MOLENWEETJES

MOLENTAAL… de taal der wieken

Onder molentaal wordt de wijze verstaan waarop molenaars bepaalde gedachten tot uitdrukking brachten door de wieken in een bijzondere stand te plaatsen, de zeilen tijdens het malen op een bijzondere wijze open te leggen of de molen op een feestelijke wijze te tooien. Alhoewel iedere streek zijn eigen molentaal had zoals ook zijn eigen dialect, waren vele onderdelen ervan gelijk.

De molentaal is door traditie ontstaan, zodat het niet te verwonderen is dat geen algehele eenheid bestaat. Maar gelijkheid was ook niet nodig, omdat het voldoende was wanneer de omwonenden van een molen begrepen wat de molenaar tot uitdrukking wilde brengen.

In principe kan men de molentaal verdelen in twee groepen, nl de algemene molentaal zoals het tot uitdrukking brengen van vreugde bij een bruiloft, geboorte, wijkfeest… of van verdriet bij een overlijden en begrafenis. Daarnaast gebruikte men ook dikwijls een bijzondere molentaal met persoonlijke berichtgeving tussen de molenaar en een bepaalde persoon of groep personen.

Molens in vreugde

De vreugde over een heuglijke gebeurtenis of bij een feest werd door de molenaar op verschillende manieren tot uitdrukking gebracht nl:

Door de wieken ‘komend’ te zetten
Door een vlag op de hoogste wiek of achter de molenkap te plaatsen en de wieken al of niet komend te zetten
Door de molen te versieren en in feesttooi te zetten

De eenvoudigste en goedkoopste manier van vreugde-uiting was de wieken komend te zetten.

Molens in rouw: de molen wordt ‘gaande’ gezet

Molens in rust: in een + teken, de molenaar wacht maw op klanten.

Molens in absolute rust: in een X-teken.

HOE GRAAN MALEN?

Men kwam er al vroeg achter dat granen als voedsel konden dienen voor mens en dier. Omdat het omhulsel van de graankorrels (de zemel) het verteren ervan belet , moet men de korrel openbreken of malen.

Bij het malen van granen voor veevoeder is het voldoende dat de korrels op een eenvoudige wijze gebroken worden en de manier waarop dat wordt uitgevoerd is daarbij van minder belang.

Bij het malen voor menselijke consumptie worden aanzienlijk meer eisen gesteld aan het maalproces. De korrels moeten niet alleen gebroken worden maar de meelcellen (griezen genoemd) moeten we ook openleggen. Bij het wrijven tussen duim en wijsvinger moet het gemalen product wollig aanvoelen. Men kan dat door de granen tussen twee stenen te malen (in een ambachtelijke molen) of met stalen walsen te malen (in een industriële molen).

In een windmolen wordt graan gemalen op een ambachtelijke manier waarbij men de volgende drie stappen kan onderscheiden:

  1. het openbreken van de graankorrel
  2. het leegschrapen van de zemelen
  3. het verder verkleinen van de griezen tot bloem

In alle windmolens wordt het graan gemalen met molenstenen. De molenstenen zijn steeds per twee opgesteld, men spreekt trouwens van een koppel molenstenen, en liggen boven elkaar. De onderste is de ligger, de bovenste de loper. Dus enkel de bovenste draait.

Tot in de 18e eeuw werden de molenstenen uit één stuk gehouwen. Hiervoor gebruikte men heel dikwijls blauwgrijze basalt, een lavasteen afkomstig uit het Eifelgebergte in Duitsland. Later stelden men de stenen samen uit stukken zoetwaterkwarts met verschillende hardheid, die afkomstig waren van de Franse steengroeven.

Het centrale deel van de molensteen is gemaakt van zachtere stukken en de afstand tussen de loper en de ligger,n waar het graan wordt toegevoerd (de krop) is daar iets groter. Daarrond ligt de breek-en schrootbaan, waar het graan verbrijzeld en verder verkleind wordt. Aan de buitenkant bevindt zich de buiten- of maalbaan, die gemaakt is van hardere steen en ook voorzien wordt van fijnere kerven. Bij het malen met een steen komen de graankorrels via het kropgat tussen de loper en de ligger terecht waar de afstand tussen de stenen dus het grootst is.

