|
|
Deze tekst is met toestemming overgenomen van : de NICE site en is geschreven door : Dr. Asker E. Jeukendrup. Een goed uitgebalanceerde voeding en het gebruik van de juiste
sportvoedingssupplementen (meestal koolhydraatrijke dranken) op het juiste
moment kan het prestatievermogen aanzienlijk verbeteren. Een slecht of
nonchalant voedingspatroon leidt daarentegen tot een onvoldoende herstel en
verminderde prestaties. Reeds in 1939 werd aangetoond dat koolhydraten een belangrijke brandstof vormen voor intensieve inspanningen en dat een koolhydraatrijke voeding het prestatievermogen positief kan beïnvloeden (2). Aan het einde van de jaren 60 werd een verband vastgesteld met de koolhydraatvoorraden in de spieren (spierglycogeen) (6). Daarop werden voor atleten de zogenaamde supercompensatiediëten ontwikkeld met de bedoeling de spierglycogeenvoorraden te kunnen optimaliseren. Wat koolhydraatdranken betreft werd er al in 1923 mee geëxperimenteerd,
namelijk tijdens de marathon van Boston (14). Pas later, in de jaren 80, werd op
basis van onderzoeken duidelijk dat het gebruik van dergelijke supplementen
tijdens de inspanning een constante bloedsuikerspiegel en een hogere
koolhydraatverbranding bevorderen wat kan resulteren in een prestatieverbetering
van 10 tot 30%, afhankelijk van de soort en de duur van de inspanning. De laatste jaren is er ten slotte veel belangstelling voor allerlei andere supplementen waarvan wordt beweerd dat ze de prestaties verbeteren, het herstel versnellen, het vetverlies bevorderen enz. Onderzoek geeft aan dat de meeste van deze supplementen geen effect hebben, op een paar uitzonderingen na. Creatine heeft de laatste jaren waarschijnlijk de meeste aandacht gekregen. Andere supplementen zijn bijvoorbeeld MCT (medium chain triglycerides), carnitine, coenzym Q10, glutamine, vertakte keten-aminozuren en chromiumpiccolinaat. Koolhydraten tijdens inspanning Het is algemeen bekend dat een aangepaste koolhydraatinname tijdens langdurige inspanningen het prestatievermogen verbetert (3). Recent werd aangetoond dat ook inspanningen die slechts ongeveer een uur duren hieruit voordeel kunnen halen (7). Het werkingsmechanisme is nog niet geheel duidelijk.
Zij hebben een verschillende verbrandingssnelheid tijdens inspanning en kunnen daardoor meer of minder effectief zijn als een prestatiebevorderend of ergogeen hulpmiddel. Op basis van stabiele isotoopmetingen blijkt dat glucose, maltose, sucrose, maltodextrine en amylopectine ongeveer met dezelfde snelheid worden verbrand (tot maximaal 1 g/min). Fructose en galactose worden 25 tot 50% minder snel verbrand, waarschijnlijk omdat ze eerst moeten worden omgezet in glucose alvorens ze kunnen worden verbrand. Amylose wordt eveneens slechts langzaam verbrand mede als gevolg van een tragere absorptie. Goed uitgekiende combinaties van koolhydraten met verschillende transport- en absorptiemechanismen zouden de totale koolhydraatverbranding kunnen optimaliseren (1). Er is echter meer onderzoek nodig naar deze ideale koolhydraatverhoudingen voor sportdranken. Fructose en amylose kunnen ten slotte maag-darmproblemen veroorzaken wanneer ze in te grote hoeveelheden worden ingenomen. De tolerantiegrens is individueel echter sterk verschillend. Sommigen verdragen fructose en amylose zeer slecht en ondervinden bij een inname van bijvoorbeeld 20 g reeds problemen, anderen hebben van 70 g nog geen last. Koolhydraatsupplementatie en het immuunsysteem Koolhydraatsupplementatie tijdens inspanning kan de onderdrukking van het immuunsysteem tegengaan dankzij onder meer een lagere cortisolrespons tijdens inspanning. Cortisol is een stresshormoon dat vooral wordt uitgescheiden als gevolg van verstoringen van de homeostase. Ofschoon cortisol nodig is voor het normaal functioneren van het immuunsysteem kunnen te hoge concentraties een immunosuppressie veroorzaken. Koolhydraten verminderen de verstoringen in de homeostase en kunnen zodoende een immunosuppressie tegengaan. MCT's De laatste jaren werd veel onderzoek gedaan naar voedingsingrepen die de
verbranding van vetten stimuleren en de glycogeenvoorraden sparen. Een van de belangrijkste vetbronnen tijdens inspanning zijn de vrije vetzuren in het bloed. Het gebruik van MCT's (medium chain triglycerides) zou de vrije vetzuurspiegels kunnen verhogen. Uit een reeks onderzoeken aan de Universiteit van Maastricht bleken MCT's de maaglediging niet te vertragen (in tegenstelling tot lange ketenvetten). Daarnaast komen MCT's snel beschikbaar in de bloedbaan en kunnen ze snel worden verbrand. Een nadeel was echter dat de inname van grote hoeveelheden MCT's (meer dan 10 g/uur) maag-darmproblemen veroorzaken zoals krampen en diarree en op die manier zelfs aanleiding kunnen geven tot een verminderd prestatievermogen (8,12,13). Van kleine hoeveelheden werd weinig of geen effect op de vrije vetzuurconcentratie en op het spierglycogeen