Terug naar hoofdpagina =>

 

Vossensporen

Alhoewel de vos algemeen bekend is, zijn slechts zeer weinig mensen het diertje ooit al in de vrije natuur tegengekomen, en bij de meerderheid van die minderheid was de ontmoeting louter toevallig en zeer kort, want doorgaans hebben vossen eerder jou gezien dan jij hen en nemen ze de benen of verstoppen ze zich. Ook het feit dat ze vooral ’s nachts actief en terecht schuw van aard zijn, draagt er zeker toe bij dat ze niet snel zullen opvallen. Vooraleer je het beestje zelf wil zien, moet je je van zijn aanwezigheid vergewissen, sporen zoeken dus, en een simpele wandeling doorheen het beoogde gebied kan je al heel wat leren. Pootafdrukken zijn de meest voor de hand liggende sporen en zijn het eenvoudigst te herkennen. De vos is echter een hondachtige en zijn pootafdrukken lijken op die van een hond, maar er is een klein maar duidelijk verschil: de zoolkussens van de middenste tenen liggen helemaal voor de zoolkussens van de buitenste tenen, er is geen overlapping (men kan een lijn trekken tussen beiden zonder dat de zoolkussens deze lijn overschrijden, zie gele lijn op de figuur), bij honden is die er wel. Ook is de pootafdruk van een vos veel slanker (eivormig) terwijl die van een hond lomper is (meer cirkelvormig). De klauwen van de voortenen wijzen naar elkaar. De afdruk heeft een lengte van ongeveer 55 mm (ter vergelijking: het twintig frankstuk heeft een doormeter van 25mm). De ochtend na sneeuwval is het ideale tijdstip om achter deze vorm van sporen te gaan zoeken. Je vindt dan niet alleen de pootafdrukken, je kan ze meestal nog een lang stuk volgen, wat je meer leert over de nachtelijke tochten van de vos. Allicht kom je dan nog andere sporen tegen, zoals prooiresten die de vos heeft achtergelaten, of ‘geurvlaggen’ (gele vlekken in de sneeuw, urine dus) en misschien nog sporen van andere vossen. Ook kan je dan het looppatroon onderscheiden: gewone gang (draf) of lopen. In sneeuw kan je tussen de pootafdrukken soms nog een bijkomend kenmerk vinden: de lange staart sleept over het sneeuwtapijt en trekt daardoor strepen (zie foto). Zoals alle zoogdieren schijt de vos van tijd tot tijd, en zelfs deze vorm van uitwerpselen wordt niet onbenut gelaten. De vos gebruikt ze om zijn aanwezigheid kenbaar te maken, z'n territorium af te bakenen  enzovoorts. De vorm en de plaats waar uitwerpselen achtergelaten worden, zijn zo typerend dat ze op zich ook al een goed spoor vormen. Je vindt deze uitwerpselen meestal op verhoogde plaatsen; een graspol, een prooirest,...en  zoals op de foto (links) op een steen. Tijdens een boswandeling kan je ook de typerende vossengeur opsnuiven wanneer je langs een onzichtbare geurvlag passeert. 

 