Bij het malen beweegt het maalgoed zich in steeds groter wordende cirkels naar de buitenkant van de stenen. Eerst worden de graankorrels opengebroken door de werking van de kerven, die men of meer als een schaar functioneren. In de daaropvolgende rondgangen wordt de afstand tussen de stenen steeds kleiner en komen de kerven dichter bij elkaar te liggen. Daardoor  wordt het binnenste van de graankorrels (de kerndelen) van de zemelen (het zaadvlies) geschraapt. De grove deeltjes die van de kernen vrijkomen noemt men de griezen. Tenslotte komt het maalgoed in de buitenste 15 à 20 cm terecht, waar de onderlinge afstand tussen de stenen het kleinst is. De griezen worden hier verder verkleind tot een stoffijn product dat we bloem noemen. Wanneer de stenen  goed afgesteld zijn, zullen de taaie zemelen min of meer intact blijven.

Het bekomen maalgoed bestaat dus uit een mengsel van zemelen, nog niet verkleinde griezen en bloem. Dit totaal mengsel noemen wij volkorenmeel.

Door het uitzeven van het volkorenmeel worden de verschillende maalproducten van elkaar gescheiden. Aanvankelijk gebruikte men hiervoor gewoon een zeef die met de hand heen en weer schudde zodat men witte bloem bekwam. Later gebruikte men de ‘builmolen’. Builen= zeven.

In moderne maalderijen maalt men niet meer met molenstenen maar met walsen. Eerst komt het graan op de schrootwalsen, dit zijn twee geriffelde walsen die met een verschillende snelheid tegen elkaar indraaien. De afstand tussen de walsen is zodanig dat de korrels alleen open gebroken worden en in een aantal fracties wordt verdeeld. Grovere fracties brengt men daarna in een tweede, derde en volgende maalwalsenpaar. De taak bestaat erin de meelkernen zo volledig mogelijk van de zemelen af te wrijven en deze open te leggen. In een industriële molen bekomt men zo een groot aantal eindproducten bestaande uit diverse fracties. Zo kan men ook bloem of meel samenstellen met de gewenste kwaliteit: kiembloem, patentbloem, normale bakkersbloem, bruinbroodmeel en volkorenmeel.

Dat het volkorenmeel afkomstig van een industriële maalderij niet gelijk is aan het volkorenmeel van een windmolen wordt door gebruikers die zelf bakken duidelijk vastgesteld. De reden hiervoor is dat men in een maalderij vaak bepaalde fracties afzondert om voor specifieke toepassingen te gebruiken. Zo geraken de zemelen vaak niet meer in het eindproduct.

Windkracht in cijfers. Beaufortschaal

0

<1 km/u

Kalm

Rook stijgt recht omhoog

1

1-5

Zwakke wind

De windrichting wordt aangegeven door de richting van de rook, maar niet door de windwijzer

2

6-11

Zwakke wind

De wind wordt aangevoeld op het gelaat, de bladeren zijn bijna onbeweeglijk. De windwijzers draaien.

3

12-19

Matige wind

De bladeren en kleine planten bewegen; de wind doet de lichte wimpels opwaaien.

4

20-29

Matige wind

De wind waait stof en papier op. Kleine twijgjes komen in beweging.

5

30-38

Vrij krachtige wind

Struiken komen in beweging, kleine golfjes doen het water rimpelen.

6

39-49

Krachtige wind

De grote takken bewegen, de telefoondraden trillen.

7

50-61

Zeer krachtige wind

Er komt beweging in de bomen, het gaan wordt bemoeilijkt.

8

62-74

Stormachtige wind

Kleine takjes breken, het gaan wordt fel bemoeilijkt.

9

75-88

Storm

Lichte schade aan gebouwen (schoorsteenbuizen en pannen waaien af)

10

89-102

Zware storm

Zeldzaam in het binnenland. Bomen ontwortelen, belangrijke schade

11

103-117

Zeer zware storm

Zeer zeldzaam, zeer veel schade

12

118-133

Orkaan

Catastrofaal, doet zich vrijwel in onze streken niet voor.

De molens en het volksleven

Wie eerst komt, eerst maalt

Was de uitdrukking van de zelfstandige mulders om het principe van gelijke rechten voor iedereen duidelijk te maken en te benadrukken dat er geen voorkeurbehandeling mogelijk was.

Als er wind was, gingen namelijk veel mensen naar de korenmolen met hun zak graan om te laten malen en iedereen wilde natuurlijk onmiddellijk bediend worden. De rijken het eerst maar de molenaar dacht daar anders over.

Het zal wel molenpraat zijn

Zei men vroeger wanneer men twijfelde over de juistheid van een verhaal. De molen was de uitverkoren plaats om het dorpsnieuws te commentariëren en er een schepje bovenop te doen.
Ook zij die niets te malen hadden, begaven zich dikwijls naar de molen om een babbel te doen, zodat het daar bij de mulder dikwijls een gezellige boel was.

Het molenaarsleven
Heeft God ons gegeven
Maar het malen bij nacht
Heeft de duivel bedacht

Hiermee werd duidelijk uitdrukking gegeven van het lastige en moeilijke nachtmalen. Als er geen wind was  moest de molenaar alle mogelijkheden benutten om toch zijn werk te doen en zijn boterham te verdienen en dat resulteerde dikwijls in het ongewenste en gevaarlijke nachtmalen.

De molen draait niet met de wind die voorbij is

Men moet attent zijn in zijn leven en geschikte gelegenheden niet laten voorbijgaan. Men mag niet wachten tot het te laat is want dan is de zaak voorbij maw men moet het ijzer smeden terwijl het heet is.

Omtrent de Beukelaremolen: mailverkeer met molinoloog Lieven Denewet.

Dag Bart,

Met betrekking tot de benaming Beukelaremolen: Blanche De Busschere, zus van
de laatste molenaar Hector De Busschere (overleden in 1983) wist de passende
uitleg te vertellen: "De Beukelaeremolen ontleent zijn naam aan de
beukendreef die voor de eerste wereldoorlog naar de molen leidde."
De vroegere schepen Jozef Six heeft deze zin trouwens uitgesproken, tijdens
het inwijdingsfeest van de gerestaureerde molen op zondag 30 augustus 1987.
En Blanche De Busschere was er zelf ook aanwezig. (1)
Deze toespraak werd integraal afgedrukt in: Molenecho's, XV, 1987, blz.
217-221.
Ik heb Blanche nog gekend: ze woonde in het huisje rechtover de molen en
riep me toe, wat ik - als beginnende fietsende molinoloog - kwam doen op de
gammele molentrap... Dat was in de late jaren 1970...

Dat de benaming heeft dus niets te maken met de overgebrachte
"Steentjesmolen" uit Poperinge, blijkt ook uit de eerste teruggevonden
vermelding van "Beukelaer-molen" in de Atlas der Buurtwegen van 1846
(origineel: in Rijksarchief Brugge)

De historische benaming van de Beukelaremolen is echter...Luigemmolen, zoals
reeds aangehaald in 1460: "Ludeghem muelenwalle", de molen zelf was er toen
(tijdelijk) niet meer. En in 1735 dook voor het eerst de benaming
"noorthende meulen" (Noordeindemolen) op. Ook in 1774, ca. 1775 (de zgn.
Ferrariskaart) en 1800 (Carte Maillart) vinden we de benaming
Noordeindemolen terug. Maar ondertussen is de benaming Beukelaremolen (dus
al gebruikt in 1846) goed ingeburgerd geraakt.

(1) Op dat inwijdingsfeest was ik ook aanwezig: ik herinner me trouwens nog
het gefezel van de mensen toen schepen Jozef Six door de luidsprekers liet
galmen: "Buiten de administratieve sleur, schreef de toenmalige gemeenteraad
de donkerste bladzijden in de geschiedenis van de Beukelaremolen: kleinheid,
kortzichtigheid, onwil, ontstentenis van realiteitzin en uitspelen van
personen waren schering en inslag".
Hij doelde op de gemeenteraad van 1977. Gelukkig zijn de mensen, nu bijna 30
jaar later, veel wijzer geworden...

Waarom hebben moderne molen 3 wieken?

