|
"vroeger wou ik Suske
zijn"
Vero interviewt Tom Bouden
door Vero Beaupres (ZiZo mei 1999)
Ik heb thuis een stapeltje tekeningen uit mijn kindertijd. Vreemd
genoeg lijken dat allemaal mannelijke figuren voor te stellen, en nog niet van
de minste: breedgeschouderde, felbesnorde en strak in de broek zittende cowboys
en indianen, soldaten en matrozen, en in leder gehulde motorrijders. Het
lijken wel The Village People avant la lettre. Hoe zit dat met jouw
vroegste oeuvre? Mag ik vermoeden dat jij je aan Dolly Dots of Barbie lookalikes
waagde?
Helemaal niet. Dit doet mij wel denken aan mijn vader. Die
maakte vroeger altijd de opmerking "Teken eens een beetje meer meisjes"!
Mijn eerste strips waren over kinderen, maar ik was zelf maar negen jaar.
Het ging over een jongen en een meisje. En daarmee heb ik naar de
opmerking van mijn vader geluisterd, want ik tekende een meisje. En een
jongen... Maar er was toch een meisje bij. Maar ik moet zeggen dat
hij gelijk had, want het beperkte zich tot één. Al de rest waren
mannen. Mannen, mannen en jongens. Maar géén wulpse dames, geen
gespierde, brede mannen, doorsnee jongens. Mijn vader moet iets doorgehad
hebben. En ik dacht dan "Ja kom, ik teken toch gewone
strips? Suske en Wiske zijn toch ook een jongen en een meisje? Daar
is toch niets verkeerd mee?" Wat ik wel moet zeggen, ik tekende
alles af. Mijn eerste strip heb ik onlangs teruggevonden en dat was een
pareltje. Dat had ik oof afgetekend, en het was de kop van Jommeke
met een snor opgeplakt. En het waren stukjes uit 'Zonneland' en 'Zonnekind',
... Maar ik was jong, hè, ik was negen jaar. Maar er zat zeker geen
hoog roze gehalte in mijn werk.
Mijn allereerste stripfiguurtje 'James' was ook al van de mannelijke
kunne, hoewel hij zijn haren schouderlang droeg en zich op torenhoge
plateauzolen voortbewoog. Door de kwajongensstreken die hij uithaalde
eindigde James in ieder stripje "in de hoek met een pak voor de
broek". Vertel eens over jouw eerste echte strippogingen?
Mijn eerste strip heb ik op een middag getekend, toen ik met twee vrienden
van school thuis kwam. We waren bezig dat we beroemd gingen worden.
De ene wou professor worden,. Die is ondertussen afgestudeerd als doctor
in de chemie. De tweede wou acteur worden, films maken. Die maakt
intussen films als regisseur. En die middag heb ik mijn eerste strip
gemaakt 'Piet en Inge op reis'. Ik heb daar een negental albums
over gemaakt, variërend van twee pagina's tot twintig. Ik had zelfs een
studio, Studio Bouden. Het waren kinderstripjes, meer niet. Inge zag
er ook elke keer anders uit. De ene keer had ze lang haar, dan kort.
Of een bril of geen bril. Terwijl Piet er altijd hetzelfde uitzag.
Op een gegeven moment was het alleen nog Piet met een vriendje. Maar Inge
is teruggekomen in het laatste album. Daarna ben ik overgeschakeld op
oorlogsverhalen. Ik, die absoluut niet geïnteresseerd ben in auto's en
vliegtuigen, tekende juist dàt. Hoe ik daartoe gekomen ben weet ik echt
niet.
Tja, een kunstenaar moet alles kunnen.
Dat was mijn Sturm und Drang periode, toen ik van alles heb
geprobeerd. Van die fantasiedingen of Jean-Pierre Soda. Nee,
Sadé. Dat was het eerste dat misschien al iets naar de vreemde kant
opgaat. Jean-Pierre was de zeer sadistische kant van een tweeling.
Toen heb ik geleerd om gags te maken. Nog geen lange verhalen. Het
langste verhaal was twintig pagina's 'Piet en Inge in de jungle'.
