De besnijdenis

     Op de 1ste dag van het nieuwe jaar gedenken we de besnijdenis van Jezus. Acht dagen zijn verlopen sinds de Geboorte. Een besnijdenis, berith mila (verbond van de besnijdenis) noemt men dit in het Hebreeuws, vindt 8 dagen na de geboorte plaats. Het woord berith, verbond, zegt het reeds, het gaat hier om een binding, een opname in het verbond naar de wet tussen God en Zijn volk. De belangrijkheid van de besnijdenis op de 8ste dag zien we mede door het feit dat deze gebeurtenis zelfs voorrang heeft op het gebod van de shabbatsrust.

     De besnedene behoort tot het volk van God. De onbesnedene duidt men als “orel”. Diens orla, voorhuid, is immers niet verwijderd. Er wordt echter gewaarschuwd voor wie dit teken slechts in het uiterlijke beleefd. Zoals altijd geeft de innerlijke gesteldheid de uiteindelijke waarde aan het uiterlijke teken, zelfs als dit uiterlijke teken niet naar het materiële aanwezig zou zijn. De profeet Jeremia roept het uit (Jer 9: 25,26): “Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Heer, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen die toch de voorhuid hebben…want alle volkeren zijn onbesnedenen, maar het gehele huis van Israel bestaat uit onbesnedenen van hart.” Wat is dan deze besnijdenis van hart? In het boek der Handelingen 15 lezen we over het vraagstuk der besnijdenis, en daar zegt Petrus (vers 8 en verder) “En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun (de heidenen) de Heilige Geest te geven, evenals aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende…”

     Bij de besnijdenis in het vlees wordt de voorhuid, de orla, de omhulling, grotendeels weggenomen. Het verborgene komt dus te voorschijn. We kunnen stellen dat het uiterlijke wordt teruggedrongen om het innerlijke vrij te maken. Ook dit vraagt onze levenswandel. Als ons hart de veranderlijke uiterlijke wereld najaagt, verkeren we in onrust en de zorg over hoe we aan onze uiterlijke behoeften gehoor kunnen (blijven) geven. Maar leven we zoals het gebed dat we tijdens de oratie van deze Kersttijd bidden: “Almachtige eeuwige God, bestuur onze daden overeenkomstig Uw welbehagen, opdat wij mogen overvloeien van goede werken in de Naam van Uw geliefde Zoon, die met U leeft.” Dan zijn we gericht op de Bron, op het woord dat Hij in ons innerlijke spreekt. Dit vraagt zeker niet het zomaar afwijzen van de wereld. De  voorhuid wordt immers niet volledig verwijderd. Het restantje, wat “pria” noemt, wordt teruggeslagen. We kunnen stellen dat het teruggedrongen wordt in de zin van “ontkracht”. De wereld wordt in die mate ontkracht dat de materiële roep niet bij ons domineert. We leven nog steeds in deze wereld, maar in ons handelen kan Gods kern, binnen in ons, openbaar worden.