De Vos
De
vos behoort tot de familie van de hondachtigen maar
is er toch een buitenbeentje van: vossen kunnen niet gekruist worden met andere
hondachtigen, zoals wolven, honden, coyotes,… Uniek is dat de vos als enige
hondachtige elliptisch rechtopstaande pupillen heeft, zoals katten. Er zijn
verschillende varianten zoals de algemeen bekende woestijnvos (fennek) en
poolvos, maar ook minder bekende en zelfs bedreigde soorten zoals de
kitvos, en een door de bonthandel totaal vernietigde soort: de Falklandvos. In totaal zijn er 21 verschillende soorten ‘vos’, waarvan de meest
bekende en verspreide soort, de rode vos (vulpes vulpes) of gewoon vos, hier
besproken wordt.
De vos is een roofdier en zijn onmisbare rol in de natuur is het reguleren van kleine (muizen) tot middelgrote (hazen) prooidieren. In de fauna waar de vos thuishoort, is de balans tussen roof- en prooidier in evenwicht doordat enerzijds het lichaam en de zintuigen van de vos optimaal zijn geëvolueerd voor de jacht op kleine tot middelgrote prooidieren maar anderzijds deze prooidieren een roofdier als de vos het hoofd kunnen bieden doordat ze in grote getale aanwezig zijn (muizen) en dat kunnen blijven ondanks de aanwezigheid van roofdieren of dat ze perfect in staat zijn om aan een aanval te ontsnappen (konijnen bijv. zijn zeer wendbaar en weten mede daardoor meestal uit de klauwen van een vos te blijven). Natuurlijke vijanden kent de vos niet (alhoewel de soort plaatselijk soms zéér intensief door de mens wordt bejaagd, kan de mens niet als een ‘natuurlijke vijand’ gedefinieerd worden, omdat het jagen op vossen niet op een natuurlijk gangbare wijze verloopt), de vos is immers een toppredator. Er zijn nog grotere predators dan de vos zoals wolven en beren, maar voor hen is de vos slechts een occasionele, te verwaarlozen prooi. In België (en ook in heel wat andere landen) bijv. ligt het aantal door het verkeer gedode vossen hoger dan het aantal dat ten prooi zou vallen aan grotere predators indien deze in normale mate aanwezig zouden zijn.
Vossen
zijn solitaire jagers: de prooien waarop een vos jaagt, zijn doorgaans te klein
om met soortgenoten te delen en om groepsjacht zinvol te maken. Afgezien daarvan
leven vossen meestal in groepsverband. De basis van zo’n groep is de dominante
rekel (mannetjesvos) en één dominante moervos (wijfjesvos). Naargelang
verschillende factoren (voedselaanbod, territoriumgrootte, jachtdruk,…) worden
deze twee vergezeld door meerdere moervossen die doorgaans afkomstig zijn uit
vorige nesten. Rekels worden, zodra ze op volwassen leeftijd gekomen zijn, uit
de groep verjaagd. Dit is reeds een van de bepalende factoren voor de populatiedichtheid.
Vossen houden er immers een vast leefgebied of territorium
op na. En aangezien de vos zijn voedsel voornamelijk uit z'n territorium put,
duldt hij daarin geen soortgenoten (met uitzondering van de groepsleden).
Afhankelijk van het voedselaanbod in een territorium zal de omvang van
territoria, de hoeveelheid individuen per territorium en het aantal geboorten
evenredig toe- of afnemen. Op die manier is de vos perfect in staat om zonder
hulp van buitenaf ( => predators en/of menselijk ingrijpen) z'n aantallen te
regelen zonder gevaar voor overige fauna. Het komt er eigenlijk op neer dat
vossenaantallen geregeld worden door hun prooidieren, niet
andersom ! Een
vossenterritorium kan variëren van 1200ha in woest gebied (hooggebergten) tot
100ha in een menselijke omgeving (voorsteden, parken,...), 600ha is de meest
gangbare grootte. Vossen vindt men immers in de meest uiteenlopende biotopen. De
vereisten voor een geschikte biotoop zijn voedselaanbod, een veilige nestplaats en
niet al te veel verstoring. De vos heeft een voorkeur voor weilanden, afgewisseld
met bossen, hagen en allerlei vegetatie. Vossen en -territoria zijn algemeen in de vrije
natuur te vinden maar de laatste decennia heeft het dier zich weten aan te
passen aan onze steeds uitbreidende mensenwereld. De vos is er namelijk in
geslaagd om ongemerkt steeds dichter in menselijke omgeving te leven en er op
zijn manier van te profiteren. De vos is immers een rasechte opportunist en
menselijke omgevingen (parken, buitenwijken,…) vormen vaak een bron van
voedsel voor de vos (afval, voedselresten op composthopen…maar ook knaagdieren
die bijv. bij boerderijen in sterke mate voorkomen, en ja…ook loslopend
pluimvee, hoe zou je zelf zijn!). Een mooi voorbeeld van een vossenterritorium
is Kraainem (vlakbij Brussel). Daar ligt een vossenburcht op nog geen vijftig
meter van een woonwijk en op nog geen tien meter van de E40. Spijtig genoeg is
dat laatste de bewoner van de burcht ergens rond mei 1999 fataal geworden, maar
dat verlies zal op natuurlijke wijze spoedig hersteld worden.
