Interpellatie
aan staatssecretaris De Lille over
het verslag over de evenwichtige vertegenwoordiging van
mannen en vrouwen in adviesorganen
Begin februari bezorgde u ons het verslag dat u naar aanleiding
van de ordonnantie van 5 juli 2001 tot wijziging van de
ordonnantie van 27 april 1995 houdende de invoering van
een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen
in adviesorganen dient over te maken aan het parlement.
De ordonnantie bepaalt dat ten hoogste 2/3 van de leden
van adviesorganen van hetzelfde geslacht mogen zijn. Deze
regel houdt zelfs een resultaatsverbintenis in. Het is goed
dat een dergelijk verslag jaarlijks, zoals bepaald in Artikel
4 van de ordonnantie, wordt opgesteld. Een overheid moet
immers alle inspanningen leveren om elke vorm van discriminatie
en uitsluiting te weren. Mannen en vrouwen moeten dan ook
evenredig vertegenwoordigd zijn in het besluitvormingsproces.
Meten is immers weten.
Uit
het verslag leren we dat in 2008 7 adviesorganen van de
15 niet voldeden aan de minimumeis die opgelegd wordt door
de ordonnantie. Volgens het verslag waren er in 2009 5 die
hieraan niet voldeden: de Commissie voor de Coördinatie
van de Werken (met 2,6% vrouwen), het Gewestelijk Adviescomité
voor de taxidiensten (met 15,4% vrouwen), het Stedenbouwkundig
College (met 25% vrouwen), de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie
(met 23,8% vrouwen) en de Adviescommissie voor Buitenlandse
Handel (met 32,7% vrouwen). Dit is een lichte verbetering
tegenover het jaar ervoor, maar we zijn er nog lang niet.
Zeker als we rekening houden met het feit dat de ideale
situatie een 50-50 verhouding zou moeten zijn; een perfecte
weerspiegeling van de samenstelling van de bevolking.
Artikel
3 van de bovenvermelde ordonnantie bepaalt bovendien dat
indien een adviesorgaan niet volgens de regel 1/3 –
2/3 is samengesteld, het desbetreffende adviesorgaan geen
rechtsgeldige adviezen kan verstrekken, behalve bij gemotiveerde
onmogelijkheid.
Daarom mijn vragen aan u: