Absolute
voorrang voor Nederlandstaligen
CD&V Brussel wil af van het Gelijke-Onderwijskansendecreet
(GOK). Nederlandstaligen moeten absoluut voorrang
krijgen. Dat lijkt me niet meer dan logisch in een omgeving
waar Nederlandstaligen sterk in de minderheid zijn,
zegt Vlaams parlementslid Paul Delva. Samen met Brussels
parlementslid Brigitte De Pauw schreef hij een opiniestuk.
De kampeertoestanden
aan de schoolpoort bij de recente inschrijvingsronde in
het Brusselse Nederlandstalige basisonderwijs blijven de
gemoederen van de ouders beroeren. En van de politici. CD&Vers
Delva en De Pauw vinden dat het GOK-decreet, waar CD&V
destijds tegen heeft gestemd, afgeschaft moet worden, of
minstens flink aangepast. Het principe van eerst
komt, eerst maalt heeft in Vlaanderen wellicht enkele
gunstige gevolgen, maar het past niet in Brussel,
zegt Delva. Het GOK-decreet is op maat van Vlaanderen
gemaakt. In Brussel heeft het een averechts effect.
Volgens
hem is de regeling er gekomen vanuit een wantrouwen tegenover
de schooldirecties, die men ervan verdacht blanke scholen
te willen creëren. Dat is niet juist. Ik ken
scholen waar de directies vroeger ook een sociale mix nastreefden.
Nu hebben de directies niets meer te zeggen en wij stellen
vast dat een aantal scholen er alleen maar blanker op is
geworden. Als de schooldirecties meer vertrouwen hadden
gekregen, dan zouden we een stuk verder staan met de gelijke
onderwijskansen.
Op
eer
Ook de Nederlandstaligen in Brussel hebben volgens Delva
weinig aan het GOK-decreet. Voor mensen die als thuistaal
Nederlands hebben, geldt nu een voorrangsregeling van 45
procent. De thuistaal wordt bepaald op basis van een verklaring
op eer. En het is geen geheim dat er Franstaligen
zijn die verklaren dat ze Nederlands spreken. Bovendien
zijn er na de inschrijving van de broertjes en zusjes, die
Nederlandstalig of anderstalig kunnen zijn, vaak nog maar
enkele plaatsen over.
Delva
vindt dat de voorrang voor Nederlandstaligen absoluut moet
zijn. Nederlandstaligen moeten terechtkunnen in de
school van hun eerste keuze. Vaak krijgen ouders die er
niet in slagen hun kinderen in te schrijven in hun voorkeursschool,
te horen dat er in Brussel nog zoveel andere goede scholen
zijn. Daar gaan wij tegenin. Als christendemocraten zijn
wij zeer gehecht aan het fundamentele basisrecht van de
vrije schoolkeuze. Ouders die bewust voor een school kiezen,
bijvoorbeeld voor het pedagogisch project, de ligging, de
schoolbevolking of de groene omgeving, moeten daarin gerespecteerd
worden.
Delva
benadrukt dat hij met deze stellingname de kansarme GOK-leerlingen
niet wil uitsluiten. Maar het stoort me wel dat anderstaligen
uit de gegoede klasse in sommige scholen de plaatsen van
Nederlandstaligen innemen.
Dit
is een artikel van Bettina Hubo in Brussel Deze Week van
12-03-2008.
Opiniestuk:
Gelijke onderwijskansen in Brussel?
Kamperende
ouders voor Nederlandstalige scholen in Brussel leveren,
sinds de invoering van het Gelijke Onderwijskansendecreet
in 2002, steevast mooie mediaplaatjes op. De inschrijvingsprocedure
van dat zogenaamde GOK-decreet vertrekt immers van het principe
: Wie eerst komt, eerst maalt.
Onderstaande tekst is een opiniestuk van Paul Delva en Brigitte
De Pauw:
De basisfilosofie
van het GOK-decreet is volledig eerbaar: alle kinderen,
zonder onderscheid, hebben het fundamentele recht op gelijke
onderwijskansen. Vraag is of dit GOK-decreet, zeker in Brussel,
het gepaste instrument is om deze doelstelling te halen.
