![]() |
![]() |
Olympische Spelen
|
Antwerpen
|
Olympiade 1920
|
Belgen op de Spelen
|
Info
|
|
Openingsceremonie
Naweeën van 'den Grooten Oorlog' Antwerpen kreeg in 1920 dan wel de titel van olympische stad maar de naoorlogse periode bracht sowieso een aantal gevoeligheden aan de oppervlakte. In januari 1920 dienden de uitnodigingen voor de Spelen te worden verstuurd, maar schreef de Coubertin "... het was pas luttele weken geleden dat de laatste Duitse soldaat België had verlaten. Het gezond mensenverstand liet uitschijnen dat het onvoorzichtig zou zijn om voor 1924 een Duitse ploeg in het stadion te laten aantreden". Baron de Coubertin nam m.a.w. zelf geen beslissing maar schoof de beslissing door naar het organisatiecomité. Er werd uiteindelijk geen uitnodiging aan de oorlogsagressor Duitsland en zijn bondgenoten Oostenrijk, Hongarije, Bulgarije en Turkije gezonden. Ook het bolsjewistische Rusland van Lenin werd niet uitgenodigd. Maar ook de littekens van 'den Grooten Oorlog' waren in 1920 nog duidelijk zichtbaar in België.
Zo getuigde de toen 14-jarige olympische duikkampioene Aileen Riggin in een later interview:
"Yes, we went to the battlefields when the Games were over. That was out in Ypres. I forget
the names of the other towns that were just completely destroyed. There was nothing left,
absolutely nothing. That was absolutely devastating, nothing remaining, just rubble.
We walked around the battlefields. Nobody told us not to pick up things, so we ended up with
half-a-dozen German helmets. I finally got down to one that I brought home. I picked up lots of bullets.
I don’t know if they were exploded or not. We just picked up anything that was available. I looked in
all the pill boxes. There was a thin vale of oil floating everywhere – on the water, everything was
covered with water, and then floating on top of that was floating some oil. And I looked in one little
place and I picked up a boot. There were lots of heavy German boots around. I picked up one that had
a foot in it, so I dropped it in a hurry. A decomposed foot...".
In 'Olympic Games of Antwerp', een episch gedicht dat trouwens de zilveren medaille won in de categorie
literatuur van de kunstwedstrijden, beschreef het Britse IOC-lid Sir Theodore Cook de Olympische Spelen van Antwerpen als rituele begrafenisspelen als herinnering aan de gesneuvelden van WO I.
Enkele maanden voor de opening van de Spelen werd in Antwerpen nog een betoging gehouden tegen de deelname van Duitsland. In deze naoorlogse periode kende het nationalisme hoogtij. Heel wat soldaten die hadden gestreden tijdens WO I deden mee aan de Spelen. Voor de toegangspoort tot het olympisch stadion prijkte in plaats van een atleet-discuswerper zelfs een Belgisch soldaat-granaatwerper. Op de sokkel stond bovendien 11 november 1918, einde van WO I, en niet de openingsdatum van de Spelen.
Huisvestingsproblemen Mede als gevolg van WO I blonken de Spelen in 1920 in Antwerpen niet uit van luxe. De stad likte nog de wonden van het voorbije oorlogsgeweld. Heel wat onvrede ontstond er in verband met de huisvesting van de atleten. De Amerikaanse atleten waren al ontevreden in Antwerpen gearriveerd. De oorspronkelijk gecharterde 'USS Northern Pacific', een up-to-date en snelvarend lijnschip, beschadigd geraakt tijdens haar trip naar New York, werd vervangen door de 'Princess Matoïka' dat tijdens de oorlog was gebruikt om
lijken van gevallen soldaten te repatriëren.
Overal hing een scherpe formolgeur waar veel sporters ziek van werden en met lege flessen werd klopjacht gemaakt op de ratten aan boord.
Enkel de Amerikaanse zwemsters, de coaches en de officials werden ondergebracht in eersteklaskajuiten. De atleten werd aangemaand de moeilijkheden te aanvaarden "in the spirit of sportmanship and of making the best of things". Oorlogsveteraan en zwemmer Norman Ross was de spreekbuis van de atleten tijdens deze 'mutiny of the Matoika'. Het dek van de Matoika was nochtans ingericht als een sportcentrum met een korte looppiste, een canvaszwembad (ca. 3 m op 4 m) en een ruimte voor het kogelstoten. De discus en de speer werden met een kabel aan het schip verbonden om het terug te kunnen recupereren, de paarden aan boord werden tot tweemaal per dag op het dek gelucht.
De Amerikaanse US-Navy-atleten maakten de 14-daagse overtocht in heel wat betere omstandigheden aan boord van de 'USS Frederick', een oorlogskruiser.
