|
|
ERFELIJKHEID
Alhoewel in de duivensport het spel met de duiven
de meeste aandacht heeft, vormt de erfelijkheid de basis van de
continuiteit van de goede resultaten. Met een doordachte kweek en
een doorgedreven selectie bouw je aan de toekomstige successen.
Eind 2007 verscheen er in De
Duif een artikelenreeks over de erfelijkheid. Deze vormt de
basis van hetgeen ik hier neer zal schrijven. Er zijn al heel veel
boeken geschreven (zie verzameling)
over erfelijkheid, maar vaak zijn ze te ingewikkeld gemaakt zodat
ze vaak alleen maar begrijpbaar zijn voor iemand die er zich al
jaren in heeft verdiept. Ik zal hier enkel de krijtlijnen weergeven.
- Kwalitatieve vererving
Indien we ons de vraag stellen hoe er een goede duif moet uitzien,
dan kunnen we met de kwanitatieve erfelijkheidswetten (grondlegger
Mendel) de perfectie benaderen. Sinds ongeveer 1920 komen beschrijvingen
van deze theorie voor in de duivenboeken en heeft sinds vele jaren
de basis gevormd van hoe er aan duivenkweek werd gedaan.
Kwantitatieve vererving is gericht op de erfelijkswetten van de
uiterlijke kenmerken. Zo wordt van deze kennis veel gebruik gemaakt
voor het kweken van sier- en tentoonstellingsduiven.
Dominante vererving
Recessieve vererving
Intermediaire vererving
Wisselende vererving
- Kwantatieve vererving
Sinds midden 1980 wint deze manier van kweken meer en meer aanhangers.
Het boek "De kunst van het kweken" van Prof. A. Anker
en Steven van Breemen (zie Winning)
hebben er toe bijgedragen dat de Mendelse vererving meer naar
de achtergrond verdween.
Additieve vererving
Niet-additieve vererving
- Wat moet er geobserveerd worden (selectie)
Tot zover de theorie. Wat betekent dit nu voor ons als duivenliefhebber?
Vitaliteit
Spierkwantiteit
Spierkwaliteit
Oogkleur
Oogpigmentatie
Pupilgrootte
Gezichtsuitdrukking
Vleugeleigenschappen
|