vastgesteld. Een rapport van de Universiteit van Kaapstad in Zuid-Afrika heeft ten slotte aangetoond dat atleten die MCT's in grotere hoeveelheden kunnen verdragen, hiervan mogelijk wel een positief effect op hun prestatievermogen kunnen ondervinden (18). Meer onderzoek kan interessant zijn. Vetrijke diëten Een andere manier om de vetzuurconcentratie in het bloed op te drijven en de vetverbranding te stimuleren is een vetrijke voeding. De toepassing van een vetrijke voeding (>60 energie% vet) gedurende 3 tot 5 dagen blijkt het prestatievermogen echter negatief te beïnvloeden omdat de spierglycogeenconcentraties achterblijven. Dit is ook de reden waarom atleten altijd wordt aangeraden een koolhydraatrijke voeding te nuttigen (>60 energie% koolhydraten). Hierbij werd echter gesuggereerd dat het mogelijk slechts een kwestie is van aanpassing en dat na enkele weken te zijn overgeschakeld, een vetrijke voeding het prestatievermogen wel zou kunnen verbeteren. De laatste jaren heeft een aantal onderzoeken zich op deze hypothese toegelegd en het effect van een vetrijke voeding gedurende 2 tot 7 weken op het prestatievermogen onderzocht. Zij komen tot de conclusie dat het prestatievermogen niet meer negatief wordt beïnvloed door een vetrijke voeding na een adaptatie van 3 tot 4 weken (9-11). Er is echter maar één onderzoek dat ook positieve effecten laat zien van een vetrijke voeding op het prestatievermogen. Dit effect werd bovendien gevonden bij een zeer lage inspanningsintensiteit wat de praktische relevantie van deze bevinding ondermijnt. Een onderzoek dat de effecten van een vetrijke voeding onderzocht bij personen die een trainingsprogramma volgden, stelde vast dat de training na 7 weken stagneerde terwijl de prestaties van personen die een koolhydraatrijke voeding nuttigden verder verbeterden (4, 5). Er is dus onvoldoende wetenschappelijke basis om vetrijke voedingen aan te raden aan atleten. Glutamine, overtraining en het immuunsysteem Zware inspanningen of training worden vaak in verband gebracht met
immunosuppressie. Atleten die een marathon hadden gelopen bleken vaker een
verkoudheid of griep te ontwikkelen dan controlepersonen die niet aan een
marathon hadden deelgenomen. Vertakte ketenaminozuren Onlangs werd een hypothese gelanceerd door Prof. Eric Newsholme waarin het aminozuur tryptofaan in verband werd gebracht met een centrale vermoeidheid (15) die haar oorspong vindt in het centrale zenuwstelsel (vaak in de hersenen). Tryptofaan, een aminozuur dat terug te vinden is in de bloedbaan, is de precursor van de neurotransmitter serotonine. Tijdens inspanning daalt de concentratie van de vertakte ketenaminozuren
(BCAA) leucine, isoleucine en valine terwijl de concentratie van vrij tryptofaan
in het plasma toeneemt. Deze verandering is onder meer het gevolg van een
stijging van de vetzuurconcentraties in het plasma tijdens inspanning waarbij
ook tryptofaan uit zijn binding met albumine wordt verdreven. Het resultaat is
dus een verhoogde ratio 'vrij tryptofaan/BCAA'. In een groot aantal studies werd deze hypothese de laatste jaren getest. In
een goed gecontroleerde studie bestudeerden van Hall en collega’s (17) het
effect van BCAA-supplementatie op duurprestatie op 70-75%VO2max (VO2max
is een maat voor de intensiteit van de inspanning). Er werd geen verschil
gevonden in duurvermogen tussen een 6 % sucroseoplossing, een 6 %
sucroseoplossing met 6 g/l BCAA en met 18 g/l BCAA. Een tryptofaansupplementatie
(6 % sucrose met 3 g/l tryptofaan) had evenmin effect op het prestatievermogen.
Andere onderzoeken kwamen tot dezelfde conclusie. Creatine Creatine heeft de laatste jaren enorm veel aandacht gekregen, niet alleen van
wetenschappers, maar ook van de media. Het kwam voor het eerst in de media toen
de Britse atleten, onder wie Linford Christie, zeer goed presteerden op de
Olympische Spelen in Barcelona. Ze gebruikten allemaal creatine. Creatine kan dus alleen effect hebben bij bepaalde personen en bepaalde soorten inspanningen. Creatine zal prestatieverhogend werken bij herhaalde explosieve inspanningen en wanneer het wordt ingenomen in de juiste doseringen en de maximale spiercreatineconcentratie nog niet is bereikt.
Waar komt de nodige energie vandaan?
De cellen gaan deze stoffen met de tussenkomst van zuurstof afbreken tot CO2 en water. De energie die hierdoor vrijkomt wordt opgeslagen in de vorm van ATP (adenosinetrifosfaat). Bij de afsplitsing van één van zijn 3 fosfaatmoleculen geeft ATP energie vrij die door de spier kan worden gebruikt om een inspanning te leveren. Naargelang de duur en de intensiteit van de inspanning kan het lichaam beroep doen op 3 verschillende energiesystemen om ATP te vormen en de opgeslagen energie om te zetten in mechanische energie.
Bron:
Uiteraard bestaan er nuances voor de verschillende types van sport en moet de voeding individueel worden aangepast aan de trainingsfrequentie. Bron: |
|