Interpellatie aan minister Cerexhe over
de samenwerking tussen Actiris en de sectorale opleidingsfondsen


Zowel in het regeerakkoord als in uw beleid wordt een grotere intergewestelijke arbeidsmobiliteit nagestreefd als een belangrijke deeloplossing voor de Brusselse werkloosheid. De Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft een reeks aanbevelingen geformuleerd om de intergewestelijke arbeidsmobiliteit te stimuleren. Samen met de Serv en de CESRW werd in juli 2008 een gezamenlijk advies afgeleverd dat voorziet in een versterking van de interregionale samenwerking en de mobiliteit van werknemers en werkzoekenden.

Eén van de elementen die in dit advies aan bod kwam, was het belang van een sectorale visie. Uit een analyse van knelpuntberoepen bleek immers dat de noden die aan de basis liggen van het streven naar interregionale mobiliteit zowel toe te schrijven zijn aan de verschillen in aard als in omvang tussen de sectoren. Er werd gepleit voor het opzetten van een sectorale bril bij het uitwerken en realiseren van de acties voor meer interregionale mobiliteit.

Einde februari pleitte de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven in dit kader voor meer samenwerking tussen de sectorale opleidingsfondsen en de arbeidsbemiddelingsdiensten. Deze samenwerking zou in het Vlaamse en het Waalse Gewest op een meer doorgedreven manier gebeuren dan in ons gewest.

Binnen het Vlaams Gewest wordt bv. met zogenaamde ‘sectorconvenanten’ gewerkt. Deze overeenkomst tussen de sociale partners van een bepaalde sector enerzijds en de Vlaamse regering anderzijds, voorziet in sectorconsulenten die de sector bijstaan in het realiseren van bepaalde engagementen, waarvan het versterken van de arbeidsmobiliteit één is.

  • Met welke sectorale opleidingsfondsen werkt Actiris samen?
  • Wordt binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gewerkt met zogenaamde sectorconvenanten? Plant de minister hier initiatieven te ontwikkelen? Wordt hier dan ook overleg voorzien met de VDAB om tot best practices te komen?
  • Welke maatregelen voorziet de minister om de rol en de probleemoplossende capaciteit van deze opleidingsfondsen te vergroten en ten volle te benutten?