Vossen
bakenen hun territorium af met geursporen, waarvoor ze uitwerpselen gebruiken. Geur
is (naast lichaamstaal en geluiden) namelijk een belangrijk communicatiemiddel
in het vossenwereldje. Zo beschikt de vos over een paar geurklieren (de
viooltjesklier op de staart, de klieren in de mondhoeken, tussen de zoolkussens
aan de voeten en de anale klieren) die een geur verspreiden, die eigen is aan
het individu en waarmee de vos dus bewust (staart met viooltjesklier in de lucht
houden, het ‘markeren’ van prooien door met hun mondhoeken erlangs te
wrijven,...) en onbewust zijn aanwezigheid tegenover soortgenoten bekend maakt.
Geur speelt ook een belangrijke rol bij het zoeken naar voedsel, het volgen van
prooidieren en soortgenoten en het
detecteren van vijanden. Het geschreeuw van een vos is allicht een van de meest
angstaanjagende geluiden die men op een nachtwandeling kan horen (klik
hier om dat effe te horen). Vossen hebben een redelijk repertoire van geluiden.
Het meest gehoorde is het schreeuwerige, hese gehuil en de typische
'wow-wow-wow'-blaf van vooral moervossen in de paartijd. Met dat geblaf willen
ze hun aanwezigheid over verre afstand aan een mogelijke partner laten blijken.
Moervossen weten ook door middel van verschillende geluiden (meestal een hees
geblaf of een schrille huil) hun kroost te waarschuwen voor gevaar en/of dat
gevaar te misleiden. Bij confrontatie met soortgenoten maken vossen gebruik van
lichaamstaal eventueel in combinatie met een zacht gegrom in verschillende variëteiten
om hun gemoedstoestand kenbaar te maken. Vossen zullen een bepaalde houding
aannemen waardoor ze zich speels, onderdanig, superieur, agressief,...tegenover
de andere opstellen. Een angstige vos bijvoorbeeld heeft de oren plat naar
achter gedrukt en houdt zijn kop ietwat omlaag, een agressieve vos doet
hetzelfde maar zal de bek wijdopen houden en daarbij een typisch geluid maken.
Vossen
zijn, alhoewel ze soms ook overdag actief zijn, vooral nocturne dieren. Dat komt omdat de meeste prooidieren ook enkel ’s
nachts actief zijn, maar wat ook zeker een rol speelt is het fenomeen dat ’s
nachts, door de afkoeling van de aarde, geuren langer blijven hangen, en zoals
reeds vermeld speelt geur een belangrijke rol in o.a. het opsporen van prooien.
De ogen zijn zéér lichtgevoelig en de rechtopstaande, elliptische pupil maakt
het mogelijk om enerzijds bij duisternis veel licht binnen te laten voor een
prima nachtzicht, waarvan de vos allicht dankbaar gebruik maakt en anderzijds het
gevoelige vossenoog te beschermen tegen fel daglicht. Maar ook op gehoor wordt
afgegaan. Het piepen van een muis kan vanop een aanzienlijke afstand door een
vos worden waargenomen, die er dan op af zal gaan. Voor het jagen op kleine
knaagdieren hebben vossen wel een
zeer speciale techniek
ontwikkeld: wanneer ze
een veelbelovend geluid hebben opgevangen, gaan ze erop af, maar ’s nachts in
hoog gras en duisternis kan de muis niet exact op zicht gelokaliseerd worden,
ook niet op geur. De vos zal in dat geval een beroep doen op zijn gehoor: door
zijn kop heen en weer te draaien en met behulp van zijn grote oorschelpen (die
dan als een soort richtantenne fungeren) kan hij precies weten waar de muis is.
