Interpellatie aan minister-president Picqué over
de pensioenen van de contractuele ambtenaren in de lokale besturen


Op dit moment zijn er meer dan 250.000 contractuele ambtenaren actief in een openbare dienst. Hiervan zijn er 51.276 contractuele ambtenaren tewerkgesteld bij de gemeenten. Zij verrichten hetzelfde werk als hun statutaire collega’s, maar bij het einde van hun loopbaan krijgen zij veel minder pensioen dan hun vastbenoemde collega’s. Voor een complete loopbaan ontvangt een contractant gemiddeld 13.495 EUR per jaar. Voor een vastbenoemd personeelslid is dat 18.790 EUR. Dit is een verschil van bijna 40%. In tegenstelling tot vele werknemers in de privé-sector hebben contractuele ambtenaren ook niet de mogelijkheid in de zogenaamde tweede pijler een aanvullend pensioen op te bouwen.

Om deze kloof tussen contractuele en statutaire ambtenaren te verminderen is er echter een federaal wetgevend kader nodig. De opeenvolgende Federale Ministers van Pensioenen kondigden al verscheidene jaren een algemeen wettelijk kader aan voor die tweede pijler in de openbare sector. Huidig Federaal Minister voor Pensioenen heeft aangekondigd tegen eind dit jaar een initiatief te nemen. Zo’n initiatief zal vooral nuttig zijn voor de lokale sector waar reeds 60% van het personeel contractanten zijn die als groep niet meer zullen statutair benoemd worden. Op diverse overheidsniveaus heeft men deze federale kaderwet echter niet afgewacht.

In het sectoraal akkoord voor de lokale besturen in Vlaanderen van 19 november 2008 werd de start van een tweede pensioenpijler voor contractuele ambtenaren opgenomen. De vertegenwoordigers van de vakbonden en de werkgevers van de lokale besturen in Vlaanderen zijn overeengekomen om met ingang van 1 januari 2010 voor contractueel overheidspersoneel een aanvullende pensioenregeling op te starten. De financiering gebeurt door een patronale bijdrage die in 2010 minstens 1 procent van de wedde zal bedragen. Dat is bescheiden, maar ieder bestuur kan beslissen voor zijn werknemers een hogere bijdrage te betalen. De bijdragen worden geïnd door de dienst die nu ook al de bijdragen int voor het wettelijke pensioen van de statutaire ambtenaren, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten Er moet wel nog een instelling geselecteerd worden die het stelsel beheert.

Deze discriminatie tussen collega’s werkt niet motiverend; zeker als je jaren lang hetzelfde werk gedaan hebt. We zouden ook in het Brussels Gewest moeten streven naar een maximale gelijkstelling tussen statutaire en contractuele personeelsleden.


Daarom mijn vragen aan u Minister-President:

  • Bent u op de hoogte van de Brusselse situatie? Hoeveel ambtenaren bij de Brusselse gemeenten hebben een contractueel statuut en zullen dus later een lager pensioen ontvangen dan hun statutaire collega’s?
  • Bent u eveneens overtuigd van de noodzaak dat er iets moet ondernomen worden om deze discriminatie op het vlak van pensioenen tussen statutaire en contractuele lokale ambtenaren te verminderen?
  • Zijn er binnen het Brussel Gewest plannen om eveneens een sectoraal akkoord af te sluiten waarin de uitwerking van een aanvullend pensioen voor contractuele lokale ambtenaren zou kunnen opgenomen worden? Bent u bereid dit probleem daar ter sprake te brengen en er mee een oplossing voor te zoeken?
  • Zal u er bij de Federale Minister bevoegd voor Pensioenen op aandringen werk te maken van deze kaderwet? Zal het Brussels Gewest betrokken worden bij de opmaak hiervan?