In Antwerpen werden de vrouwelijke Amerikaanse atleten ondergebracht op de vijfde verdieping van het YWCA (Young Women’s Christian Associaton)-gebouw, met vestiging in Antwepen vanaf 1919. In elke slaapzaal stonden een zestal bedden. Hun mannelijke collega's vonden onderdak in een stadsschool aan de Oudaan. Maar ook hier ging de herrie verder: gebrek aan privacy, geen warm water, ondermaats 'continental breakfast', veel te harde veldbedden met oorlogskussens gevuld met hooi, ... De Franse atleten hadden hun eisen reeds voor hun vertrek bekendgemaakt: "... un logement confortable, une nourriture suffisante et une attitude plus sportive de la part des dirigeants".
De Nederlandse voetballers werden dan weer ondergebracht aan boord van de 'Hollandia', een muffe, te
kleine boot op de Schelde waar niets te beleven was. Zuippartijen en baldadig gedrag waren het gevolg.
Zo werden de grammofoonplaten die ze hadden gekregen om het leven aan boord wat op te vrolijken eerst
met jam ingesmeerd en dan overboord gekeild. Toen ze nadien dan nog gedurende twee nachten het
Antwerpse nachtleven indoken volgden er schorsingen en schreef de Nieuwe Rotterdamse Courant over "De Schande van de Schelde!".
Maar ook de Zweden lieten hun onvrede blijken omdat ze in schoollokalen dienden te slapen, waarvoor bovendien nog betaald moest worden. Sommigen waren daarom op eigen kosten op hotel gegaan maar moesten vervroegd naar huis terugkeren omdat hun geld op was. De Nieuw-Zeelanders verbleven dan weer in "... an obscure hotel on the waterfront" terwijl de Australiërs in een door een gracht omgeven oud kasteel werden ondergebracht. De Japanse amateurs hadden uit eigen zak hun heenreis kunnen financieren en moesten beroep doen op sponsoring van de Mitsui- en Mitsubishifabrieken om terug thuis te geraken.
Minder opwinding en zorgen voor de Nieuw-Zeelandse delegatie op weg naar Antwerpen. Het was tevens de eerste autonome Olympische deelname van Nieuw-Zeeland. Het team bestond slechts uit vier atleten. Het eerste deel van de trip,van Auckland naar Wellington, werd per trein afgelegd. Met de 'Manuka' werd dan naar Sydney gezeild waar ze aan boord gingen van de lijnboot 'Euripides'. Maar in Melbourne liep het schip zes dagen vertraging op en arriveerde alzo laattijdig in Durban. Uiteindelijk werd Antwerpen, slechts enkele dagen voor de openingceremonie bereikt, na een trip van liefst negen weken en vijf dagen.
Voor veel atleten waren deze Spelen een nieuwe kennismaking met België. Ook zo voor roeier Darcy Hadfield. In dienst bij het eerste bataljon van de Auckland-infanterieregiment raakte hij in 1917 gewond bij de verschrikkelijke Slag bij Passendaele. Officiële openingsplechtigheid De eigenlijke wedstrijden begonnen op 23 april 1920 met de confrontatie tussen België en Zweden in het ijshockeytornooi en de schaatswedstrijden. In de maand mei werd, als omlijsting van de olympiade in Antwerpen, een Floraliëntentoonstelling gehouden in de omgeving van de vroegere Koloniale Hogeschool.
Dat het volop feest was in Antwerpen mag blijken uit feit dat naar aanleiding van deze Olympsche Spelen, Antwerpen, gekend als 'Stad der Stoeten', een grootse 'ommegang' organiseerde. Drie zondagen na elkaar trok in augustus 1920 de Reus samen met de Reuzin, de Walvis en de drie Dolfijnen door de stad. Bij de rondgang van 22 augustus brak een hevig onweer los met regenvlagen en rukwinden, waarbij in de Gasstraat de Reus zijn kop zelfs kwijtspeelde.
Maar pas op zaterdag 14 augustus 1920 vond de officiële openingsceremonie plaats. 's Morgens ging kardinaal Mercier voor in een religieuze dienst, gehouden in de Antwerpse kathedraal. Er werd een 'De Profundis' gezongen ter ere van de atleten gestorven voor het vaderland en een 'Te Deum'. Nadien hield hij nog een toespraak waarin hij zich rechtstreeks richtte tot de atleten. De kardinaal wees de atleten op hun verantwoordelijkheid. Sport, zo stelde hij, was geen ijdel spel. Discipline, respect voor gezag en loyaliteit waren sleutelwoorden en zorgden ervoor dat ‘atletiek geen ruwe, hooghartige vertaling van de Nietzscheaanse levensopvatting zou worden’. De voorbije oorlog – waarin Mercier een cruciale rol speelde als morele tegenkracht tegen het Duitse bezettingsleger – had dat afdoende bewezen. De olympiade was nu een voorbereiding ‘op de vrede… of op de mogelijke verschrikkingen die zich aan de horizon ophouden’. De tekst van zijn toespraak werd later uitgegeven in de tweetalige brochure 'Aux Athlètes / To the Athletes' waarbij hij echter over het hoofd zag dat er ook vrouwelijke atleten voor de Spelen present tekenden. In de namiddag, vanaf 14:00 uur, vond dan in het verbouwde Beerschotstadion de grote openingsplechtigheid plaats in aanwezigheid van koning Albert I, die het uniform droeg waarin hij tijdens WO I het Belgische leger had aangevoerd. De ganse koninklijke familie, met de prinselijke kinderen Marie-Josée, Leopold en Karel, arriveerde om kwart voor twee vanuit Brussel per trein. De spoorlijn Antwerpen-Brussel liep vanuit het Zuidstation langs de Boomsesteenweg en kruiste er wat later de VIIde Olympiadelaan zou gaan heten. Op dat kruispunt werd een gelegenheidsstationnetje gebouwd van waaruit de koning te voet naar het olympisch stadion wandelde.
