Stop vooroordelen over beroeps- en technisch onderwijs


In het middelbaar onderwijs zijn vorig jaar, midden in het schooljaar, 8.443 leerlingen nog snel van richting veranderd. Meer opvallend zijn de 8.999 leerlingen die tijdens het schooljaar voor een andere school hebben gekozen. Een en ander is vaak het gevolg van de verkeerde studiekeuze, vaak onder sociale druk of als gevolg van hardnekkige vooroordelen en de vaak onterechte negatieve beeldvorming over het technisch en beroepsonderwijs, stelt BRIGITTE DE PAUW.


De jongste tijd regent het weer negatieve berichten uit het beroeps- en/of technisch onderwijs. U herinnert zich nog de flamboyante berichtgeving over een leraar wiskunde in een Ukkelse school die bewusteloos geslagen werd door een van zijn leerlingen. Dergelijke berichten wekken (onterecht) doembeelden op van het technisch onderwijs.

We mogen niet ontkennen dat er 'probleemscholen' zijn, zoals we niet mogen ontkennen dat er problemen zijn in onze samenleving. Maar meehuilen met de wolven is niet de juiste houding. In de meeste technische en beroepsscholen is het zowel voor leerlingen als voor leerkrachten aangenaam er les te krijgen of te geven.

Een constructief debat over het technisch en beroepsonderwijs is nodig. Het is noodzakelijk dat de kloof tussen de werkvloer en de schoolbanken wordt gedicht. Een frequentere en intensievere uitwisseling tussen mensen uit de bedrijfswereld en leerkrachten kan daarbij helpen. De leerkracht neemt de plaats in van de stielman op de werkvloer, en de stielman geeft les aan de stielmannen in wording. De leerkracht behoudt op die manier zijn of haar feeling met de laatste ontwikkelingen en verwachtingen op de werkvloer en de leerlingen komen in contact met iemand die dagelijks de job uitoefent waarvoor ze studeren.

Die intensieve werkuitwisselingen kunnen de klacht ondervangen van bedrijfsleiders die stellen dat afgestudeerden niet meer voldoen aan de noden en vragen van de arbeidsmarkt. Afgestudeerden voldoen vaak niet in stiptheid, het respecteren van deadlines, communicatievaardigheid en teamwork, beweren de bedrijfleiders. Dankzij de werkuitwisselingen kunnen leerkrachten ondervinden dat dat belangrijke punten zijn op de arbeidsmarkt en kunnen ze daar ook meer nadruk op leggen in hun lessen. Er waren tot nu toe wel enkele proefprojecten voor dergelijke stages, maar dan telkens in de vakantie. Die stages moeten kunnen plaatsvinden tijdens de werkuren.

We moeten ons wel voor één gevaar hoeden: het is niet de bedoeling leerlingen op school op te leiden specifiek volgens bepaalde noden van bedrijven. Een algemene vorming blijft belangrijk. Scholen zijn niet louter rekruteringsvijvers.


Tijdelijk overstappen

Er moet over de hele lijn meer uitwisseling komen, meer wisselwerking tussen onderwijs en bedrijfswereld, en dat in samenspraak met de vakbonden, zodat bijvoorbeeld ook bedrijfsmensen tijdelijk of definitief kunnen overstappen naar het onderwijs zonder anciënniteit te verliezen.

Bovendien moet er een algemene herwaardering komen van het technisch en beroepsonderwijs. Voorlopig is het nog vaak zo dat leerlingen vanuit hun eigen interesses kiezen voor 'technisch' of 'beroeps', maar door hun ouders naar het algemeen secundair onderwijs worden gedreven. Uiteindelijk komen ze via het watervalsysteem dan toch in het technisch of beroepsonderwijs, wat door de omgeving wordt aangezien als het stranden op het 'laagste niveau'.

Niets is minder waar. Het volgen van technisch of beroepsonderwijs heeft niets te maken met 'laag' of 'hoog', wel met het invullen van de capaciteiten van jongeren en met het waarderen van hun talenten. Ook in het Brussels Gewest ken ik leerlingen en leraars die met enthousiasme spreken over 'hun' beroeps- en technisch onderwijs.

De auteur is Brussels volksvertegenwoordiger voor CD&V.


Deze opinie werd overgenomen door Patrick Luysterman in De TIJD van 03-02-2006


>Terug naar pers