Uit het radio 1 programma ‘Jongens en Wetenschap’

Vooreerst moet duidelijk gesteld worden dat de keuze van het aantal wieken natuurlijk niet willekeurig gekozen wordt in functie en het doel van de molen. Bij windmolens om graan te malen, hout te zagen of water te pompen heeft men vooral kracht nodig, en hoe meer wieken of hoe meer wiekoppervlak men beschikbaar heeft, hoe meer kracht men uit de wind kan halen. Vandaar dat men voor onze traditionele molens, die in het algemeen één van de bovenstaande functies moesten vervullen, 4 wieken gebruikte, niettegenstaande je soms een molen(afbeelding) ziet met 5 of 6 wieken (in bvb Griekenland of Engeland).

Bij windturbines (om elektriciteit te maken) heeft men veel meer de snelheid nodig van het gevlucht dan de kracht. Bij sneldraaiende molens moet de totale wiekoppervlakte beperkt worden to ongeveer 6 à 8 % van de oppervlakte van de draaicirkel van de wieken.

De traditionele windmolens zijn daarom allemaal voorzien van 4 wieken en zijn dus windmolens met een groot wiekoppervlak, die geschikt zijn voor het leveren van grote kracht. Zijn daarom niet geschikt om snel te draaien.

Het was ook een aantrekkelijke en economische constructiemethode want men plaatste gewoon twee kruiselingse balken in een simpele askop met twee gaten.

Het toepassen van gevluchten met 5, 6 of zelfs nog meer wieken was duidelijker moeilijker om te maken. Onze molenbouwers kwamen daarom snel tot de conclusie dat de beperkte voordelen niet opwogen tegen de hogere kosten.

Waarom dan 3 wieken en geen 1 of 2 bij windturbines?

Het toepassen van één wiek, uiteraard in combinatie van een tegengewicht om het gevlucht uit te balanceren, zou misschien economisch interessant kunnen zijn (slechts 1 wiek maken) maar toch doet men dat niet omdat zo’n wiek onregelmatig zou kunnen draaien.

Hogere luchtlagen hebben een grotere snelheid dan de lagere waardoor men altijd een steeds wisselende kracht op de draaiende wiek zou krijgen. Resultaat zou zijn: een stotende bekrachtiging. Het aandrijfsysteem zou zwaar pulserend belast worden.

Twee wieken moesten dan alweer smaller zijn, maar technisch was dit al haalbaar. Toch draait een dergelijk gevlucht nog steeds niet met een constante snelheid omdat de windsnelheid op de naar boven gerichte wiek groter is dan de onderste. Toch draaien nog een aantal molens volgens dit principe.

De volgende stap was een gevlucht met 3 wieken, waarbij deze weer smaller moesten uitgevoerd worden. Het resultaat was goed: het gevlucht is goed uitgebalanceerd, en draait soepel en vrij constant.

Het toepassen van 4 wieken voor sneldraaiende gevluchten is niet mogelijk omdat men door de vereiste verkleining van de breedte om aan de gestelde 6 à 8% regel te voldoen, veel te smalle wieken bekomt die ook onvoldoende stevigheid hebben.

Conclusie: onze vroegere molenbouwers hadden het bij het rechte eind.

WINDVANG EN MOLENDWANG

Vandaag mogen we ook geen grondwater zomaar oppompen of zand zomaar winnen zonder toelating van de overheid. Vroeger was het eender: men mocht niet zomaar de wind gebruiken want dit werd beschouwd als eigendom van de soevereine vorst of van de persoon aan wie de vorst dit recht had overgedragen.

Onder het recht van de wind verstond men eigenlijk het recht om te verbieden, dat men in een bepaalde streek of dorp een windmolen zou oprichten. Men moest dus niet alleen een toelating hebben om een gebouw neer te zetten maar eigenlijk ook een toelating om de wind te gebruiken voor het laten draaien van een windmolen. Die toelating werd gegeven onder de vorm van een windbrief.

In het algemeen waren het de ambachtsheren, die als hoofden van een gebied, het recht van de wind uitoefenden. In de meeste steden behoorde het windrecht toe aan de stedelijke overheid. Zo’n windrecht werd normaal verleend voor dertig jaar.

Naast het recht van de wind bestond ook het recht van de molendwang. Dit was het recht om de inwoners van een bepaald gebied te verplichten hun graan nergens anders te laten malen dan in een bepaalde molen. Dit noemde men het dwang-of banrecht en daarom werd een molen met een dergelijk recht ook dwang-of banmolen genoemd.

TERUG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vzw De Boot - info@deboot.be - 0475 21 43 20