O eeuwige vorst van 't hemelrijk,

Gij schepper van het weids heelal,

aan God de Vader steeds gelijk,

Gij Zoon, vr tijd en jarental,

Gij bouwer van de wordende aard',

Gij drukt het beeld van uw gelaat

in Adam, en verbindt en paart

een eedle geest met stof: n staat.

Toen schond des duivels list en nijd

van 't menselijk geslacht de norm,

maar, met ons vlees bekleed, herwijdt,

Gij kunstenaar, de eerste vorm.

Geboren eertijds uit de Maagd,

heeft thans de grafstee U gebaard;

en wij, door zondedood belaagd,

herrijzen op uw woord uit de aard'.

O herder, die uw kudde wast

door 't Doopsel dat haar 't leven werft:

het bad, dat ons van schuld ontlast,

het graf, waarin de zonde sterft.

Door Vaders wil aan 't kruis gehecht,

hebt Gij, uit liefde, in overvloed,

om ons te redden, boven recht,

gestort de losprijs met Uw bloed.

Wil, Jezus, voor de zielen zijn

een Paasvreugd die geen einde kent;

behoed die thans herboren zijn,

voor zonde en wat het leven schendt.

U, God de Vader, heerlijkheid,

U, Zoon die uit de dood verreest,

en aan U, Geest van heiligheid,

zoals het altijd is geweest.

De Heer is verrezen uit het graf, alleluia.

Hij, die voor ons hing aan het kruis, alleluia.