Vossenholen zijn iets moeilijker te vinden, wat logisch is: vossen hebben hun schuilplaats het liefst op de meest (voor mensen) ontoegankelijke, rustige, verborgen en ongestoorde plaats. Daarnaast moet de grond stevig maar graafbaar zijn, en niet nat. Het liefst graven ze hun hol in een helling (zoals een glooiing, spoorwegberm, dijk,...) en is er vlak aan de ingang plek voor de jongen om te ravotten (die meestal een heel pak vegetatie rond het hol gaan platwalsen). Een vossenterritorium telt meestal meerdere holen, en de meest gebruikte heeft meerdere in- en uitgangen. Je ziet meestal duidelijk welke de hoofdingang is: hier ligt de grootste hoop uitgegraven aarde en is deze hoop en vegetatie errond platgelopen. Andere ingangen zijn meer bedekt met bladeren, takken en nog zo wat rommel. De gangen van zo’n hol moeten groot genoeg zijn en hebben een doormeter van ongeveer 20cm (ter vergelijking de 1L fles SPA met een hoogte van 30,9cm), centraal in het hol liggen een of meerdere ‘kamers’. De ingang is ovaal rechtopstaand (bij een dassenhol is deze meer plat) en de uitgegraven aarde ligt als een hoop vlak voor de ingang, terwijl bij een dassenhol deze hoop meer rondom ligt. Een hol waar de ingangen grotendeels bedekt zijn met bladeren en takken is uiteraard verlaten, maar let op, een vossenhol is niet noodzakelijk het hele jaar door in gebruik en het vinden van een verlaten burcht is geen directe aanwijzing dat er geen vossen in dat gebied leven. Een bewoonde burcht wordt meestal gekenmerkt door de prooiresten die her en der errond verspreid liggen. Die prooiresten zijn op zichzelf ook al een bron van informatie (maar zijn zeker geen referentie voor het gebruikelijke menu van de bewoner, want resten van bijv. kleine knaagdieren zullen niet te vinden zijn rondom de burcht, terwijl ze toch een van de belangrijkste prooien zijn !!!). De oorsprong van die resten geeft aan waar de bewoner van die burcht zich soms ophoudt, want naast restanten van gebruikelijke prooien kan men bijv. lege pakjes frieten, melkkartons, yoghurtpotjes maar ook het kieken van de buren, tamme fazanten uit een nabijgelegen pseudo-jachtgebied, een leren schoen van het paar dat je de nacht ervoor op het terras van je vakantieverblijf te Frahan had laten drogen (nvdr)... Maar let wel: als je zo’n vossenhol hebt gevonden, verlaat dan de plaats weer zo snel mogelijk en verblijf met de kennis dat er zich daar een hol bevindt; vossen zijn helemaal niet gesteld op menselijk bezoek en aandringen zou tot een risicovolle verhuis van de vossenfamilie kunnen leiden, wat zeker niet de bedoeling kan zijn. In dat opzicht is het raadzaam om alleen tijdens de winter op zoek te gaan naar vossenholen. Tijdens dit jaargetijde is dat tevens het eenvoudigst door het ontbreken van zomervegetatie. Vergeet vooral niet dat in Vlaanderen de vos niet gedood mag worden binnen een straal van 25m rond een vossenburcht en dat vossenburchten niet verstoord mogen worden, en jouw aanwezigheid kan al als een verstoring geïnterpreteerd worden ! Verder in het rijtje van de gebruikelijke sporen zijn nog haarplukken onderaan prikkeldraad. De haren zijn ros, dun en zacht.

En voor de verzamelaars onder ons: de schedel van een vos onderscheidt zich van hondenschedels door een kuiltje in het gebeente vlak boven beide oogkassen (zie gele zones op de tekening). Bij honden is die zone gewoon bolvormig.

 

Wat zo’n dagje spoorzoeken helemaal afmaakt, is natuurlijk het zien van de vos in kwestie. Je kan deze toevallig tijdens een laatavondwandeling tegenkomen, maar je kan er ook op zitten wachten, en daar is veel geduld voor nodig. In ieder geval, als je er echt op uit bent om je met zulke beestjes bezig te houden, zal je het geduld ervoor moeten opbrengen en dan komt de ervaring wel vanzelf. Langzaamaan leer je de trucjes, ga je die beestjes beter kunnen inschatten, leer je waar en wanneer en onder welke omstandigheden je de grootste kans hebt om een vos te zien, enzovoorts. Want geloof me, het loont de moeite ! Toen ik op een keer een jonge vos samen met een das zag foerageren (de twee weken geen cm van elkander en toonden duidelijk interesse voor elkaars manier van foerageren) of die keer dat ik op amper twee meter achter een foeragerende vos kon lopen zonder dat die dat doorhad tot ie na een poos in het struikgewas verdween, of die keer dat een vos op z’n dooie gemak bijna letterlijk tegen me aanliep, vergat ik al vlug al die keren wanneer ik volledig verkleumd en doornat thuis kwam zonder ook maar een konijn te hebben gezien.

© Hans Schockaert