Olympische Spelen - Antwerpen 1920      

Boogschieten

Boogschieten als georganiseerde sport is ontstaan toen de boog als gevechtswapen in onbruik geraakte. Het schieten met de boog heeft zich in West-Europa vooral gehandhaafd in de schuttersgilden, die reeds in de middeleeuwen ontstonden.

In 1900 werd boogschieten op het programma van de Olympische Spelen van Parijs gezet. Ook in St.-Louis 1904, Londen 1908 en Antwerpen 1920 werd met pijl en boog geschoten.
Evenwel bestonden toen nog geen internationaal aanvaarde regels zodat de wedstrijden door het gastland naar eigen goeddunken werden georganiseerd wat uiteraard in het voordeel was van de deelnemers uit dat land. Mede door dit gebrek aan uniforme regels werd boogschieten na de Spelen van 1920 van het programma afgevoerd. Pas in München 1972 werd de discipline weer in ere hersteld.

Tijdens de Spelen van Antwerpen werd er geschoten volgens de twee in België geldende disciplines, namelijk het vast vogeldoel (staande wip) en het doelschieten. Beide proeven werden bovendien in verschillende varianten en zowel individueel als per ploeg georganiseerd. Aangezien veel landen, o.a. de Engelsen, daar niet van hielden bleven ze van de Spelen weg. Uiteindelijk namen slechts 14 Belgen, 8 Fransen en 8 Nederlanders deel aan de competitie.

België als organiserend land zag hier dé kans om een massa medailles binnen te rijven. Wanneer we alle disciplines, ook de teamwedstrijden, meetellen komen we uit op 26 individuele gouden, 11 zilveren en 2 bronzen plakken.

Op de staande wip van 31 m hoog werd geschoten, zowel individueel als per ploeg van zes schutters (met 2 vervangers). Er waren twee schietingen, een naar het 'klein vogeldoel', kleine vogels geplaatst op vier horizontale sprangen, en een 'grote vogel', hoofdvogels waarbij de oppergaai voor 5 punten telde, de twee zijvogels voor 4, de twee 'kalvogels' voor 3 en de acht 'guetteurs' voor 2 punten. Elke schutter kreeg twintig pijlen.

Bij het doelschieten werd ook individueel als per ploeg van acht schutters (met 2 vervangers) gekampt en dit op de afstanden 28 m, 33 m en 50 meter. Daarbij werden gedurende twee opeenvolgende dagen telkens dertig pijlen afgeschoten, plus twee proefschoten.

De wedstrijden werden georganiseerd in het Nachtegalenpark te Wilrijk (andere bronnen spreken verkeerdelijk van het Kamp van Hoogboom en het Kamp van Beverlo) tussen 3 en 5 augustus 1920.


Vast vogeldoel, kleine vogel
1 Edmond VAN MOER BEL 11  
2 Louis VAN DE PERCK BEL 8  
3 JOSEPH HERMANS BEL 6  
 
Vast vogeldoel, kleine vogel - team
1 BEL   25  
  slechts 1 team nam deel      
 
Vast vogeldoel, grote vogel
1 Edmond CLOETENS BEL 13  
2 Louis VAN DE PERCK BEL 11  
3 Firmin FLAMAND BEL 7  
 
Vast vogeldoel, grote vogel - team
1 BEL   31  
  slechts 1 team nam deel      
 
Doelschieten 28 m
1 Hubert VAN INNIS BEL 144  
2 Léonce QUENTIN FRA 115  
  slechts 2 deelnemers      
 
Doelschieten 28 m - team
1 NED   3 087  
2 BEL   2 924  
3 FRA   2 328  
 
Doelschieten 33 m
1 Hubert VAN INNIS BEL 139  
2 Julien BRULE FRA 94  
  slechts 2 deelnemers      
 
Doelschieten 33 m - team
1 BEL   2 958  
2 FRA   2 586  
  slechts 2 teams namen deel      
 
Doelschieten 50 m
1 Julien BRULE FRA 134  
2 Hubert VAN INNIS BEL 106  
  slechts 2 deelnemers      
 
Doelschieten 50 m - team
1 BEL   2 701  
2 FRA   2 493  
  slechts 2 teams namen deel      

Het overzicht van de behaalde medailles:
Land
Deelnemers
Totaal
België
14
8
4
2
14
Frankrijk
8
1
4
1
6
Nederland
8
1
-
-
1