Het
GOK-decreet heeft in een hoofdzakelijk eentalige omgeving
(Vlaanderen) wellicht enkele gunstige gevolgen, hoewel het
ontnemen aan de schooldirecties van elke vrijheid inzake
het inschrijvingsbeleid wel zeer verregaand is. Natuurlijk
waren er, voor de invoering van het decreet, enkele directies
die bewust witte scholen wilden bereiken via
een specifiek inschrijvingsbeleid. Maar het overgrote deel
van de scholen (van alle netten!) waren wel degelijk bezig
met het uitstippelen van een inschrijvingsbeleid dat mikte
op een gezonde mix in hun schoolbevolking. Het
wantrouwen tegenover de schooldirecties, dat mee aan de
oorsprong ligt van het GOK-decreet, was ons inziens fel
overdreven.
Dit
decreet is evenwel niet geconcipieerd voor een meertalige
omgeving zoals Brussel. In Brussel, (1) veeltalige stad,
waar (2) de Nederlandstaligen een minderheid vormen, en
waar (3) de ouders de vrije keuze hebben tussen het Nederlandstalig
en het Franstalig onderwijs, lijkt het GOK-decreet averechtse
effecten te hebben.
Wie
heeft immers baat bij de toepassing van het GOK-decreet
in Brussel? In eerste instantie de goed geïnformeerde
en goed georganiseerde inwoners, die tijd (of geld
zie de studenten die soms tegen betaling in de wachtrijen
staan) hebben. Wie zijn dit in de praktijk? Dikwijls anderstaligen
uit de betere klassen. Laat ons duidelijk zijn: wij werpen
hén absoluut geen steen. Zij hebben gewoon het beste
voor met hun kind
In Brussel
bestaan er, binnen het kader van het GOK-decreet, twee specifieke
voorrangsregelingen. Die voor Nederlandstaligen is beperkt
tot 45 procent van de inschrijvingen. Maar dit inschrijvingspercentage
wordt sterk beïnvloed door de broertjes en zusjes van
kinderen die al in de school zitten. Vaak zijn er, na het
inschrijven van deze broertjes en zusjes, maar enkele plaatsen
meer over. De voorrangsregeling voor GOK-leerlingen is beperkt
tot 30 procent van de inschrijvingen.
Nederlandstalige
ouders slagen er geregeld niet in om hun kinderen in de
school van hun keuze in te schrijven. Dikwijls wordt hen
dan gezegd: Ga toch naar een andere school kijken,
er zijn voldoende Nederlandstalige scholen in Brussel.
Als christendemocraten zijn wij zeer gehecht aan het fundamentele
basisrecht van de vrije schoolkeuze voor de ouders. Ouders
die bewust voor een bepaalde school kiezen (bijvoorbeeld
vanwege de ligging, het groen op de speelplaats, de (dikwijls
gemengde) schoolbevolking, het pedagogisch project,
)
moeten bij hun keuze gerespecteerd worden.
Welke
oplossingen kunnen aangereikt worden? Het inschrijvingssysteem
van de call centers, onlangs voorgesteld door minister Vandenbroucke,
kan een oplossing bieden voor de (fysieke) wachtrijen, maar
niet voor onderliggende problemen. En het uitbreiden van
de capaciteit van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel
door nieuwe scholen te bouwen (waaraan bevoegd VGC-collegelid
Guy Vanhengel denkt) is op zich lovenswaardig, maar zal
volgens ons het probleem alleen maar verschuiven.
Het
is tijd om het GOK-decreet te evalueren via een ruim maatschappelijk
debat. Enkele denksporen (binnen het kader van het GOK-decreet)
lijken ons:
(a) aan schooldirecties het vertrouwen en de minimale vrijheid
geven om het inschrijvingsbeleid in goede banen te leiden;
(b) de 45 procent-voorrangsregel voor Nederlandstaligen
optrekken;
(c) een bijkomende voorrangsregel voorzien voor kinderen
die al in de Nederlandstalige voorschoolse kinderopvang
hebben gezeten.
(d) de verdere uitwerking van de website www.samennaarschool.be
om onder andere meer kinderen van de Rand aan te trekken,
en dit in samenwerking met het LOP.
De vrije
schoolkeuze voor de ouders, en de omarming van de stedelijke
diversiteit van Brussel zijn hierbij onze uitgangspunten.
Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel trekt anderstaligen
aan, en dat juichen we toe, aangezien dit onze gemeenschap
versterkt. Maar we willen wel dat Nederlandstalige kinderen
in Brussel altijd in het Nederlandstalig onderwijs terecht
kunnen.
Paul
Delva, Vlaams parlementslid uit Brussel,
en Brigitte De Pauw, Brussels parlementslid, allebei CD&V
>Terug
naar pers