Tijdens het lokaliseren zal de vos z’n lichaam opspannen om op het moment
waarop ie de exacte locatie weet een hoge sprong in de lucht te maken om met
z’n voorpoten precies op de prooi terecht te komen, deze vast te pinnen en
vliegensvlug toe te happen.
Een
vos is een rasechte opportunist, wat wil zeggen dat ie alles eet wat eetbaar is.
In de vrije natuur bestaat een vossenmenu
voornamelijk uit knaagdieren en kleine tot middelgrote prooidieren (konijnen,
hazen, gevogelte, mollen,...) maar ook aas, bosvruchten en insecten. De
voedselkeuze is verder ook afhankelijk van de biotoop. De vos maakt zich nuttig
en onmisbaar in het natuurlijk gebeuren door het teveel aan prooidieren voor
z’n rekening te nemen, waarvan ie in hoofdzaak verzwakte, verouderde of zieke
dieren zal nemen, een natuurlijke selectie die ook de bejaagde soort ten goede
komt. Vossen hebben de gewoonte om, wanneer er teveel is, voedsel te begraven.
Dit door eerst met de voorpoten een kuiltje te graven, de prooi erin te leggen
en te bedekken met aarde die ze met hun snuit erover duwen. De plaats van de
begraven voedselresten wordt later deels op geheugen en geur teruggevonden.
Meestal worden de overschotten binnen een territorium van een groep vossen op
een gezamenlijke plaats verstopt, zodanig dat elk individu van de groep, wanneer
de jacht wat tegenvalt, een beroep kan doen op deze voedseloverschotten.
Als
nestplaats wordt meestal een hol
gebruikt, dat ofwel zelf gegraven is of verlaten is of een bestaand, aangepast
konijnen- of dassenhol is. Maar ook andere schuilplaatsen kunnen dienst doen als
nestplaats: een ongebruikte hooizolder, een verlaten autowrak,…alles waar ze
zich veilig in voelen (waar m.a.w. geen mensen en diens huisdieren in de buurt
komen of kunnen komen), beschermd zijn tegen weer en wind en waar ze rustig
zitten en niet gestoord worden. In hoeverre deze nestplaatsen gebruikt worden,
is niet zeker, alleszins om geboorte te geven en de welpen groot te brengen.
Vossen slapen overdag ook
vaak buiten, maar bij barre weersomstandigheden
bijvoorbeeld zullen ze zeker gebruik maken van een occasionele of een vaste
schuilplaats. Een vos weet in zijn territorium minstens één (dikwijls
meerdere) geschikte schuilplaats(en). Als de dieren echter met jongen zitten, zorgt de minste verstoring van de nestplaats (een eenvoudig menselijk bezoek
bijv.) ervoor dat de familie naar een andere schuilplaats verhuist.
De jonge vossen worden na een draagtijd van ongeveer 53 dagen in het vroege voorjaar (maart-april) geboren. De worp telt gemiddeld vijf jongen (het aantal hangt rechtstreeks af van het voedselaanbod en de populatiedichtheid). De jongen worden compleet blind en doof geboren, wegen rond de 100 gram en hebben een zwarte, wollige pels. Alleen de typische staartpunt is dan al wit. De welpen zijn volledig op hun moeder aangewezen, die de eerste twee weken onafgebroken bij hen blijft. De jongen zijn immers nog niet in staat om hun eigen lichaamswarmte op peil te houden en zijn daarom afhankelijk van de warmte van het moederdier. Alleen voor 'sanitaire stops' verlaat de moervos heel even de schuilplaats. Gedurende deze periode wordt de zogende moervos gevoed door de rekel en/of door andere leden van de groep die het eten tot in de schuilplaats brengen (hun komst aankondigend door een laag, stil geblaf) en deze onmiddellijk weer verlaten. De moervos duldt immers geen bezoekers nabij haar kroost. Na twee weken gaan de dan nog donker gekleurde oogjes van de welpen open en beginnen ze te horen. Na vier weken maken de welpen al kleine uitstapjes in de onmiddellijke omgeving van de burcht. Ze worden daarbij scherp in de gaten gehouden door de moervos die waarschuwend blaft tegen overmoedige jongen en ze zelfs regelmatig moet terughalen. De jonge vosjes houden dan weer auditief contact met de moervos door het uiten van geluidjes die ergens tussen grommen en miauwen liggen. Wanneer ze zo ver weg zijn dat ze de anderen niet meer zien, lanceren ze een salvo van stille, maar hoge kefjes om hun aanwezigheid kenbaar te maken t.o.v. de anderen. Ondertussen zoogt de moervos de jongen meer en meer rechtopstaand. Ook beginnen ze nu vast voedsel te eten dat door de moervos wordt uitgebraakt ofwel dode kleine prooidieren die worden aangesleept door de moervos, de rekel of door andere leden van de groep.
