Martial Van Schelle (1899-1943)
Geboren in Merksplas maakte Brusselaar Van Schelle een deel van zijn jeugd door in de Chicago, USA (1904-1918).
Zijn moeder Annie werd gedood aan boord van de RMS Lusitania toen die in 1915 tot zinken werd gebracht door een Duitse U-boot. Dit was voor hem de aanleiding om toe te treden tot de Amerikaanse Expeditionary Force. In 1918 landde hij met dit Amerikaanse vrijwilligerskorps op de Franse kust. Na het einde van de vijandelijkheden van WO I, bleef Van Schelle in België om te helpen bij de heropbouw van de natie.
Zijn olympisch debuut komt er tijdens de reeksen van de 100 m vrije stijl op de Spelen van 1920. Tussen 1920 en 1928 nam hij deel aan drie opeenvolgende Olympische Spelen. In 1924 werd hij opnieuw uitgeschakeld in de reeksen van de 4 x 200 m aflossing. En het overkwam hem nogmaals in 1928. Maar ook de reeksen van de 100 m vrije stijl overleefde hij niet.
Als lid van Royal Brussels Poseidon wist hij niet minder dan zestien nationale zwemtitels te behalen. In 1932 stopte hij zijn zwem- en waterpolocarrière.
Maar ook de ijssporten waren hem niet vreemd. In de periode 1933-1935 was Van Schelle in het Brusselse er de grote figuur. Hij was eigenaar van twee Brusselse ijsbanen en organiseerde erg succesrijke ijsgala's en ijshockeywedstrijden.
In 1936 haalde hij samen met Max Houben een negende plaats tijdens de olympische tweemansbobproef. En in de viermansbob werd een vijfde plaats in de wacht gesleept.
Maar Martial Van Schelle was ook luchtvaartfanaat (hij nam zowel in 1933 als in 1938 deel aan de Gordon Bennett Cup ballonwedstrijd) en vooral zakenman. Hij zette een keten van snelschoenmakerijen op en in Brussel opende hij de sportwinkel Van Schelle Sports.
Ten gevolge van een conflict met de Duitse bezetter werd hij op 15 januari 1943 aangehouden en twee maanden later te Breendonk gefusilleerd, samen met negen anderen, waarbij ook enkele leden van zijn verzetsgroep.