Met Tarzan als personage. Dat stond dan in het KSA bladje. Ik
had het samen met een vriend gemaakt. We hebben het dan nagespeeld in de
badkamer, we wilden zo'n cassette maken zoals je ook hebt van Jommeke en Suske
en Wiske. Er moest daar een waterval aan te pak komen, dus met die
douche... We waren er in geslaagd de badkamer volleedig onder water te
zetten. Dat was grote paniek. We waren twaalf jaar of zo, en met dat
water over al die elektrische toestellen. We hadden geleerd dat dat
gevaarlijk was, dus we hebben alles snel gedroogd.
In mijn puberteit probeerde ik met mijn tekeningen indruk te maken op de
mooiste meisjes van de klas en stapte ik met portretten en karikaturen van mijn
idolen naar popconcerten in de hoop van op die manier backstage te
geraken. Wat meestal nog lukte ook! Heb jij je tekentalent ooit
gebruikt of misbruikt met het doel te behagen of te versieren?
Ik maakte karikaturen van de leraars, dus dat verleiden en versieren kunnen
we wel aan de kant schuiven. Ik had toen wel, in het eerste middelbaar,
een tijdschriftje, dat werd gekocht door één jongen en ik maakte dat dus voor
die ene jongen. Achteraf besefte ik dat ik min of meer wel verliefd was op
die jongen, maar toen wist ik dat nog niet zo.
Maar je haalde je inspiratie wel bij hem?
Nee, dat had daar niets mee te maken. Qua inhoud had dat daar niets
mee te maken. Het waren strips die ik sowieso maakte. Maar speciaal
voor hem bundelde ik ze, maakte ik covertjes, hij had een abonnement... Ik
heb hem na het tweede jaar nooit meer teruggezien. Het was de enige jongen
die in het eerste middelbaar nog een korte broek droeg.
Stel dat je jezelf tot strippersonage zou kunen transformeren, in welke
strip zou je dan graag meespelen?
Buiten de mijne? Goh, in 'De Onnoembare'. Van die heel
zwartgallige strips. Daar zou ik nog wel tussen passen.
In welke rol zie je jezelf dan?
Eén die het overleeft, want er sterven nogal veel personages in die
strip. Er loopt daar zo'n ventje rond dat meestal op de achtergrond blijft
en van die venijnige, steelde opmerkingen maakt. Zoiets, met zo'n
hoofdpersonage. Vroeger wou ik, zoals de meeste jongen, Suske zijn.
Die had zo'n avontuurlijk leven: met auto's rijden en zo.
En omgekeerd, als je een stripfiguur tot leven zou kunnen brengen, met wie
zou je dan eens de bloemetjes buiten zetten?
Het ergste met mannelijke personages in strips is dat ze meestal kaal zijn
en een snor hebben. Daar val ik niet echt voor. Nu ga ik een
pedofiel lijken hè, maar in 'Bernard Prince' komt er zo'n jongetje, een
Indiër, dat zou mij wel aanstaan. Hij loopt meestal ook met een kort
broekje en een ontbloot bovenlijf rond. Maar hij is iets te jong.
Lesbiennes hebben meer keuze, hé, er zijn meer goed uitziende heldinnen.
Bij Kiekeboe hebben jullie Fannie. Wij hebben Konstantinopel en Kiekeboe.
Hoe ben je ertoe gekomen om Vlaanderens homostriptekenaar nummer 1 te
worden?
Gelukkig dat ik homo ben... Ja, da's echt waar, ik hem daar mijn
carrière aan te danken. Want mijn gewone strips lopen dus niet. Er
is veel te veel concurrentie. Ik ben heel toevallig homostrips beginnen
tekenen. Op het einde van het middelbaar tekende ik zo af ten toe een
beetje mannelijk naakt, maar niemand mocht dat zien. Toen ik hier in Gent
studeerde heb ik dat verder uitgewerkt, een paar korte verhaaltjes, en
uiteindelijk is dat 'Max en Sven' geworden. Dat was een normale
evolutie hoor, ik heb nooit gedacht "Nu ga ik een strip maken over
homo's".
Doorheen jouw strips loopt en rode - of moet ik zeggen roze - draad van
humor, variërend van tooghumor tot pittige one-liners. Waar vind
je die inspiratie?
Door te luisteren naar wat mensen vertellen en door veel te lezen.
