een laag pitje. In 1904, te le Touquet, vestigde hij een record in het afstandschieten met een schot van 256,89 m. Van Innis werd een gerenommeerd boogschutter, schrik voor de tegenstanders die zich bij voorbaat verloren wisten. Dat hij ook bezeten was van zijn sport bewees Van Innis door, te paard, meerdere schietingen op een dag aan te doen. Toen hij op latere leeftijd wat stijfheid in de linkerarm kreeg oefende doorzetter Van Innis om de boog met de rechterarm te richten. Van Innis beheerste dan ook een halve eeuw lang het internationale boogschieten. Op zijn 67ste werd hij zelfs nog wereldkampioen in Londen. Van zijn medailles blijft veel minder over. Hij had immers de gewoonte om zijn plakken weg te geven aan 'Jan en alleman'. Enige decadentie was Van Innis echter niet vreemd. Toen hij in 1902 de eerste overdekte staande wip van het land liet oprichten, maakte hij zijn restaurant op de Vlaamse Steenweg – dat zijn familie uitbaatte – klaar voor de feestelijkheden. Hij liet de zaal niet schrobben met zeepsop, maar met onverdunde champagne! Van Innis was zo bekend dat zelfs koning Leopold II naar zijn zaak kwam afgezakt om hem een prijs te overhandigen. De vorst, die natuurlijk graag een staaltje van Van Innis' kunnen wilde zien, vroeg Van Innis ermee op te houden ..., nadat hij liefst 42 rozen na elkaar had geschoten. De koning had genoeg gezien. Nog bij zijn leven werd in Zemst een standbeeld opgericht voor de record-boogschutter. Op zijn 94ste verdween Van Innis spoorloos. Na lang zoeken werd hij in de omgeving van Charleroi teruggevonden. Hij stierf te Zemst in een tehuis voor bejaarden. Ter ere van deze uitzonderlijke kampioen werd op de Tervuursesteenweg in Elewijt een monument opgericht.
|