Opinie
Gemeenschapscentra:
krijgen vrijwilligers nog ademruimte?
09-03-2010
De afgelopen week was de "week van de vrijwilliger”.
De laatste jaren heeft ongeveer alles en iedereen wel zijn
eigen dag of week gekregen. Bij de vrijwilligers is dit
zeker verdiend. Ze vormen immers een aparte en opmerkelijke
categorie. Wie zet zich in deze tijden van alles verslindende
commercialisering, waarbij alles in euro’s vertaald
moet kunnen worden, nog belangeloos in voor de ander of
voor een ideaal? Zonder geld te willen, kosteloos –
gratis ?
Het
antwoord hierop is even eenvoudig als wonderbaarlijk: duizenden
Vlamingen en Brusselaars. Ze engageren zich binnen traditionele
verenigingen zoals KWB en KAV, Davidsfonds, OKRA, Vermey-lenkring,
Natuurpunt of Ziekenzorg. Ze geven het beste van zichzelf
binnen sportclubs allerhande. Of ze zetten zich in binnen
nieuwe organisaties zoals klimaatcomités of buurtverenigingen.
Al
deze varianten van vrijwillig engagement komen bij elkaar
in de 22 Brusselse gemeenschapscentra. Bijenkorf van vrijwilligers
en verenigingen, vormt het gemeenschapscentrum de kern van
de lokale Nederlandstalige gemeenschap. Het ontstaan van
de gemeenschapscentra zélf is trouwens te danken
aan de onverdroten inzet van lokale vrijwilligers enkele
decennia geleden. Hun pioniersrol wordt vaak te weinig benadrukt.
Het
is om deze reden dat we zeer huiverachtig staan tegen een
allesomvattende centralisering van het VGC-beleid terzake.
Een centralisering én aansturing die vaak extra administratieve
rompslomp met zich meebrengt, de planlast voor de verenigingen
en vrijwilligers verhoogt en de planlust verlaagt. Het risico
op een professionalisering van het lokale sociale leven
– waarbij door belastinggeld betaalde beroepskrachten
de werking van de lokale verenigingen en vrijwilligers wegconcurreren
– wordt er levensgroot door.
Natuurlijk
doet dit geen afbreuk aan onze enorme waardering voor de
beroepskrachten in de centra Ze doen vaak een pak meer dan
hun jobomschrijving inhoudt en geven het beste van zichzelf.
Ze verdienen dan ook ieders eerbied en ondersteuning.
Er bestaat echter een dubbel gevaar. Ten eerste creëert
de toenemende professionalisering en subsidiëring een
vorm van oneerlijke concurrentie: de vrijwilliger doet alles
ter ere Gods en moet in zijn, vaak schaarse, vrije tijd
ruimte vinden voor zijn engagement. Een daguitstap organiseren
vereist bv. ontzettend veel planning en tijd. Voor een beroepskracht
behoort dit tot zijn/haar jobinhoud. Bovendien kunnen de
prijzen dankzij subsidies lager gehouden worden bij initiatieven
van de gemeenschapscentra. Uiteindelijk dreigt de vrijwilliger
na een eenvoudige analyse er de brui aan te geven. Dit leidt
tot het afbrokkelen van de verenigingen, het uitdoven van
het vrijwillig engagement en tenslotte de dood van een actieve
lokale gemeenschap.
Een
tweede gevaar bestaat in de centralisering zélf.
Door toenemende subsidiëring en profes-sionalisering
wordt de VGC geconfronteerd met een tendens tot centralisering
van beslissingsmacht. De 22 raden van bestuur worden de
facto uitvoerders van een centraal, door ambtenaren uitgetekend
beleid. Deze neiging is volkomen verklaarbaar, maar even
nefast voor de lokale Nederlandstalige gemeenschap als de
professionalisering. De vrijwilliger krijgt het gevoel niet
meer mee aan de stuurknuppel te kunnen zitten en enkel te
mogen opdraven om elders besliste activiteiten tot een goed
einde te brengen.
We
pleiten dan ook voor een blijvende waardering zowel in woorden
als in beleidsstructuur voor de lokale vrijwilliger. Zij
blijven voor ons de kern van de gemeenschapscentra en de
Vlaamse gemeenschap in Brussel.
Brigitte
De Pauw (fractievoorzitter Brussels Hoofdstedelijk Parlement
– CD&V)
Paul
Delva (Vlaams parlementslid – CD&V)