Tijdens
de eerste helft van juni verlaat de vossenfamilie meestal de ondergrondse burcht
en ruilen ze deze schuilplaats in voor een bovengrondse woonst (zoals zeer
dichte vegetatie, braamstruiken,…). De kleur van de vacht en de typisch
vosachtige gestalte (grote oren, spitse snuit) begint nu
stilaan vorm aan te
nemen. Na zes weken zijn vacht en vorm volledig volgroeid maar de jongen zijn
dat dan nog niet. De moervos zal stilaan stoppen met zogen en de melkproductie
vermindert bijgevolg. De scherpe tandjes van haar kroost worden immers steeds
pijnlijker. De verkenningstochten van de jongen worden groter en overdekken nu
het hele territorium. De jongen zullen hun ouders of andere groepsleden mee
volgen op jacht en zich oefenen in het jagen. In het begin is de jacht voor de
jongen niet zo'n succes en concentreren ze zich op eenvoudige prooien zoals
wormen, insecten en muizen. Pas tegen het begin van de herfst zijn de jongen
volledig volwassen, vruchtbaar en zelfstandig. De band met de ouders valt weg en
de meesten verlaten de groep om op zoek te gaan naar een eigen territorium en
een partner. Sommige jongen vertrekken uit eigen wil, anderen worden weggejaagd
door hun ouders (dat gebeurt meestal als de natuurlijke draagkracht, d.i. het
gemiddeld aantal exemplaren van een bepaalde diersoort dat evenwichtig is voor
de biotoop, overschreden wordt; rechtstreeks bepaald door het voedselaanbod).
Het gebeurt ook dat sommigen blijven en zich aansluiten bij de groep. Rekels
worden altijd uit het ouderlijk gebied verjaagd, voor zover ze niet uit eigen
wil vertrokken zijn. Voor de onervaren, jongvolwassen vossen breekt een
gevaarlijke tijd aan: hoewel ze wel getraind zijn in het jagen, staat er nog een
bar seizoen voor de deur en de zoektocht naar een eigen territorium en
levenspartner zit vol gevaren: twisten met soortgenoten, het doodsbedreigende
verkeer en vooral de (plezier)jacht eisen een zware tol die voor een aanzienlijk
deel van deze jongvolwassen vossen meteen ook het einde betekent. In deze tijd
van het jaar is de vossenpopulatie het meest in beweging. Aanzienlijke afstanden
worden afgelegd door ‘zwervers’, door omstandigheden vrijgekomen territoria
worden ingenomen en nieuw gebied wordt verkend en eventueel bezet. Het is
bijgevolg logisch dat vossen soms op de meest ongewone plaatsen opduiken. Dat is
meestal echter een tijdelijk fenomeen en alleen als een bepaalde plaats echt
voor vossen geschikt is, zullen ze er blijven. Vossen op vrijersvoeten maken dit
kenbaar aan mogelijke kandidaten door geurvlaggen
(urine) uit te zetten en over verre afstand naar elkaar te huilen. Op een late
herfst of winternacht kan je dan wel es zo’n concert van langgerekt, schril
gehuil aanhoren. Als een rekel en een moervos elkaar hebben gevonden, zullen ze
tot aan de paring geen haar van elkaar wijken. De relatie is meestal monogaam, en een vossenkoppeltje
blijft
jaar na jaar trouw aan elkaar tot een
van de partners wegvalt. Hoewel de rekel drie maanden
paringsbereid is, is de moervos
slechts drie dagen ontvankelijk. Aan de hand van de geur die de moervos afgeeft,
weet de rekel ongeveer wanneer het zover is. Eerdere pogingen van hem zullen
door de moervos worden afgewezen. Tijdens deze drie dagen wordt er meermaals
gepaard. Na de paring gaat het wijfje op zoek naar een geschikte burcht om
geboorte te geven aan haar jongen en is de jaarlijkse cyclus rond.
© Hans Schockaert