Op
25 september start de Vlaamse Vredesweek met als
thema ‘werken aan het klimaat, voor vrede’.
Een zeer actueel onderwerp, zeker ook in het licht
van de VN-klimaatconferentie die in december in
Kopenhagen plaatsvindt. Overigens kregen de hoge
verwachtingen voor die top de afgelopen dagen een
flinke knauw. Want op de Algemene Vergadering van
de VN bleken de wereldleiders alsnog niet bereid
tot echt concrete engagementen.
Hoewel
de klimaatverandering een impact zal hebben op ieder
van ons, toch zullen vooral de ontwikkelingslanden
het hardst worden getroffen. Door gebrek aan financiële
middelen en technologische capaciteit zijn zij immers
nauwelijks in staat om zich aan te passen aan veranderende
klimaatomstandigheden. Bovendien dreigt een groot
deel van de ontwikkelingsprojecten, zeker in de
landbouwsector, schade te ondervinden door de klimaatverandering.
Dat is extra wrang, omdat klimaatverandering een
probleem is dat vooral veroorzaakt is door de rijke
landen. Die onrechtvaardigheid is een bedreiging
voor de vrede.
Een
Afrikaans spreekwoord zegt: ‘Als je snel wilt
gaan, ga dan alleen. Als je ver wilt gaan, ga dan
samen’. Een mondiale oplossing kan alleen
wereldomvattend zijn, indien iedereen erbij betrokken
wordt. Vanuit de Europese landen moeten we beseffen
dat wij niet alleen vanuit onze ivoren toren klimaatafspraken
kunnen maken. Europa moet zich in eerste instantie
richten op de ontwikkelingslanden. Wij zijn het
aan hen verplicht. Zij zijn het grootste slachtoffer,
terwijl zij historisch gezien het minst aan het
probleem hebben bijgedragen. Tegelijkertijd zullen
de landen in het Zuiden een belangrijke rol spelen
als toekomstige energieconsument. De komende dertig
jaar zal naar schatting de wereldwijde energievraag
met zo’n 60 procent groeien. Daarvan zal maar
liefst tweederde voor rekening komen van ontwikkelingslanden.
Hun recht op economische ontwikkeling moet erkend
worden bij een toekomstig klimaatbeleid.
Voor
CD&V mag de strijd tegen de klimaatverandering
zich niet alleen beperken tot een loutere reductie
van de CO2-uitstoot. Er is veel meer nodig en vooral
heel veel geld. Want zonder steun zullen opkomende
economieën kiezen voor de goedkoopste energievoorziening
in plaats van de schoonste waardoor de negatieve
spiraal niet kan doorbroken worden. Er is geld nodig
voor de overdracht van milieutechnologie aan de
landen in het Zuiden zodat hun recht op economische
ontwikkeling op een duurzame wijze gewaarborgd wordt.
Er is geld nodig met het oog op het behoud en zelfs
de aangroei van de tropische wouden. Er is geld
nodig om de gevolgen van het verstoorde klimaat
in de ontwikkelingslanden op te vangen. Er is geld
nodig om van de klassieke landbouwtechnieken over
te stappen naar een geavanceerde landbouw die de
lokale voedselproductie verhogen en tegelijk de
methaanemissies verminderen.
Ook
België kan zijn steentje bijdragen om de klimaatverandering
af te remmen. Tien procent van de Belgische ontwikkelingshulp
moet gereserveerd worden voor ecologische samenwerkingsprogramma’s
gericht op het duurzaam uitbouwen van de economische
ontwikkeling en op de versterking van de lokale
milieucapaciteit. Bij de aankoop van emissierechten
in ontwikkelingslanden moet ons land erover waken
dat deze middelen ingezet worden voor hernieuwbare
energie, energiebesparing, geavanceerde landbouw
en herbebossing. Toekomstige ontwikkelingsprojecten
moeten klimaatbestendig zijn. Zo worden investeringen
in de richting van klimaatzorg gestimuleerd. Kortom,
het Belgische ontwikkelingsbeleid moet gericht zijn
op een geïntegreerd en duurzaam klimaatbeleid.
Het
principe de ‘vervuiler betaalt’ geeft
ons land en de andere rijke landen de verantwoordelijkheid
om de bestrijding van klimaatverandering in de ontwikkelingslanden
te ondersteunen. De financiële middelen daarvoor
nodig mogen niet van de bestaande ontwikkelingsbudgetten
worden afgeroomd. Deze zijn nu reeds keihard nodig
voor onderwijs, gezondheidszorg en armoedebestrijding.
Pas
als de rijke landen op een geloofwaardige wijze
rekening houden met de ontwikkelingslanden en hun
recht op economische ontwikkeling, zullen deze landen
in staat zijn om de gevolgen van de klimaatverandering
op te vangen en om zichzelf reductiedoelstellingen
op te leggen. Alleen dan ligt het sluiten van een
effectief wereldwijd klimaatverdrag op de Klimaattop
in Kopenhagen binnen handbereik. Want “als
olifanten vechten, wordt het gras vertrapt”…
Sabine
de Bethune, Nathalie Muylle, Brigitte De Pauw en
Sabine Polleyn
De auteurs zijn CD&V-parlementsleden, respectievelijk
in de Senaat, de Kamer, het Brusselse en Vlaamse
parlement