Bijvoorbeeld 'Max en Sven', toch zogenaamd een autobiografisch verhaal, is voor
drie vierde door andere mensen aan mij verteld. Hetzelfde met de opvolger,
'Max en Karel'. Tegenwoordig begint het wel steeds meer te gebeuren
dat ik situaties gebruik die ik zelf meegemaakt heb. De eerste strips
werden ook nog beïnvloed door de eerste uitgever, die zei hoe het moest
zijn. Dat is niet echt mijn humor. Hij wou bijvoorbeeld 'Max en
Sven' niet uigeven omdat er te veel tekst in zat. Het waren meer boeken
met toogmoppen. Ik wil dat de humor meer uit de personages komt en niet
uit de situaties. Voor mij hoeft humor zelfs niet meer. Af en toe
vertel ik iets wat niet echt grappig is maar wat ik zelf wel zeer herkenbaar of
gewoon een leuk verhaal vind.
Ik het het meest genoten van je album 'De memoires van Madame de
Coeur-Brisé'. Daarvoor heb je samengewerkt met David Davidse. Hoe
ging dat in zijn werk?
Samenwerking is een groot woord. We hebben elkaar twee keer gezien
voor dat album. Ik heb toen een hele stapel teksten van hem gekregen,
onder andere van zijn theatershows. Daar heb ik dan dingen aan toegevoegd
en weggelaten. Dan heb ik het op papier gezet en met hem besproken.
Hij heeft dat goedgekeurd en ik heb dat dan getekend. Dat was alles.
We moesten niet echt veel samen werken, want het verhaal bestond al.
Ik heb get gevoel dat ik mijn laatste Nederlandstalige album gemaakt heb.
Ik ben nu bezig om het in het Engels te proberen. Ook 'Max en Sven', dat
helemaal uitverkocht is, moet herwerkt wroden in het Engels. Ik wil meer
de richting uit van de grafische novellen van nu. Dat baestaat in België
gewoon niet, in Amerika wel. Kijk naar de uitgeverij van Alison Bechdel,
die leeft van haar werk. Dat zegt al genoeg. Als ik eens
onbescheiden mag zijn, ik heb van die Amerikaanse homostrips liggen, en de
meeste zijn zeer slecht getekend. Ik heb dan toch tekeningen die deftiger
zijn. We gaan het eens proberen. Maar ik heb wel nog twee
Nederlandstalige albums klaarliggen.
Jouw strippersonages zijn relevant voor het milieu: zowel de doodgewone
buurjongen als de zaterdagnachtnicht en de extravagante tante komen er in
voor. Ontspruiten die types in je verbeelding, of gebruik je er levende
modellen voor?
Ik heb zelf het gevoel dat ik niet zo veel verschillende personages heb, qua
karakters. De cliché's moet je gebruiken, de leernichten en zo, daar kan
je niet buiten. Voor de rest zijn het meestal 'normale' mensen, de mensen
waar ik mee omga. Max ben ik, Karel is wie ik zou willen zijn, de rest van
de huisgenoten zijn eigenlijk karakterloos, typetjes. Het is gewoon de
bedoeling dat gekaderd wordt hoe Max langzaam ouder wordt. Ik hoop dat hij
met mij oud kan worden.
Heb je contact met je lezerspubliek?
Ik krijg kerstkaartjes van mensen die ik niet ken. In het begin kreeg
ik af en toe brieven. Meestal krijg ik positieve reacties, negatieve zo
goed als nooit. Ik kom ook mensen tegen, hetero's waarschijnlijk, die dan
mijn strips gelezen hebben in de Fnac en die zeggen dat ze het tof vinden,
"die hard core strips". Wat ik wel tof vind, als ik
signeer op boekenbeurzen, zijn die schuchtere jongetjes, die eerst zo'n paar
keer voorbij lopen en pas na de vierde keer komen. Op het standje van mijn
verdeler op de Boekenbeurs worden mijn strips het meest gelezen. We zijn
zelfs al twee keer met de covers in het BRTN nieuws terechtgekomen.
Af en toe krijg ik wel eens een negatieve reactie, maar daar staan dan weel twee
positieve tegenover. Ik kan wel tegen onderbouwde kritiek, maar als iemand
iets zegt van "het hoog jaren zeventig gehalte strips van Tom
Bouden" of zoals in de ZiZo over de seks, moet ik daar dan rekening mee
houden? Ik vind van niet. Beter vijf keer tien op je rapport en vijf
keer nul dan tien keer vijf. Ik zoek altijd het positieve in een recensie,
ook al is twee derde dan negatief en één derde positief. Een uitspraak
als "Tom Bouden zit op de grens tussen smaak en wansmaak" vind
ik positief.
up
|