Nadien volgde de traditionele optocht van de delegaties van de 29 deelnemende landen. De publieke belangstelling, vooral op de volksstaanplaatsen, was erg beperkt. Niet alleen waren de toegangsprijzen erg hoog (3 frank voor een volksstaanplaats en 10 frank voor een zitplaats op de tribune), het is eveneens duidelijk dat de gewone inwoner van de stad, in deze naoorlogse periode, andere zorgen had dan het bijwonen van dit mondaine spektakel. Een mooie schets van de ganse openingsceremonie is te vinden in de Nederlandse krant 'Het Vaderland' van maandag 16 augustus 1920.
Een werkelijk uniek document is een filmpje, zonder geluid, over deze openingsplechtigheid, te bekijken op de website van het IOC. Klik op de foto hieronder om de link te activeren.
Voor de gewone burger waren er twee toegangen tot het stadion. Men kon met een tramticket van 20 centiemen met tram 2 langs de Jan Van Rijswijcklaan rijden, doch deze hield op aan de wallen van de Wezenberg en de Wilrijksevest. Van daar moest men te voet verder langs de Wilrijkse plein naar het stadion op het Kiel. Ofwel kon men de tramijnen 21, 24 of 26 nemen die van het Centraal Station over de Leien en de Brederodestraat naar het Kiel reden. De olympische vlag
Nadat de atleten hun intrede in het stadion hadden gedaan mochten de aanwezigen genieten
van een eerste primeur voor deze Spelen: het hijsen van de olympische vlag.
De idee van dit olympisch symbool werd reeds in 1914, tijdens het congres van Parijs, aangenomen. Pierre de Coubertin zou de vlag zelf ontworpen hebben, vertrekkende van een antiek Grieks symbool. De eerste olympische vlag werd het stadion ingebracht door de Amerikaanse duiksters Alice Lord en haar landgenote Aileen Riggin. Vanaf 1920 wordt de vlag, een geschenk van het Belgische volk, tijdens de openingsplechtigheid aan de burgemeester van de gaststad overhandigd. Bij het einde van de Spelen wordt de vlag doorgegeven aan de burgemeester van de volgende gaststad van de Spelen. Rond die 'Antwerpse vlag' is veel te doen geweest. Reeds na twee dagen werd ze immers ontvreemd door enkele atleten die er een mooie herinnering in zagen. Het betrof hier echter niet de originele vlag maar een van de vele exemplaren die de Antwerpse straten sierden. Tachtig jaren later, naar aanleiding van de Spelen van 2000 in Sydney, werd de vlag door een van de toenmalige daders, Haig "Harry" Prieste, lid van het duikteam van de Verenigde Staten en winnaar van een bronzen medaille, terug aan de voorzitter van het IOC overhandigd.
De olympische eed
Een andere belangrijke primeur tijdens deze openingsplechtigheid betrof de olympische eed.
De olympische eed, waarvan het principe al was aanvaard op het congres van Athene 1906, werd voor het eerst uitgesproken in Antwerpen. De Belgische schermer en latere voorzitter van het Belgisch Olympisch Comité, Victor Boin (1886-1974), genoot de eer dat te mogen doen. Met de rechterhand gestrekt en de Belgische driekleur in de linkerhand sprak Victor Boin in naam van alle deelnemers volgende woorden uit: "Au nom de tous les concurrents, je promets que nous prendrons part à ces jeux Olympiques en respectant et en suivant les règles qui les régissent dans un esprit de sportivité pour la gloire du sport et l'honneur de nos pays". Deze eed werd in 1961 lichtjes gewijzigd. Zo werd het woord 'zweren' vervangen door 'beloven' en de uitdrukking 'voor de eer van onze landen' door 'de eer van onze ploegen'. Sedert de Spelen van München (1972) leggen ook de scheidsrechters en de juryleden de eed af.
"En toen tweehonderd Zweedse zangers ons vaderlands lied aanhieven, gedragen door het geluid van Thebaanse trompetten en jachthorens, trilden alle vaderlandse harten. Daarna zongen Vlaamse zangers 'Naar wijd en zijd' onder leiding van Flor Alpaerts. Er klonken kanonschoten, de manden met vredesduiven werden geopend, de opvliegende duiven werden opgeschrikt door de aanhoudende salvo's: een indrukwekkend schouwspel..."
Laten we ook even Leon Ramault aan het woord. Hij werkte als redacteur bij "Sportwereld", onder de leiding van de legendarische Karel Van Wijnendaele.
|