Eens verschafte abt Dioscorus  zich een nieuw onderkleed, omdat zijn oude bijna versleten was. Hij had het goede kleed weggelegd en droeg nog het versletene. Op een dag, toen de priester bij hem op bezoek was,  kwam er een vreemdeling aan zijn deur om iets te bedelen. Abt Dioscorus haalde het nieuwe onderkleed en gaf het de vreemdeling. Toen hij weg was vroeg de priester wat hij nu zou aantrekken voor de gebedsbijeenkomst. Het mooie kleed zou immers gepast geweest zijn voor deze plechtigheid. Abt Dioscorus antwoordde echter: “Zou ik het versletene dan aan Jezus hebben moeten geven?”

 

- bewerkt naar de vertaling van C.Wagenaar ocso van de Sahidische verzameling vaderspreuken